De ochtend is de nacht van de ziel

O, ik houd zo van mijn tenen
jullie wonen met zovelen!
Het is zo ver, het voorbije
maar het is zo voorbij.
Langs de vijverrand de stengels
O zelfs in de winter 
De sneeuwbal bloeit, o zeker.
Met natte ogen kijkt 
het park naar boven.


Zet een voet voor de ander
maar langzaam, langzaam!
Het is zo ver, het voorbije
maar het is zo voorbij.
Fraaie uitverkoren dieren
in houten kooien opgesloten
probeer dat maar met een specht
dat gaat niet.


Voor het eerst in jaren schrik ik wakker
in de hoop te weten wat een droom was
O, laat je vallen! brult de vijver
Je wilt ten onder gaan in weelde
dat alles met je meegaat.
O, het verre, het voorbije
en geen ondergang een uitweg.


en


in het koude water poedelt 
eend na eend en wie zegt 
er dat niet deze
de nagelaten weg naar het eeuwige
heden bedachten en weer van zich
afschudden in verachting


O


Geef ons één dichter die de zee begrijpt
Of een handvol inktvissen die trachten
hem inzichtelijk te maken.


Een watergeest brutaal tegen een drempelgeest:
Wat is dat eigenlijk, een lek?
Een stroom in de vorm van een code.


En
een eiland dat gevoelig veroverd wil worden
een verbond met een donker uitspansel
een knipoog een oplichtend noodlot
nacht.
nacht.
nacht.
nacht.
(de scherven van de strijd liggen verspreid over het land)


Verlangen hoort in de maag
maar toch kan het niet eten
de vinger heeft er zin in
de vuist heeft er zin in
maar de rest ligt zwaar en onbesloten


zoals de klop van de trom
de klok 
de drup
en het is de wolk
en er volgt
dag en nacht. 
En het bestaat
maar moet het niet worden vergeten?


zoals de stralen in het mos
het donker onder onze voeten
het woud
en daaronder
het andere woud.