Eruit

Willen ontsnappen is geen mens vreemd: behoor je ergens toe, dan wil je eigenlijk zo snel mogelijk weer weg. Je kúnt proberen om keer op keer overal uit te breken – je jeugd, het huwelijk, je werk, het haperende lichaam. Maar juist aan de kern van alles wat we zijn, de geest, is geen ontkomen mogelijk.

The Fifties

In 1955 stond alles nog op zijn plaats. God in de hemel, de paus in Rome, de burgemeester in het stadhuis, de koningin in Soestdijk. Zelfs de dood had een duidelijke plek: je lichaam naar het kerkhof (katholiek bij katholiek, protestant bij protestant), je ziel naar het hiernamaals (idem vermoed ik). En Mr. G.B.J. Hiltermann legde elke week uit hoe de wereld in elkaar zat. Muzikale omlijsting verzorgd door: het Cocktail Trio – The Ramblers – Sweet Sixteen – Teddy Scholten – Les Compagnons de la chanson. Maar ook wel operette, ik denk aan Wiener Blut, Franz Lehár, Franz von Suppé (Ball-Szene). En Duitse schlagers: Conny Froboess, Peter Kraus, Freddy Quinn, Heidi Brühl – of zong zij niet? En Caterina Valente natuurlijk, Eine Nacht am Rio Grande!

De kerken zaten vol, priesters waren gewijde mannen die ethisch net iets hoger woonden dan hun kudde. Zij toonden dan ook steevast een diepe frons als hun parochianen zich te buiten gingen aan dans, drank, of aan elkaar. Vooral dat laatste, de noodlottige lichamelijke versmelting, werd als een riskante daad gezien waarin zondigheid en vreugde een duivels pact aangingen, waar eigenlijk niets goeds uit voort kon komen. En in alle behang zat een verbod op masturbatie ingeweven. Muziek voornamelijk Gregoriaans. Waarbij vooral het jammerlijke geteem tussen epistel en evangelie (Graduale) hogelijk irriteerde.

Dat alles zo goed op zijn plek stond kwam niet alleen door God en de Koningin, maar ook door de Amerikanen, die in 1944 geheel belangeloos onder Duitse kogelregens de stranden van Normandië op kwamen struikelen. Echte mannen die tegelijk een sigaret, een stuk kauwgom, een vrouw, een auto en een machinegeweer aan de gang konden houden. Die een sjekkie op hun bovenbeen konden rollen en dan aansteken door met blote hand vuur uit hun cowboylaars te slaan. Onze regering was altijd zeer bekwaam, rechtvaardig en vooral heel erg verstandig. Precies als president Eisenhower, die daarbij ook nog lief en stoer was. Muzikale onderstreping door Bing Crosby – Perry Como – Pat Boone (de zingende dominee). En in de bioscoop Doris Day – Roy Rogers (Rooie Roggers met zijn onvergetelijke paard Trigger) en de zeer diep lijdende Charlton Heston.

Ontsnapping uit deze wereld was het grondthema van mijn puberteit. The Animals zongen het: We gotta get out of this place, if it’s the last thing we ever do. En voordat we het pand verlieten waren we niet te beroerd om onze ouders te laten weten wat we van de inrichting vonden. Pubers zijn afschuwelijke wezens. Nadat ze jarenlang uit je hand gegeten hebben beginnen ze opeens recht in je gezicht te kotsen. En wij waren de ergste pubers sinds eeuwen. 

Zo pestte ik mijn vader met gespeelde verbazing over het feit dat mevrouw G., als ze van de communiebank terug liep naar haar plaats (met de Schepper van het Heelal op haar tong), toch nog de geestelijke ruimte overhield om de bontjas van mevrouw K. met de hare te vergelijken. En als ik het hele Godsidee bij de ouwe kranten zette kwam hij met zijn aandoenlijke ad hominem: ‘Wou jij soms zeggen dat jij het beter weet dan al die kardinalen van de Romeinse Curie?’ 

