BVDB

Als motto voor zijn bundel Ruimtevaart (2005) koos Wim Brands twee dichtregels van Weldon Kees, een dichter (filmer, schilder, jazzpianist) wiens duistere ster een kort maar krachtig bitter-swingende baan langs het firmament van de Amerikaanse cultuur van het midden van de vorige eeuw beschreef, voor hij in juli 1955 op 41-jarige leeftijd bij de Golden Gate Bridge (waar zijn auto werd aangetroffen) voorgoed van de radar verdween – met achterlating, thuis, van zijn poes Lonesome, en in de wasbak een paar rode sokken die hij in de week had gezet:

All day the phone rings, it could be Robinson
Calling. It never rings when he is here.

Regels die ontleend zijn aan het eerste van in totaal vier gedichten die Kees aan ‘Robinson’ wijdde: zijn even gedistingeerde als ongrijpbare alter ego waarvan hij in dit gedicht een portret in absentia schildert, tevens een zelfportret zonder zelf, aan de hand van een beschrijving van diens kamer, of eigenlijk: van hoe die kamer eruit zou zien als Robinson erin aanwezig zou zijn. En zolang hij dat niet is (‘his act is over’) blaft er geen hond, blijft de spiegel leeg, hebben de meubels geen plek, en zijn de bladzijden van zijn boeken blanco. Alleen die verdomde telefoon, die blijft de hele dag maar rinkelen: ogenschijnlijk het definitieve bewijs van Robinsons afwezigheid (‘it never rings when he is here’), maar – en dat is wat mij al zo’n veertig jaar in die regels fascineert – zo voelt het niet. Want waarom zou Robinson naar zijn huis bellen als het echt uitgesloten is dat hij daar zelf zou opnemen?

Ook in de andere Robinson-gedichten (het eenzaamste poëziekwartet ter wereld) is hij er tegelijk wel en niet: in een ervan is hij diep in slaap en kan in zijn duistere dromen iedereen zijn, in een ander wordt hij door Kees gespot op straat (wie schaduwt hier eigenlijk wie?) en blijkt hij ook daar iedereen en everyman (en steeds weer iemand anders) te zijn, maar nergens komt zijn gelijktijdige aan- en afwezigheid als aanloop tot een finale verdwijntruc zo simpel en schrijnend tot uitdrukking als in bovenstaande regels – die niet alleen de raadselachtigheid en de belofte van geheime kennis van zowel de koans als de blues herbergen, maar ook zo klinken. Met echo’s van zowel Kafka’s onvoltooide eerste roman Amerika (ook wel De man die verdween) als van Célines Reis naar het einde van de nacht: boeken waarin óók een Robinson een belangrijke rol speelt, zij het als een veel dubieuzere figuur dan in de gedichten van Kees, waarin hem veel hechter de tragiek van zijn schepper aankleeft.

Een jaar na zijn verdwijning schreef de filmcritica Pauline Kael, die goed met Kees bevriend was, dat ze nog altijd zijn ‘fantastically early telephone calls’ miste. ‘Seven years after a disappearance, a person can be pronounced dead,’ zo besluit Kathleen Rooney de roman in dichtvorm die zij in 2012 aan Robinson/Kees wijdde, ‘but that’s nothing compared to the size of the ocean’. Met andere woorden: Kees zal het niet zijn wanneer de telefoon nu weer eens krankzinnig vroeg gaat, maar de kans is groot dat het wel Robinson is.