In de knop

Jij werkt hier. Je weet wat de bedoeling is. En wat niet. Praten, bijvoorbeeld, of naderhand samen koffiedrinken: niet de bedoeling. Wie hier binnentreedt moet voelen: ik zal met rust worden gelaten. 

Dat in januari het geld binnenstroomt, vergezeld van een door goede voornemens verblinde kudde, dat is wel de bedoeling, en dat er in maart minder dan twintig procent van de zwetenden overblijft, daar kun je van op aan. Er zijn veel meer zekerheden dan je denkt, zeg je vaak, en als iemand dat troostend opvat, dan zwijg je maar weet je: troost is niet de bedoeling. 

Je staat aan je vlekkeloze bureau bij de ingang, klaar om de volgende die de glazen deur open zal duwen met een glimlach van een sleuteltje en een handdoek te voorzien. Je laptop gaapt, je gaapt niet met hem mee. Amper vijfentwintig mensen hebben de foto van je tatoeage geliked. Je kijkt lang naar de elkaar spiegelende kolibries aan weerszijden van je navel op het scherm, tilt je shirt op om ze in het echt te zien. Niet langer ontstoken zijn ze volmaakt. Het is geen kwestie van smaak, alleen van het gebrek eraan bij degenen die dit geen duimpje waard vonden. Zoals je ex. Zoals te verwachten.

Zulke dingen kunnen jou niets schelen. Jij wil geen applaus maar rust. Sport en rust. Je weet nog hoe het was, voor je hier aankwam. De drukte, de deadlines, de doden, de daver, de files, de pillen, het kermen, de hik van het lachen, het tikken, het trillen, de tijd, de dagen door lust overmand, de mannen, het krassen van kin langs lippen, de vertrouwde geuren van vreemd vel, je naam als uitgerekt gefluister uit gulzige monden, hun haren, hun mooie haar, het stromen, al die hunker het dal in, de nachten zonder slaap, door dorst te grazen genomen, het bijschenken zonder tellen en dan het monster, de straf. Het haalde je in en moest verdwijnen. Je zou wachten op een aanzet van het heelal. Om opnieuw te beginnen.

En zo kwam je hier. Eerst om te trekken, te trappen, te hijgen en te lijden. Daarna om te waken, te verwelkomen. Je werd meteen aangenomen. Lang geleden zijn je tanden rechtgezet, nu betaalt je glimlach zich uit. ‘Jij hoort hier,’ zeiden de bazen, ‘jij begrijpt het.’ Dat is waar. Je begrijpt dat er een rivier van oprechtheid onder dit prulpaleis stroomt. Je verstaat wat de dikke man op de loopband zichzelf aldoor toefluistert − ‘je kunt het niet, vetzak,’ zegt hij, je verzint dit niet − en je begrijpt dat hij zo zielig is dat hij zich op de rand van het heroïsche bevindt. Je begrijpt de meisjes die hun sigaretten uittrappen voor de ingang en binnen hun ogen rollen naar de sinaasappelhuid van dikkere, oudere vrouwen, naar de onvolkomenheden van fanatici met meer conditie. Je begrijpt de fanatici, de roeiers die de kettingen laten ratelen als elektrische zagen, de skeletten die ongemerkt met de crosstrainers zijn vergroeid, en de bruinverbrande gezwellen bij de spiegels, gevangen in eigen blik op eigen lijf. 

Je begrijpt ze allemaal, en je denkt: doe maar, van mij mag het.

Het cliënteel voelt dat: die begrijpt ons en laat ons met rust. Zo ook de massa man die nu door de deur naar binnen komt. Hij zag jou eerder. Jij zag hem. Je kent geen andere Turkse Belg met sproeten en rossig haar. Hij is een hele tijd weggebleven en over die afwezigheid zullen jullie niet praten, hij weet dat je het kunt raden, het bekende verhaal met voorspelbare stadia: trainingsverslaving, anabole steroïden, café- of echtelijke ruzie, kopstoot, hormonale ontreddering, poging tot nieuwe levensinvulling, terugkeer. 

‘Hey, ça va?’ glimlach je.