En dan de Heilige Amerikanen. In Vietnam bleken ze tot allerlei verschrikkingen in staat en dat wreven wij onze ouders in. Dat deed pijn, want ze konden zich moeilijk losmaken van het ideaalbeeld van Onze Bevrijders. Maar wij zagen alleen maar dat ze halsstarrig aan hun respect vasthielden en niet in de gaten hadden wat de Amerikanen in Vietnam aan het uitvreten waren.

We moesten zien weg te komen bij deze dolende sukkels die meenden ons te moeten minachten om ons geslachtsleven, ons haar, onze kleding, onze muziek, onze politieke voorkeur, onze studiekeuze en vooral ook onze weigering om nou gewoon eens een baan te zoeken. Alles wat we wilden en waarvan we droomden traden ze met tergende afkeuring tegemoet. 

Rond deze jaren is er geen sprake van muzikale omlijsting, nee, de muziek uit die periode was een tijdsgewricht op zich. Althans voor mijn generatie. The Beatles – Stones – Dylan – Hendrix – Zappa – Cream – Yardbirds – Kinks – Doors – Jefferson Airplane en vele anderen, zij lachten en hoonden en speelden alle priesters, al dat geheul met de oorlogsmisdadige Amerikanen en vooral de domme angst om van elkaars lichaam te genieten voorgoed de wereld uit.

En zo raakten wij buiten, de babyboomers. En waar kwamen we in terecht?

Ik kan niet nalaten erop te wijzen dat we in veel opzichten gelijk hadden: Vietnam was echt een gruwelijke klerezooi, waarna Amerika nooit helemaal de oude is geworden. De Kerk maakte al gauw zwaar slagzij en is nu nog steeds bezig te zinken. Ja, een onverwacht weerbarstige Titanic. Maar zinken doet ze nog altijd. Over haar priesters hoef ik niks te zeggen. 

Wat de geslachtsmoraal betreft: wij kijken met een zekere minachting of met medelijden naar die gewapend betonnen huwelijken van onze ouders, die altijd samenbleven, wat er ook gebeurde. Maar ik heb de indruk dat wij er met onze vrijheid in huidig relatieland wonderwel in slagen precies evenveel ellende uit het leven te peuren als onze ouders binnen de benarde omheining waar zij het moesten zien te redden. Wie een werkelijk bevredigende oplossing heeft voor de verhoudingen tussen mannen en vrouwen, en alle denkbare of via operatie verkrijgbare varianten daarop, die krijgt het totale pakket aan Nobelprijzen van 2018 nu reeds overhandigd. 

Maar waar kwamen we nou in terecht?

Aanvankelijk in Provo, Hadimassa, de Maagdenhuisbezetting, het inspraakgedoe, de happening, Vietnamprotesten, de minirok, de pil, allerlei andere pillen, hasj, Marcuse, oosterse mystiek, lang haar, vieze voeten en vooral ook veel vrolijke minachting voor maatschappelijk succes. Want iedereen die een stropdas om had was reddeloos mislukt.

En later?

Is er een erfenis van the sixties? Of bestaat die alleen maar in de verachte gedaante van babyboomers als een snelgroeiende groep bejaarde uitvreters die zich jarenlang vastklampten aan de leukste machtsposities in politiek en cultuur en die nu door hun versleten lichamen en hun instortende breinen de gezondheidszorg onbetaalbaar maken? 

En kijken we nog steeds zo naar onze ouders? 

Laatst was ik bij een oude vriendin in Engeland. Haar ouders hadden een bed and breakfast en gingen elke winter op vakantie naar de Canarische Eilanden. Indertijd ergerden we ons kapot aan de geestloze dia’s waar ze mee terugkwamen. Elk jaar dezelfde suffe plaatjes vol bougainville en luieren bij het zwembad in een ligstoel met in je hand een cocktail met zo’n klein parapluutje. 

Veertig jaar later zaten we er samen in tranen naar te kijken.


