Vrouwen leggen dingen uit aan elkaar


De laatste jaren ben ik met enige regelmaat een seksist genoemd. Het was zonder uitzondering een vrouw die het zei, en vrijwel altijd als ik weer een ergernis had opgebiecht, over weer een nieuwe feministische uiting. Seksist betekende dus: antifeminist. Deze drogredenering ergerde me, waarmee ik de vrouw in kwestie natuurlijk direct een nieuw staaltje van mijn vermeende seksisme had geboden. 

Dit ging enige tijd zo door, zodat ik besloot mijn ergernis eens nader te onderzoeken. Gelukkig diende zich vrijwel direct een goede gelegenheid aan: de feministische essaybundel Vrouwen schrijven niet met hun tieten, samengesteld door Wiegertje Postma, die eerder op VICE uitblonk met de maandelijkse, halfsatirische serie ‘Alles is seksisme’.

Er zijn weinig boeken die mijn ergernis zo eenvoudig wisten op te wekken als Vrouwen schrijven niet met hun tieten. De ergernis vermomde zich als een verlammende tegenzin. Het is niet fraai om een dergelijke tegenzin in jezelf te bemerken. Tegenzin is een vorm van luiheid, een vooroordeel. Goed, een deel van mijn tegenzin was verklaarbaar. Door de schreeuwerige en dommige titel bijvoorbeeld. Of door de lezing van Simone van Saarloos op de boekpresentatie, over hoe mannen met hun piemels schrijven. Daarmee werd dus direct de inzet van de bundel ontkracht. Het is alsof het feestje rondom een boek tegen racistische vooroordelen, ik denk aan: Zwarte mannen zijn geen negers, wordt afgetrapt met de lezing: Chinezen zijn spleetogen. Maar het grootste deel van mijn ergernis kwam voort uit de manier waarop het feminisme, dat tegenwoordig weer en vogue is, zichzelf definieert. Of eigenlijk: niet definieert. 

Het hedendaagse feminisme dat vooral bij hoogopgeleide vrouwen van onder de veertig in zwang is, lijkt eerder een reeks oefeningen in zelfbevestiging dan een kritische beweging. (Binnen ‘de nieuwe generatie schrijvers’ die op het omslag aangekondigd staat, is kennelijk geen enkele man te vinden die iets waardevols te zeggen heeft over het feminisme.) Roepen dat je feminist bent is de eenvoudigste manier om aandacht in de media te krijgen, en het is een van de veiligste, meest directe manieren om jezelf een identiteit te verschaffen. Is feminisme werkelijk een vrouwenzaak? Mogen mannen er niets van vinden? Om de analogie vol te houden: hebben blanken niet het recht racisme te veroordelen? 

Te weinig mannen spreken zich uit over het feminisme, te weinig vrouwen spreken zich kritisch uit over het feminisme. Met als resultaat een vrij grote, vaste groep van jonge vrouwen die elkaar voortdurend toejuichen en bevestigen in hun denkbeelden. Het feminisme als cheerleaderschap.

Nadat ik mijn ergernis gedurende enkele weken had laten woekeren en afkoelen, nam ik de bundel ter hand. Toch, uiteindelijk, vooral omdat ik mijn ongelijk bewezen wilde zien.

Misschien ligt de oorsprong van mijn denkbeelden, zoals wel vaker voorkomt, in mijn jeugd. Mijn moeder werd in 1986, mijn geboortejaar, een van de eerste hoogleraren Vrouwenstudies in de Nederlandse geschiedenis. Ik ben opgevoed met het feministisch-sociologisch discours, met kritische mensen, man en vrouw, die elkaar voortdurend uitdaagden, die intellectuele vernieuwing van elkaar eisten en met minder geen genoegen namen.

Waar is die geest gebleven? 

Natuurlijk, bewegingen veranderen. Het is niet aan mij om een beginselverklaring te eisen van zo’n grote groep, die zichzelf ook nog eens als veelvormig bestempelt. Het is ook niet aan mij om te bepalen wat het feminisme is. Ik verwacht geen ‘puntenplan’, zoals Postma dat in haar inleiding noemt. En toch lijkt het me zinnig om het concrete uitvloeisel van dit nieuwe feminisme, van deze nieuwe generatie, kritisch te bekijken. 