‘Ja, ça va, en met jou?’ glimlacht hij terug.

‘Ça va.’

‘Mehmet’ heet hij volgens zijn pasje. Aan zijn achternaam begin je niet. Het sleuteltje valt geluidloos in zijn handpalm. Als hij de handdoek van je overneemt knipoogt hij braaf. Je krult een mondhoek hoger en richt je blik weer op het laptopscherm zodat hij zijn tocht naar de kleedkamer kan verderzetten. 

Het is niet dat je hem bespiedt in de tegenoverliggende spiegels. Hij is zo breed dat hij moeilijk naast zich laat kijken. Zijn spieren zijn gedeeltelijk weer tot vet vergleden, daarom draagt hij geen diep uitgesneden shirt als de andere mannen bij de zware gewichten. Toch barsten zijn biceps uit zijn korte witte mouwen, een misvormd lichaam in een malse fase. Mooi vind je het niet. Maar het maakt je zachter. Je begrijpt het. 


Je houdt ervan met bevriende stellen af te spreken. Jij alleen met een man en een vrouw, of twee mensen van hetzelfde geslacht, dat maakt niet uit, als ze maar al lang bij mekaar zijn. Meer dan eens werd je erop gewezen dat de meeste vrijgezellen die voorkeur niet delen. Soms denkt een deel van een stel dat je in wezen een partner af wilt pakken. Na enkele onderonsjes snappen ze echter dat je het meent. Je houdt van hun gekibbel, van de manier waarop ze op elkaar zijn ingespeeld en het plezier dat ze aan je beleven, jij, de derde, de minder gekende, die de platgetreden paden van hun conversaties verstoort en veel mag zwijgen. Het zou kunnen dat die voorkeur te maken heeft met een onvoltooid kind in jezelf, zo heeft een van die stellen ooit eensgezind beweerd. Een behoefte aan een ouderpaar dat voor je zorgt, bedoelden ze, dat je iets mist wat je bent kwijtgeraakt, of wat je nooit hebt gehad. Het zou kunnen. Psychologie verveelt je.

Vandaag is het mannelijke deel van het stel met wie je hebt afgesproken niet komen opdagen. ‘Hij had koorts,’ verklaart de andere helft. Ze zit tegenover je aan het tafeltje voor vier bij het raam. Je verstopt je teleurstelling en bestelt de dagsoep en een glas water.

‘Je gaat toch nog iets anders eten dan soep?’ vraagt de vrouw verontwaardigd.

‘Ik heb niet veel honger.’ Het staat je tegen een gesprek over eetlust te moeten voeren.

‘Heilige kak,’ zegt ze. Niemand lacht nog om haar woord-voor-woordvertalingen van Engelse uitdrukkingen, zelf is ze zich er niet meer van bewust. Je volgt haar blik het raam uit. ‘Wat de hel is dat?’

‘Ik ken hem.’ Je ademt drie tellen uit door je mond. ‘Hij traint bij ons.’

‘Jezus, wat een griezel.’

Mehmets kuiten zijn hammen, de immense rug van zijn blauwe sportjas is nat. Hij rent een hoek om, het zicht uit. Hij heeft je niet gezien. Zwijgen, denk je. ‘Een Turk,’ zeg je. ‘Enfin. Een Belg, maar een Turk.’

‘Een rosse Turk?’
‘Zijn voorvaderen waren waarschijnlijk Galaten, een Keltische stam die in de derde eeuw naar Griekenland en Anatolië trok.’ Je hebt dit gisteren opgezocht, in het fitnesscentrum, nadat hij was vertrokken. 

Je toehoorder knikt, onder de indruk. Tijdens de stilte die volgt pulk je de bedrukte laag van een bierviltje en vouw je er een bootje van, dat je laat dobberen in haar wijn.

‘Waarom werk je daar eigenlijk nog?’ vraagt ze. Het is haar voorzichtige manier van spreken die je irriteert. ‘Voor een overgangsfase blijft het wel lang aanslepen.’

‘Ik werk daar graag.’