Protonen botsen in de deeltjesversneller, Cern

Academische geneeskunde

Ik begon mijn medische studie in 1972 aan de GU, later de UvA. Ik was toen 24 jaar. Na de HBS had ik eerst twee en een half jaar gewerkt als laboratoriumassistent bij Philips in Eindhoven. Ik had daar maar één vraag: hoe kom ik hieruit? Dat lukte in 1968 toen ik naar Engeland ging om borden te wassen. Daar belandde ik na veel gedoe op de universiteit van Nottingham en deed mijn bachelor in filosofie. In Engeland was ik gewend aan tutorial-onderwijs, dat wil zeggen dat je met een man of zes bijeenkwam om je een paar maanden lang zorgen te maken over het begrip logical necessity bij Aristoteles, Frege, Russell, Wittgenstein en Quine. 

Dat ging anders in de medische studie. Je zat in collegezalen met wel 350 studenten in de zielloze ambiance van een internationale luchthaven waar duizenden studenten werden rondgepompt op weg naar een vage toekomst. 

Geneeskunde vond ik aanvankelijk een gênante studie. Psychiatrie, fysiologie, biochemie en vooral neurofysiologie waren de uitzonderingen. Maar wat je daar aan geestelijk avontuur beleefde werd meteen weer doodgeslagen in de multiplechoicetentamens waarin je gereduceerd werd tot de spreekwoordelijke rat in het labyrint van een treiterige psycholoog. 

De manier waarop wij studeerden had iets beschamends. Alsof je iemand de namen van de schoonvaders van alle brug- en sluiswachters in Nederland uit zijn hoofd laat leren ter voorbereiding op zijn werk als binnenvaartschipper. Op het tentamen moest je dan binnen veertig seconden twintig namen noemen waarin drie a’s voorkwamen. En je was geslaagd als meer dan 50 procent van de genoemden nog in leven bleek te zijn. Nou ja, zo voelde het ongeveer. 

In het vierde jaar werd ik zo pissig over het farmacologietentamen (allemaal pillen uit je hoofd leren) dat ik de hoogleraar in plaats daarvan een essay aanbood. Ik wilde hem een voorbeeld geven van wat ik intellectueel wel aanvaardbare kost achtte. Ik wilde uitleggen dat de biochemie ons niets vertelde over ons lot als mens en ik citeerde Quine, Lévi-Strauss, Kafka, Thucydides, Plutarchus, Nietzsche e tutti frutti om mijn probleem te verduidelijken. Ik heb het hem nog persoonlijk overhandigd en hij reageerde zo geschrokken dat het leek of hij nog nooit een student van zo dichtbij had gezien. Dat was de eerste hoogleraar die (bijna) met mij sprak.

Professor Kuiper, de psychiater, was de tweede hoogleraar met wie ik in al die jaren enkele woorden wisselde. Hij stelde in het vierde jaar voor een werkgroep hermeneutiek te beginnen. We waren met twaalf studenten en we begonnen met een voorstelrondje. Ik schrok van mijn jaargenoten, want als je ze zo hoorde dan maakten ze zich erg veel zorgen over Hegel, Heidegger, Merleau-Ponty en Kant, terwijl ze op muzikaal gebied stuk voor stuk geen dag doorkwamen zonder Bach, Debussy, Beethoven en Couperin.

Die filosofen vond ik niet zo erg, want met uitzondering van Kant dacht ik bij de genoemde namen: jij liever dan ik. Maar die muziek! Ik geneerde me voor mijn smaak, omdat ik I Feel Fine van The Beatles of Voodoo Child (Slight Return) van Jimi Hendrix de mooiste muziek vond. En nog steeds vind. Maar daar bij Kuiper durfde ik niet met The Beatles of Hendrix aan te komen. Nee, dat valt niet goed te praten, ik weet het. Maar ik meldde mij gauw af, want ik voelde me er in bijna alle opzichten niet thuis. 

En toen staken we over naar de coschappen. De gangbare didactische benadering daar was: verpletteren. Als akelig voorbeeld herinneren we ons professor X, God heeft reeds enige jaren zijn ziel. Tijdens de visite gaf een co een verkeerd antwoord op een van zijn stekelige vragen, waarop hij briesend reageerde met de uitroep: ‘U moet dubbel nul voor uw naam laten zetten: license to kill!’ En dat allemaal luidkeels op zaal te midden van patiënten.  