Deze nieuwe generatie vrouwen wordt door Postma omschreven als ‘één groot alles ontregelend leger dat je patriarchaat voorgoed komt bezetten. Een leger dat zich hard maakt voor de rechten en lichamelijke integriteit van alle vrouwen, én dat een bepaald merk bier niet meer koopt als er op een domme, seksistische manier reclame voor wordt gemaakt.’ 

Een opmerkelijke metafoor, gezien haar pleidooi voor een veelvormig feminisme (‘en - en’ in plaats van ‘of - of’), aangezien een leger bestaat bij de gratie van discipline, saamhorigheidsgevoel en gehoorzaamheid. Bovendien is het de taak van een leger om te vechten. Aan relativerende humor, nu juist de kracht van ‘Alles is seksisme’, hebben soldaten natuurlijk geen behoefte. Postma plaatst de feministen in haar bundel met deze metafoor impliciet in de traditie van de feministische activisten, en niet in die van de feministische denkers. En dat doet niet alle schrijvers recht. 

Grofweg bestaat de bundel uit twee soorten stukken. Ten eerste zijn er de (activistische) stukken waarin dagelijkse vormen van ongelijkheid en stereotypering tussen man en vrouw worden benoemd en bekritiseerd. Deze stukken zijn oververtegenwoordigd in de bundel, en behoeven weinig extra onderzoek. Denk aan: reclames voor bloemendeodorant of bier. Dit is het hedendaags feminisme op zijn oninteressantst. 

Ja, reclames zijn rolbevestigend. Voor mannen evengoed als voor vrouwen, overigens. Elke reclame is een stereotype.

Ja, er zijn dubbele seksuele standaarden. Denk aan het eeuwige player vs. sletdebat, in de bundel uitgewerkt door Renske de Greef, die aan het einde van haar ontleding van het begrip sletvrees tenminste met een voornemen komt, iets wat lijkt op een wil om de wereld ook daadwerkelijk te veranderen: ‘Dus moeten we iets doen aan het woord “slet”. Het omarmen. Het uithollen. Het tot een tandeloos begrip maken, aaibaar als een mak, geparfumeerd schoothondje.’

Ja, Lactacyd is een leugen. Kennelijk. 

Het hoogste wat deze stukken kunnen bereiken is dat de lezer hetzelfde denkt als de schrijver: wat een schande!

‘Een continu draaiende klaagfabriek,’ zo omschreef Andreas Burnier het feminisme van haar tijd, in haar boek De zwembadmentaliteit. ‘In het hedendaagse feminisme als continu draaiende klaagfabriek ligt het kwaad altijd buiten de betrokkenen. De eigen lafheid, luiheid, domheid, impotente rancune (en natuurlijk zijn wij allemaal op zijn tijd min of meer laf, dom, lui en rancuneus) worden zonder enige aarzeling naar buiten geprojecteerd op “de mannen”, op “het kapitalisme”, of wat ons verder voor de voeten loopt. En als wij zelfs te beroerd zijn om onze projecties expliciet te maken, dan hebben “de structuren” het gedaan.’ Burniers onverbiddelijke analyse verscheen een ontmoedigende zevenendertig jaar geleden en heeft helaas niets aan actualiteit ingeboet.

Ten tweede zijn er de stukken die constateren dat ongelijkheid complex is, en dat het roepen van schande! een tussenfase is, die op tijd verlaten moet worden wil het debat verruimd worden in plaats van gesmoord. Intelligente, introspectieve stukken. Lynn Berger schrijft over geweld tegen vrouwen, wellicht de grootste (en pijnlijkste) belemmering voor emancipatie. Ze analyseert twee moderne, reeds klassiek geworden feministische essaybundels, Bad Feminist van Roxane Gay en Men Explain Things to Me van Rebecca Solnit. Solnit confronteert ons met onrustbarende statistieken. In de Verenigde Staten wordt om de zes minuten een verkrachting gerapporteerd en slaat elke negen seconden een man zijn vrouw. Gewelddadige mannen zijn statistisch gezien een groter gevaar voor vrouwen dan kanker. Gay daarentegen zoekt in de populaire cultuur naar voorbeelden van geweld en onderdrukking, van de notoire vrouwenmepper-zanger Chris Brown tot Robin Thicke, die ‘Blurred Lines’ schreef. Berger schrijft dat feminisme meer is dan de strijd voor economische gelijkheid tussen man en vrouw, tegenwoordig het voornaamste richtpunt van de vrouwenbeweging. 

Maar als dit inderdaad het voornaamste richtpunt is, waarom heeft niemand in deze bundel daar dan over geschreven? 