‘Maar waarom? Er is toch geen duidelijker symbool van wat er mis is met de neoliberale samenleving? Zorg voor jezelf, zodat de maatschappij geen last van je heeft! Word een machine! Sporten, gezondheid nastreven, fijn bij mij, maar tegen een kapitalistisch decor wordt zoiets ziekelijk. Want je moet er wel de juiste toestellen en abonnementen en voedsel en kleren bij kopen, je moet het meten en delen en elkaar controleren, en natuurlijk moet het allemaal meer en beter en sneller en verder en zwaarder en voor je het weet zie je eruit als die gast.’ Ze wijst met haar duim naar het raam, naar Mehmets afwezigheid. ‘Alsof je bent aangepakt door een ladderzatte taxidermist.’ Ze gooit haar hoofd in haar nek, gierend om haar eigen grapje, kijkt je dan bezorgd aan omdat je het niet verder hebt gebracht dan een flauwe glimlach. Zonder je antwoord af te wachten wijst ze in de richting van je navel, naar de kolibries die ze niet heeft geliked. ‘Trouwens... dat is toch niet jouw kop van thee?’

Zwijgen, denk je. 

‘Je hebt een rechtendiploma. Je kunt iets.’

Zwijgen.

‘En ik hou zelf van slank, maar jij bent nu echt te mager, hoor. Een en al spier, pees en rib, aantrekkelijk is dat niet, voor een vrouw. Net een anatomische schets. Sorry. Iemand moet het je zeggen.’

Een ober zet haar zeevruchtenpasta en jouw soep op tafel. 

‘Neem dan ten minste wat brood.’ 

Ze duwt het broodmandje tegen de rand van je bord. Het onvoltooide kind in jou had niet eerder zo sterk het gevoel tegenover een ouder te zitten en baalt. 


Je hebt de lichten gedoofd, op de achterste rij spots na, zodat het duidelijk is dat het centrum is gesloten, en je toch niet in het donker op de crosstrainer tekeer moet gaan. Vier dagen op zeven begin je om één uur met werken en sluit je om halfelf op deze wijze af. Jij en de toestellen, de televisies uit. Na een klein precisiebombardement hebben de vergissingen uit verre en nabije verledens, de herinneringen aan in teleurstellingen of verschrikkingen gestrande beloftes, het schouderophalend opgegeven. Er staan driehonderdvijftig verbruikte kilocalorieën op de teller en je lichaam vraagt om meer, zal je na het douchen belonen met een warme omkapseling van harmonische energie en welbevinden. Dit lichaam is niet te mager of te gespierd, het is je beste lichaam ooit, een om zo lang mogelijk te bewaren.

Je gaat op in de ultieme ontheffing van sociale interactie, je favoriete moment van afzondering. Warm en luchtig als een croissant in een oven, zwelt je pompende hart op van dankbaarheid. Nadat het toestel drie keer heeft gepiept zweef je vertraagd de afkoelingsfase in.

Dan zie je hem. Het zweet in je kleren verkilt. Zijn donkere, verzorgde bakkebaarden, zijn haar wat langer dan toen. Acht maanden geleden bijna. Je hebt geen klacht ingediend. Je moet hem verteld hebben waar je werkt. Het ziekelijke lef zich hier te vertonen. Hij leunt met een schouder tegen de glazen ingang − op slot! − en heft zijn kin naar je op, tikt tegen het glas. Hij komt er niet in, beloof je jezelf vanop de bodem van het ravijn waarin je met je endorfines bent te pletter gestort. Je benen zijn van riet. 

Hij brengt zijn telefoon naar zijn oor en doet de jouwe trillen, naast je laptop, bij de ingang. Je hebt hem je telefoonnummer gegeven. Je blijft hoog op de crosstrainer staan, roerloos, je mag niet afdalen. Nog voor het trillen voorbij is maak je een beweging met je hand, als naar een kat bij de vuilniszakken: ga weg − snel omklem je het handvat weer. Hij grijnst geïrriteerd, charmant voor wie niet beter weet. Je ruikt de geur van de riolering onder de douches, de toiletten, het zweet dat hier hangt, andermans zweet en snot en smegma dat deze muren binnendringt en als schimmel weer tevoorschijn kruipt, onophoudelijk. 