We werden meestal geconfronteerd met een standaard van excellentie, belichaamd in de hoogleraar, waar we nooit bij in de buurt zouden kunnen komen. De hoogleraar kon bij wijze van spreken staand in de deuropening zonder stethoscoop een lekkende hartklep al op vijf meter afstand horen. Het gekke was dat wij om al die onzin niet durfden te lachen, althans niet hardop.   

Wij coassistenten beschouwden artsen in opleiding tot specialist als een stam ver­dwaasden. We keken naar hen met angst voor zo’n monomaan leven. En ook wel met bewondering voor hun toewijding. Maar de angst voor werkweken van tachtig uur had bij mij meestal de overhand (want dan zou ik niet meer kunnen lezen ’s avonds). Gevolgd door afkeer, want met die toewijding viel het wel mee. Veel vroom gezwets waarachter een benauwd wereldje schuilging, vol onderlinge strijd om wie de knapste van de klas was. 

Eén assistent interne is me altijd bijgebleven. Hij zat in het derde jaar van zijn opleiding toen zijn vrouw hem in alle rust meedeelde dat zij met de twee kinderen weer naar Enschede vertrok en hij moest nog maar eens schrijven als hij daar ooit tijd voor dacht te vinden naast die krankzinnige opleiding. Hij gaf meteen op natuurlijk, onder luid gejuich van de co´s. De hoogle­raar bevestigde onze inschatting van het hele circus door in zijn afscheids­speech een beetje gewond stil te staan bij de gemengde gevoelens die dit afgedwongen afscheid in hem opriep. Gemengde gevoelens over die vrouw, waar hij nog enige twijfels over de oordeelskracht van de vertrekkende assistent aan toevoegde. 

Maar de belangrijkste herinnering blijft: dat pletten, kleineren, dat ‘denk maar niet dat jij dit ooit zult kunnen’. Die indruk moet ook enigszins samenhangen met mijn persoonlijke achtergrond. Ik was zeven jaar ouder dan mijn jaargenoten en de medische studie was voor mij geen voortzetting van de middelbareschooltijd. Ik had een hekel aan autoriteiten en vanuit mijn filosofische opleiding een onbedwingbare behoefte om de kwaliteit van beweringen flink door elkaar te schudden. 

Vooral de overschatting van het vak zat me dwars, omdat die veel leed veroorzaakte. Het woord ‘sterfbed’ bestond niet binnen onze opleiding. Je had alleen maar ziekbedden die dan soms verkeerd afliepen. Ook toen al was het me een gruwel dat weerloze oude mensen op een verschrikkelijke manier te grazen werden genomen door de geneeskunde. 

Ik vergeet nooit dat ik daar ruzie over kreeg met een assistent interne. Ik vroeg hem tijdens een zondagdienst waarom hij nog doorging met de in mijn ogen zinloze behandeling van een bejaarde man.

‘Wat wou jij dan?’ was zijn vraag.

Dat vond ik niet zo ingewikkeld: ‘Laat die man toch gewoon doodgaan!’ 

Zijn nijdige antwoord was: ‘Wat doe jij eigenlijk in een ziekenhuis?’ 

Terugblikkend ben ik erg negatief over mijn medische studie. Ik was eerder een betere arts geworden als ik in mijn studie op een volwassen wijze was geïnformeerd over de werkelijke aard van ons vak. Als ze me niet hadden doodgegooid met alle mogelijkheden, maar me hadden voorgehouden dat omgaan met de Onmogelijkheden veel belangrijker is. Veel medische kennis wordt aan studenten overhandigd op een wijze waarin ongefundeerde hoop vermengd is met onuitgesproken doodsangst. 

Na mijn artsexamen heb ik nog geen nanoseconde hoeven nadenken over de vraag of ik in een ziekenhuis zou willen werken. Ik was blij dat ik eruit was.


Protonen botsen in de deeltjesversneller, Cern

Kan de ziel het lichaam uit?

