Welkomstcomité


Voor weer een campagne om jongeren aan het lezen te krijgen bezoek ik een Montessorischool in Amsterdam Oost. Uit 5VWO is een ontvangstcomité samengesteld van vijf slungelige meisjes met beleefde, intelligente blikken en kleine stemmetjes. Vier van hen dragen een hoofddoek, de vijfde heeft glanzend donker haar tot aan haar billen. De klas, die braaf klaarzit in een kring, bestaat voor ongeveer de helft uit Turkse en Marokkaanse Nederlanders, de andere helft ziet eruit zoals mijn klas er vroeger uitzag: twintig tinten wit.

De meisjes van het ontvangstcomité leiden de bijeenkomst. Ze hebben mijn roman gelezen (bijna uit) en ze hebben een aantal vragen en stellingen voor me, die ze zachtjes oplezen uit hun glitterschriftjes. 'Waar haalt u inspiratie vandaan?' 'Wie zijn uw voorbeelden?' 'Wat eet een schrijver?' Tot zover saai, maar dan: 'Is het u op kritiek komen te staan dat het belangrijkste thema in uw boek homoseksualiteit is?'

Ik ben verrast. 'Vonden jullie dat het belangrijkste thema?' vraag ik het comité. In de kritiek op mijn boek is dat onderwerp nauwelijks aan de orde gekomen, en hier wordt me ineens verteld dat het mijn belangrijkste thema is.

De meisjes, die nog altijd beleefd glimlachen, kijken mij en elkaar aan en knikken. Het was wel een themaatje, ja. Een docent houdt de spanning erin en vraagt de klas: 'vonden jullie dat een controversieel thema, jongens?' Het twintig tinten witte deel van de klas haast zich om te roepen dat ze dat absoluut geen controversieel thema vinden, de meisjes van het comité staren naar de grond. Mijn handen zweten. 'Wat vinden jullie?' vraag ik de meisjes. 'Nou,' zegt het meisje met de zachtaardigste stem, 'we hadden er een stelling over.' Ze opent haar glitterschrift en leest voor. De stelling is een vraag geworden: 'Vindt u dat homoseksuele mensen (ze gebruikt precies die keurige woorden) geen kinderen zouden mogen krijgen?'

'Ik ben romanschrijver,' stelt de Nigeriaans-Amerikaanse Teju Cole in zijn recente essayverzameling Vertrouwde en vreemde dingen, 'en met schrijven beoog ik de lezer achter te laten zonder te weten wat hij ervan moet denken. Een goede roman hoort geen standpunt in te nemen. Maar in de politieke wereld is ruimte voor openhartigheid.' Hij schrijft dit in een zeer kritisch essay over wat hij het 'industriële witte redderscomplex' noemt – zichtbaar in het naïeve activisme van Amerikanen die zich met veel bombarie inzetten om de Oegandese rebellenleider Joseph Kony te verdrijven uit de door hem geterroriseerde gebieden.

De taal van Cole in zijn politieke essays steekt inderdaad direct en scherp af tegen zijn meanderende kunstbeschouwingen en zijn fictie. Wat de meeste stukken kenmerkt, en vooral zijn mooie stukken over fotografie en literatuur, is Coles oog voor complexiteit. Hij verzet zich tegen eenduidige verhalen. In de poëzie die hij bespreekt vindt hij wat hij ook vindt in de grote, gemêleerde steden die het decor van zijn beroemdste roman vormen: iets wat zich onttrekt aan één overkoepelend of chronologisch narratief.

Hij laat kortom zien dat er bij hem voor beide modi een plaats en een tijd is: de onbepaaldheid van de romanschrijver en de puntigheid van de activist. Hoewel de essaybundel bewijst dat die dingen naast elkaar kunnen bestaan, heeft de combinatie voor mij iets vreemds. Mijn eerste gevoel is dat de literatuur, een 'nachtmerrie van nuances' (om Svetlana Alexsijevitsj te citeren), daarmee tot een soort speeltuin wordt gedegradeerd, waar je je terugtrekt als het niet nodig is om politiek te bedrijven. Maar misschien is dat het gevoel van iemand die de speeltuin niet wil verlaten.

Het is geen vreemde vraag van het comité. Vindt u dat homoseksuele mensen geen kinderen zouden mogen krijgen? Mijn boek speelt op een zeker niveau inderdaad met die vraag. En geeft er vervolgens geen antwoord op. Ik ben tenslotte een romanschrijver.

Maar het meisje met het schriftje vraagt het aan mij, kijkt me met grote bruine ogen aan, en ik weet niet of ze zich realiseert dat er een verschil bestaat tussen Nina Polak de romanschrijver en het mens dat zich hier quasinonchalant op een schoolbank heeft neergezet. Bestaat dat verschil?

Ik hoor mezelf, misschien wel met Cole in mijn achterhoofd, tegen het meisje zeggen dat op die vraag een politiek en een persoonlijk antwoord bestaat. Het politieke antwoord, uiteraard, is dat geen wet zoiets in de weg zou mogen staan. 'Ik zie geen zinvol argument voor de stelling dat homo's geen kinderen zouden mogen krijgen en opvoeden,' zeg ik. Simpel. 'Maar er is een complexer, persoonlijker antwoord mogelijk, waaruit dit boek misschien wel ontstaan is. Mijn eigen twijfels over die vraag heb ik gebruikt als grondstof voor dit boek.' Het persoonlijke antwoord is het literaire antwoord, bedenk ik me later, en het is eigenlijk geen antwoord.

Ik ben tevreden met dit nieuwe onderscheid. Voor het meisje met de bruine ogen blijkt het echter niets nieuws te zijn. Wanneer ik de vraag terugkaats, laat ze in alle kalmte zien dat er voor haar ook twee antwoorden mogelijk zijn. 'Politiek denk ik er hetzelfde over. Mensen mogen van mij doen wat ze willen, als ze er geen anderen kwaad mee doen.' Ze kijkt even naar haar klasgenoten in het witte vak en voegt er dan zachter aan toe: 'ook als het in mijn hart misschien anders is.'

Misschien. Haar hart. Ik zie de hoofddoek voor het eerst als een beschermer van het hart. In deze gaat Coles formulering dat politiek ruimte biedt aan openhartigheid niet op. Politiek, voor dit meisje, is wat zich buiten het hart afspeelt. Binnenin bestaan waarschijnlijk geen puntige antwoorden. Ze zou een geschikte romanlezer zijn.

Als het stilvalt neemt een jongen uit het witte vak het woord en vraagt me: 'vindt u dat Nederland tolerant genoeg is?'

Er zijn vele antwoorden mogelijk, zou ik moeten zeggen, maar ik zie aan zijn gezonde blonde hoofd dat hij een standpunt eist. Terwijl ik hem zijn zin geef denk ik aan het hart van het meisje.