Je wil je nagels in zijn gezicht planten, terugslaan. ‘Ga weg!’ brul je. Hij houdt zijn handen voor zich als een Italiaan in een reclamespot: pizza mislukt, gelukkig nog een in de diepvriezer. Nooit zul je sterk genoeg worden om hem te vloeren, alle inspanningen ten spijt. Je moet de politie bellen, klautert van de machine af. Je was te dronken. Je hebt zijn rug gestreeld voor hij jou aanraakte. Je bent hem glimlachend en grootogig gevolgd. Benieuwd. Je bent een dom, gewillig kalf dat vroeg of laat een lesje moest leren. Je hebt niet eens ‘nee’ gezegd. Wel vaak ‘stop’. Je kent het verschil tussen passie en geweld. 

Na enkele nullen te veel te hebben getikt, houd je de telefoon tegen het glas en toon je hem het nummer van de politie. Je moet alleen nog op het groene telefoontje drukken. Waarom geef je hem opnieuw een kans ermee weg te komen? Jullie kijken elkaar in de ogen, tot hij de zijne sluit en een kus naar je blaast.       

Achter hem stopt een auto en Mehmet stapt uit. Eerst begrijp je het niet, vliegensvlug neemt schaamte het over − niemand mag dit zien, niemand mag dit weten − dan slaat de hoop in. Hij begrijpt het, Mehmet, hij heeft gezien dat er iets niet klopt. Hij begrijpt je. 

‘I… e… bleem?’ versta je door het glas. Mehmet verheft zijn stem en spant de spieren in zijn nek op. Hij is maar een beetje groter dan de ander maar twee keer zo breed. Ook zijn hoofd is enorm, gezwollen. De sproeten suggereren iets dat in honderden splinters uit elkaar is gegooid. 

De primitieve voorstelling is opvallend kort en kent een happy end. De tegenstander spuwt op de grond en druipt af, waarschijnlijk gehaaster dan hij zou willen. Je wil op en neer springend in je handen klappen, maar dat is niet de bedoeling. 

‘Ik kwam even kijken of hier nog iemand was, ik heb hier twee paar sportschoenen staan, thuis ook nog een paar, maar die zijn nog nat, en ik wilde vanavond nog gaan lopen − maar eerst en vooral: is alles in orde met jou?’ vraagt Mehmet als je de deur voor hem openmaakt.

Tot hiertoe hebben jullie alleen de woorden ‘ça va’ met elkaar gewisseld, en dan meteen zo’n lange zin. Je bent erdoor overdonderd. Je vindt het de meest troostende woorden die je ooit hebt gehoord. Troost is niet de bedoeling, verliefdheden nog minder, en natuurlijk is wat je voelt een reactie op het gevaar, op de redding, adrenaline, endorfine, alles tegelijk. Maar toch.

‘Bedankt,’ zeg je. ‘Wauw! Bedankt!’

Mehmet kijkt je aandachtig aan.
‘Ça va?’ vraagt hij, wat hoger.

‘Heb je nog even? Dan ga ik snel douchen en loop ik met je mee. Ik ben bang dat hij me ergens staat op te wachten.’

‘Zeker. Ik breng je naar huis.’


Mehmet en jij staan appelsap te drinken tussen dronken mensen van een andere planeet. Het was jouw idee om naar een café te gaan. Nu en dan komt er een onbekende aan zijn biceps voelen. Hij ondergaat de aanrakingen lijdzaam, maar iets in zijn gezicht doet vermoeden dat daar verandering in zal komen.

‘Gaan we?’ vraag je.

Hij zet zijn halfvolle glas op de toog en je volgt hem naar buiten, naar zijn auto, waar hij met moeite in past. 

‘Zal ik je dan naar huis brengen?’ vraagt hij.

‘Blijf je slapen?’ Je hebt dat nog nooit zelf gevraagd.

‘Dat zal niet gaan,’ zegt hij verschrikt.

‘Ben je getrouwd?’ 