Zou wel fijn zijn want dan kan hij verder (als we de ziel even ‘hij’ noemen) nadat het lichaam ermee is opgehouden. Wel aardig om te bedenken dat er gedurende honderden miljoenen jaren niemand op aarde was die zich hier zorgen over maakte. Kinderen vragen zich wel eens af: waar was ik dan voordat ik werd geboren? Maar de mensheid kan zich dat ook over zichzelf afvragen. En dan verhuis je geestelijk naar die aarde in wording. Weet u trouwens dat niemand weet waar al dat water op aarde vandaan komt? Of hoe leven ontstond? Maar goed, het is er, en bacteriën werden planten en toen dieren. Het zou vervolgens nog miljarden jaren duren totdat er onder die dieren eentje geleidelijk zijn koppie zo ver boven het maaiveld uitstak dat ’ie de dood in de verte kon zien, ja, een pechvogel. Hij besefte in de tijd te leven. Dit was alle andere levensvormen bespaard gebleven. Wel een onthutsende gedachte: totdat de mens er was, of geleidelijk arriveerde, had niemand enig idee dat er zich op deze planeet iets bijzonders aan het afspelen was. Is dat niet verwonderlijk, te bedenken dat als de evolutie gestopt was bij chimps en bonobo’s en orang-oetans, dat dan niemand zou weten dat er leven was op aarde? Want het is in de mens dat de Natuur haar ogen opslaat en ziet dat zij er is. (Nee, gejat van  Schelling: ‘Die Natur schlägt im Menschen ihre Augen auf und bemerkt, dass sie da ist.’)

De dood kunnen ontwaren betekent ook dat je eraan probeert te ontkomen. De enige reden waarom we tot de fictie van een menselijke geest zijn gekomen is dat we niet dood willen. 

Helaas weten we niet hoe het idee van een geest die zich buiten het lichaam kan begeven ontstaan is. Dat is het vervelende met de symfonie van het menselijk denken: je valt altijd halverwege het muziekstuk binnen. Terwijl je eigenlijk tijdens het stemmen van de instrumenten aanwezig zou willen zijn. 

Toch waren we eeuwenlang tevreden met het idee dat er op de een of andere manier iets in het lichaam is dat uit het lichaam vertrekt bij de dood. Ik gebruik ‘ziel’ en ‘geest’ en ‘bewustzijn’ uitdrukkelijk door elkaar. De Middeleeuwers beeldden het ook zo uit. Op afbeeldingen van de dood van Maria zie je hoe de ziel in de vorm van een klein mensje uit haar mond ontsnapt om door engelen op een witte doek omhoog naar de hemel gedragen te worden. Mensen zagen dat ook gebeuren bij het sterven, dat de ziel als het ware het lichaam verliet. 

Ik sta in mijn werk nogal eens bij stervenden en heb precies de tegenovergestelde indruk, namelijk dat de ziel in het lichaam wegzinkt als water in zand. Maar die indruk is slechts een bevestiging van mijn idee dat de ziel het lichaam niet uit kan. Waarom niet eigenlijk?

Het gaat om een verwarring over ruimtelijke voorzetsels als ‘in’ en ‘uit’. Let op: je kunt IN je derde huwelijk IN een Fiatje IN 2015 IN de makelaardij IN Groningen IN een crisis zitten. Dat is vijf keer ‘IN’ en niet één van die ‘IN’s’ is als een ander. Je zit op een heel andere manier in een Fiatje dan in een huwelijk. 

Wat we niet beseffen is hoezeer al die ‘IN’s’ verschillen. En wat een onzin we uitkramen als we die betekenissen door elkaar gaan halen. Zo kun je naar Daphne Schippers kijken en zeggen: er zit een gouden medaille in die benen. Maar als iemand daarop zegt: waar dan precies? Dan heeft hij ineens een ander ‘in’ te pakken, en denkt hij aan een ruimtelijke locatie. 

De ziel zit in het lichaam als de medaille in de benen van een atleet. Hij kan er niet uit in de zin waarin de man die in het huis zit wel het huis uit kan. En dat komt niet doordat de ziel daarbinnen ergens wordt vastgehouden. Het gaat om een begripsmatige onmogelijkheid. Hetzelfde ‘kan niet’ vind je in de mededeling dat een rijbewijs niet kan trouwen. Dat is niet omdat andere rijbewijzen zo onwillig zijn. 

