Gedichten

door Mark Boog

Volgens de speltheorie


Volgens de speltheorie is dit geen spel.
Te veel verliezers.


In de tussentijd, die tussen eerste zet en einde,
wervelt de verveling
haar fraaie spreeuwenzwermspiralen


boven de uitgestrekte polder speelbord,
de verkavelde. Ingeklonken
kleigrond draagt zon en regen of het grijze.


Er volgt geen afrekening.
Er is geen wetenschappelijke grondslag
voor bepaalde handelingen, niemand haalt voordeel.


In de koeien en de zachte schapen leeft begrip.
Dobbelstenen stuiteren over de weiden.



Ontwaken


Zonderling ontwaken:
alsof het gisteren is. Oud licht
aarzelt achter gordijnen.
Het brood op de tafel het brood
dat gekocht werd. Gesputter: koffie.


Een dag als een vaal hemd in een mager rek,
schouders rond een hanger van ijzerdraad,


dag als andere. Maar het waden
van bed naar tafel, kast naar keuken,
het is gezien.


Ieder zijn ontstemming, ieder zijn dag,
zijn lange dag. Draagt aan het grotere bij
precies dit: kalm verzet, verschaalde lust.


De velden


De velden, waarboven de zon schijnt,
schitteren. Het omfloerste, de vroegte,


nevel, ernaast het ondraaglijk heldere.
De zon, die niet te zien is.


Lege handen, ogen, droog de tong.
Alom het embryonale ongezegde,


onbedoelde. Zie: hier sta ik.
Ik sta en ik kijk. Aan het bedrog


laaf ik mij, ga ik ten onder. Ik galm.
De velden, de velden, onmetelijke velden.