Hemelvrees


Je komt buiten en voelt je onaf of je voelt je onaf en komt buiten.
Ergens staan mensen klaar met een hart om te werpen: ontwijk ze.
Je loopt langs een deur, die deur is paars, je oog valt op een paars boeket,
iemand rent langs met een paarse sjaal om zijn nek – even zijn jullie een set.


Je komt uit bij een open plein, het is er stil, je kijkt goed –
mensen houden iets in de lucht dat ze warmen in de zon.
Iets druipt langs hun polsen. Je ziet niet goed wat (en vlucht.)



  1. Het landschap

    In een open, uitgestrekt landschap ben je getuige van een eendagsdier.
    Het doet prehistorisch aan. Staat trillend in het landschap met een kaalroze,
    diepgerimpelde huid van ouderdom of pasgeboorte, je weet het niet.
    Je besluit het dier te dragen, maar het wordt kleiner in je armen.
    Het weent met een diep spenend geluid. Je begint te rennen, moet het redden –
    maar het is nergens naartoe te brengen.


    1 Een vis zwemt naar de oppervlakte en draait zich op zijn zij.
    Hij glanst zilverachtig. Zijn ronde bek gaat traag open en dicht,
    lijkt iets te fluisteren. Je kijkt, probeert het te begrijpen
    (en het lukt je niet).


    2 Je staat aan het water. Een vis gooit zich naar je toe, landt op je hand.
    Je wilt hem terugwerpen, maar hij is aan je vel gegroeid. Je voelt zijn kieuwen
    onder je huid ademen in je bloed. Je slaat hem tegen een steen en vergaat van de


    pijn. Hij sterft terwijl hij je aankijkt. Je bent woest; weet dat je zomaar jezelf hebt gedood.


    Je vindt iets in een vorm die je niet kent, maar je weet: dit is een ei –
    bijna vloeibaar, bij elkaar gehouden door een dun vlies. Het is nog warm.
    Je wilt weten door wat het is gemaakt. Je zakt op de grond en kruipt met het ei


    in je hand verder, terwijl je instinctief predikt: ik wil hem zoeken.


    Het schurende geluid van schavende ledematen.
    Een man veegt, gebukt, wit poeder voor zich uit
    tot een eindeloos uitgestrekte baan.
    Zijn naakte, opengesleten armen maken een raspend geluid
    wanneer hij het asfalt raakt. Hij doet het in steeds dezelfde beweging.
    Schuift, veegt, schuift. Een teken, een route, een weg.


    (Alles voor een signaal.)


    In het landschap ligt een gevilde baby met volwassen ogen.
    Hij huilt niet. Je weet wie dit is, wie hierin zit, je weet wie dit is
    en omzeilt hem met respect.


    (Je voelt dat je hem had moeten slepen tot hij eelt krijgt. Je loopt door.)


    Het silhouet van een man die blind rond een boom dwaalt,
    met zijn mond de schors afgaat, zich vastzuigt aan een stukje boomschors.
    Wanneer hij zich losmaakt zie je dat zijn mond onvolgroeid klein is
    en dat het het enige zintuig is dat hij heeft.


    Hij zuigt zich vast, dwaalt rond de boom,
    zoekend naar de tepel van een moeder.


    (Je loopt door, bedekt je.)


    Je ziet een man iets over zijn gezicht vegen, er twee deuken in duwen,
    er een streep in trekken, dan wachten. Hij veegt er een nieuwe laag over, duwt er twee nieuwe deuken in. Een streep. Het wachten. Een eerste gebaar. De nieuwe laag. Een nieuwe pose.


    De man probeert een nieuwe houding, blijft zichzelf herscheppen. Je ziet het vegen


    veranderen in smijten. Hij duwt te diepe deuken. Poses worden hysterisch.


    Je wilt het niet afzien.


    Iets heeft plots een lijf gekregen.
    Volwassen, zonder taal. Het butst en valt,
    balanceert, zwalkt. Strompelt op een eindeloos uitgestrekte
    baan van wit poeder en sterft.


    Ik wil hem zoeken.


    Kruipend met het ei in je hand stuit je op een front van gehurkte, bleke lichamen


    die je de weg versperren. Op elk lijf prijkt een reusachtig stel lippen, dreigend getuit.
    Het is: ze het ei voeren of ze kussen, een voor een, je besluit het laatste te doen.