Kunnen we de geest niet uit de hersenen halen?

Dat is de missie van neurosofen. Zij willen niet alleen zeggen dat de ziel het lichaam niet uit kan, zij willen laten zien dat er helemaal geen ziel in zit. Dan blijven we alleen met het lichaam over. Het grappige is dat ze denken dat we dan alles kunnen begrijpen. De aanname is dat ‘stof’ veel begrijpelijker is dan ‘geest’. Daar komen we op terug. 

Wij hebben de geest een vrij nauwe omheining binnengedreven: de hersenen. Daar ging wel een eeuwenlange geschiedenis aan vooraf. We dachten ooit dat de hele wereld begeesterd was, dat alleen de mens een geest heeft, en nu denken we dat alle dieren en misschien eigenlijk ook planten en microben geestelijk leven hebben. Geestelijk leven? Dat is wat je aantreft in de hond die zijn poot bij pijn terugtrekt. Een stoel zal dat nooit doen.

Geestelijk leven gaat gelijk op met gebeurtenissen in de hersenen. Een stoplicht zien, een auto besturen, mail beantwoorden, liefde tonen, vanille proeven, pianospelen, praten, bij alles wat we doen zijn onze hersenen actief. Er zijn geen voorbeelden van geestelijke activiteit zonder hersenen. Wel hersenen zonder geestelijke activiteit. Denk aan coma of dood. Hersenschade kan elke geestelijke activiteit vervormen of zelfs vernietigen. De gevolgen van een beroerte kent u. Ook dementie komt door hersenschade. Naar aanleiding van deze onthutsende feiten stellen de neurosofen: eigenlijk zijn er alleen maar hersenactiviteiten, er is als je het goed bekijkt helemaal geen geest. 

O ja? Stel dat er alleen maar stof is. Dan kan niemand dat zeggen, want een mededeling is geestelijk. Tenzij je in de eindeloze zee van stof één droog plekje reserveert voor deze mededeling: ‘Er is alleen maar stof, er is dus geen geest.’ Maar tegen wie zou je dat zeggen als er nergens geest is? Het klinkt als: ik ben er niet! Je kunt net zo goed zeggen: ‘Wij zijn ons brein.’ 

Wat een onzin allemaal. 

Wat tegenvalt in de neurosofen is dat ze niet echt tot op de bodem gaan. Waarom stoppen bij hersenactiviteit? Want is hersenactiviteit niet eigenlijk een kwestie van moleculen, atomen, neutronen, protonen, quantumfysica, gavitrons, snaartheorie, zwaartekrachtlenzen? Het ontwapenende is dat ze hersenactiviteit begeesterd hebben. Termen als hippocampus, frontaalkwab, cortex, adrenaline, hersenstam, spiegelneuronen etc. hebben een geestelijke lading gekregen, zodat je je bij een neuronaal netwerk het duizelingwekkend snelle flitsen van gedachtes en emoties gaat voorstellen. Waarbij we vergeten dat gedachtes net zo veel weg hebben van neuronen als van natriumatomen, namelijk helemaal niets. 

Tenslotte: de wereld van de deeltjesfysica is voor 99,9999 procent van de echt heel erg hoog opgeleide mensen even verbijsterend als onbegrijpelijk. Dus als we de geest uit de hersenen zouden kunnen verdrijven dan staan we oog in oog met Higgsdeeltjes en neutrino’s. Nee, niet oog in oog, dat is de ellende, die dingen kijken niet terug. 

Wij sommen op: alle geestelijke activiteit komt uit de hersenen. Maar niet in de zin waarin de man uit de schuur komt. Het gaat om een heel ander ‘uit’. Er heeft nog nooit iemand een gedachte uit een neuron zien komen. De geest kan er niet uit. Niet uit het lichaam en niet uit de hersenen. Omdat dat niet de manier is waarop hij er IN zit.