Misschien het sterkste stuk komt van Floor Rusman, die haar jeugd beschrijft als een Arcadië, een microkosmos ‘waarin geen verschil bestond tussen mannen en vrouwen’. Toen Rusman ouder werd, begon de microkosmos te veranderen in de wereld die wij vandaag kennen, waarin verschillen tussen man en vrouw belangrijk zijn en belangrijk zullen blijven. Tot slot toont ze zich een ware kritische denker door de blik op zichzelf te richten: ‘Als vrouw moet je kiezen. Óf je verlangt naar een sterke man die de deur openhoudt en die betere grappen maakt dan jijzelf, maar dan moet je niet zeuren over een Suitsupply-campagne. Óf je eist echte gelijke behandeling, wat ook inhoudt dat je jezelf niet primair definieert aan de hand van je sekse.’

Ook de stukken van Bregje Hofstede, Nina Polak en Niña Weijers verdienen genoemd te worden, misschien niet omdat ze hun beste werk uitmaken, maar omdat ze zich rekenschap geven van de complexiteit van de discussie, omdat ze de vele tegenstrijdige emoties en gedachten onderzoeken die vrouwen (en mannen) er soms op nahouden wat seksualiteit en het krijgen van kinderen betreft.

Goed, het feminisme is dus alive and kicking. Maar waartoe dient deze bundel precies? Is het een viering van het feminisme, is het een ‘meetmoment’, is het een samenvatting? Hoe serieus zijn de auteurs zelf?

Het is een merkwaardig signaal dat maar liefst achttien van de vijfentwintig essays al eerder gepubliceerd zijn geweest, in tijdschriften, kranten, en op blogs. Als het feminisme inderdaad zo belangrijk is – wat ik van harte onderschrijf –waarom hebben slechts zeven van de vijfentwintig zich er dan aan gewaagd iets nieuws te schrijven? Vrouwen schrijven niet met hun tieten is een waarom-niet-bundel geworden. Een aantal goede en een aantal minder goede schrijvers zijn benaderd door iemand die ze vertrouwden. De schrijvers keken op de plank of ze nog iets hadden liggen en dachten: ach, waarom niet?

Dit is op zich legitiem. Zo werkt het met verzamelbundels. Maar je kunt niet enerzijds de aandacht vragen voor een grote maatschap­pelijke kwestie en anderzijds deze aandacht belonen met herhalingsoefeningen. Als de schrijvers zich niet hebben gecommitteerd aan de boodschap, als zij er geen tijd en aandacht aan hebben besteed, waarom zou ik dat dan wel doen?


Er zijn drie manieren om feminisme te bedrijven. Ten eerste, door te wijzen op serieuze misstanden. Ten tweede, door te bewijzen dat vrouwen even goed, zo niet beter zijn dan mannen. En ten derde, door te klagen. De eerste twee manieren komen voort uit soevereiniteit en kracht, de derde uit verongelijktheid, gemakzucht of verlangen naar aandacht.

Komaan! Als jullie soldaten zijn, vecht!

Mijn moeder noemt zichzelf tegenwoordig schouderophalend feminist, terwijl ze vroeger fel zou hebben geantwoord dat ze voorvechtster van gelijke rechten was, maar géén feminist. (De ­betekenis van het begrip feminist werd in haar tijd nauw bewaakt, en haar opvattingen waren niet eenduidig genoeg). Maar het feminisme van tegenwoordig, daar kan iedereen bijhoren. Ook zij. Ook ik. 

De casus toont precies aan waar ik sta. Ik ben seksist noch anti­feminist. Ik ben een feminist die zijn solidariteit niet durft te besteden aan een groep die niet lijkt te weten waar hij precies om vecht, een groep waarvan de meeste leden meer bezig zijn met zichzelf dan met de wereld.

Maar wellicht moet ik het boek zien als een geboortekaart. Er is een nieuwe generatie geboren, nieuwe, krachtige stemmen zijn ontstaan. Stemmen die wellicht werkelijk iets kunnen veranderen, ooit. Tegelijk brengt geboren worden ook nieuwe verantwoordelijkheden met zich mee. De voornaamste verantwoordelijkheid: iets toevoegen aan de wereld. Iets nieuws, iets krachtigs, iets wat het verdient gehoord te worden. Als ik daarbij een rol kan spelen, hetzij als medestrijder, hetzij als deel van de collectieve vijand, verneem ik het graag.