‘Nee. Niet meer. Maar door alles wat ik heb genomen’ − hij slaat hard tegen zijn borstkas − ‘is er iets mis.’ Zijn handen vallen in zijn schoot en beginnen daar aan elkaars nagels te wriemelen. 

Je begrijpt het. 

‘Gewoon slapen is ook goed,’ zeg je.

‘Ça va dan,’ zegt hij. ‘Maar pas op, ik kan wel nog verliefd worden. Dat gebeurt gemakkelijker dan vroeger zelfs.’ Hij kijkt verlegen weg en start de auto.

De stad buiten is jouw stad, maar je herkent ze niet, je kunt overal zijn. De dunne maan lijkt scherper dan anders. Misschien was het café niet je enige slechte plan van de dag. Misschien vallen de terugkeer van het monster en je verlangen naar de man naast je niet toevallig samen. Misschien volgt er geen catharsis maar een herhaling.


Als je zijn enorme lichaam onbeholpen tussen de breekbare spullen in je appartement ziet staan, word je tot overmaat van ramp bevangen door een opwinding die je zelden hebt ervaren. Mocht er nu een zonnestraal naar binnen vallen, dan verscheen er wellicht een regenboog tussen je benen. Je besluit het hem maar gewoon te vertellen.

‘Ik kan je wel likken of zo,’ zucht hij.

Op alle andere dagen zou je behoefte zijn verkruimeld, maar vannacht beland je met een sprong op je rug in je bed en roep je: ‘Doen!’

Van dichtbij kijkt hij naar de kolibries. Hij zet zijn vinger op de ene en zegt: ‘Mehmet.’ De andere ben jij. Je bent erdoor getroffen, maar toch vooral ongeduldig want geil.

Hij gaat gehoorzaam en kundig aan het werk en je hebt er alle vertrouwen in dat het vast niet lang zal duren, tot zijn ademhaling je verstoort en blijkt dat hij huilt. Er ligt een bodybuilder met zijn hoofd tussen je benen te snikken. Dat moet jou weer overkomen. 

‘Sorry!’ zegt hij. ‘Ik huil zo snel tegenwoordig. Met Disney-films, met alles. Als ik je een raad mag geven: knoei nooit met je hormonen!’

‘Waarom huil je nú?’ Hij zit voorovergebogen op de rand van het bed, je hebt een arm om hem heen gelegd, je kunt de andere schouder maar net raken.

‘Omdat ik dus geen libidó meer heb en op dit moment zou ik dat ook wel anders willen.’

Je voelt een lachje opkomen dat je gezien de situatie tracht te onderdrukken. Wat je alsnog ontsnapt klinkt akelig.

‘Sorry!’ zeg je tegen zijn verontwaardigde gezicht. ‘Maar je zei libidó, met de klemtoon op de laatste lettergreep.’

‘Wat moet het dan zijn?’ Hij klinkt wat bozig.

‘Líbido,’ zeg je. ‘Of libído. Dat laatste is in het Engels, denk ik.’

‘Je weet het dus zelf niet.’

‘Nee.’
Je eigen libido is intussen ook de kamer uit gevlucht.

‘Wil je iets drinken?’ vraag je.

‘Heb je Aquarius?’

‘Isostar.’

‘Is goed.’

Jullie drinken elk een flesje voor de televisie. Bij de herhaling van het journaal bespreekt de nieuwslezer de nieuwe aanslagen. Mehmet moet weer huilen. Je huilt met hem mee. Hij slaat een zware arm om je heen, die moet daar blijven. 

‘Kan niet eenvoudig voor je zijn, als normale moslim,’ zeg je.

‘Het is voor niemand eenvoudig,’ zegt hij.

Er zijn drieënvijftig doden.

‘Après nous le déluge,’ zeg je. Het is een uitdrukking uit een vorig leven, je bedenkt dat hij ze wellicht niet eens begrijpt.

‘Nee.’ Hij kijkt je aan, zijn arm blijft, zijn sproeten zijn sterren, zijn ogen droog. ‘Nee,’ zegt hij opnieuw. ‘Na de zondvloed is het aan ons.’