BVDB

Now ain’t there one damn song that can make me break down and cry. Geen idee of daar een vraagteken, uitroepteken of allebei achter hoort te staan, maar aan deze kreet, geslaakt aan het eind van het titelnummer van zijn elpee Young Americans uit 1975, moet ik altijd denken als ik aan David Bowie denk – iets wat ik, als zovelen, de afgelopen weken met grote regelmaat heb gedaan. Een kreet die recht uit het hart lijkt te komen, en aan de kern raakt van Bowies even unieke als imponerende oeuvre: _het verlangen om geraakt _te worden – en wel door een emotie die in één klap een einde kan maken aan het rusteloze gejakker van personage naar personage en van alias naar alias waar de proteïsche aard van zijn persoonlijkheid hem toe dreef (‘you drive like a demon, from station to station’, zoals hij in het titelnummer zingt van wat wat mij betreft zijn mooiste plaat is). Een verlangen – vermengd met vrees en religieus ontzag – dat in wezen het verlangen is naar het ‘eind van het lied’: een verlangen, zoals de soldaat in het verhaal van Slauerhoff dat zo heet het zegt, ‘iets te ontmoeten dat geen sterveling voor u nog naderde en zo ontzettend is dat het uw andere ontzettingen uitdrijft, iets raadselachtigs, dat u de grootste geheimen ontraadselt en zelf geheim blijft’. En dat iets, wist ook Bowie ten slotte, is de dood, en het lied, weten wij nu, ‘Black Star’.

Hoe groot mijn bewondering voor Bowie ook altijd is geweest, en nog, voor de superieure manier waarop hij popmuziek als canvas gebruikte voor een geheel eigen, de dans van de tijd steeds net met een paar passen voor blijvende dan wel ontspringende vorm van transformatieve pop-art, en hoe diep ik ook altijd onder de indruk ben geweest van zijn uitermate charmante, charismatische persoonlijkheid en bij vlagen dodelijk aantrekkelijke voorkomen, .n niet te vergeten van de bevrijdende werking die er voor velen is uitgegaan van de in al zijn gedaanteverwisselingen impliciete boodschap dat je niet gebonden hoeft te zijn aan die ene identiteit die je door de omstandigheden is opgedrongen, toch is het beeld dat de afgelopen weken het vaakst aan mijn geestesoog is voorbijgetrokken er niet een van Bowie maar van een andere man, minder aristocratisch maar even wellevend en wars van egomanie als Bowie, en twee weken voor Bowie aan de andere kant van de Verenigde Staten overleden, die er zijn hele leven niet alleen op een hoogst eigenzinnige manier – ‘warts and all’ − altijd precies hetzelfde heeft uitgezien maar ook innerlijk altijd geheel met zichzelf is blijven samenvallen: het beeld van Lemmy Kilmister, voorman van Motörhead, zoals hij jarenlang elke dag op dezelfde kruk van dezelfde bar aan de Sunset Strip in Los Angeles met voor zich hetzelfde drankje tot sluitingstijd achter hetzelfde videospelletje te vinden was – als een man die al een beduimeld ticket voor het Nirvana op zak heeft, maar niet van plan is om daar gebruik van te maken zolang niet iedereen zover is, als een ware bodhisattva van de rock-’n-roll.

Twee wegen van verlossing, de een transcendent, de ander immanent, die uiteindelijk een en dezelfde zijn. En precies daarin schuilt de ontroering.