Toen Amsterdam mijzelf nog was

Wanneer je hevig verliefd bent geweest op een stad kan het zijn dat ze bij een weerzien nogal tegenvalt, net als bij een oude geliefde van vlees en bloed. Verlangen naar een plek of heimwee hebben naar iets wat er nooit is geweest: huist dat gevoel in je hoofd of in je onderbuik? En kun je wel werkelijk opgaan in een stad waar je liefde voor koestert?

Het waren echte dromen, waaruit ik ontwaakte met die typische teleurstelling je eigen saaie slaapkamermuren terug te zien. Welke vorm de stad der steden aannam in mijn jonge onderbewustzijn weet ik niet meer, maar er waren wolkenkrabbers geweest en ik had ertussen gestaan, of gevlogen, in de mist van mijn slaap. Het gevoel weet ik precies: belofte, knisperend en groots.

Het was zo’n eenzijdige liefdesaffaire waar meisjeskamers van uitpuilen, het object veilig ver, gereduceerd tot een concept, een perfecte poster boven je bed.

De eerste keer dat het geen droom was, ik was zestien, herhaalde ik dat in de taxi vanaf Newark tegen mezelf – dit is echt, echt. De skyline kwam in zicht, zo groot als een postzegel. Mijn opwinding paste haast niet in mijn lijf, en toch was er nog ruimte voor pijn. Een kleine, grote pijn, het negatief van de pijn die ik altijd had gevoeld wanneer het maar een droom bleek: nu was het geen droom meer.


Van die eerste reis herinner ik me de kleine suite die mijn vader voor ons boekte in het Waldorf Astoria. Als hij overdag naar zijn congres ging, lag mijn zusje er op bed, bestelde waldorfsalades en hamburgers en liet zich duizelig maken door het tv-aanbod. Af en toe liep ze naar het raam en keek de diepte in, waar Park Avenue stroomde, een gele rivier van toeterende taxi’s. Het was genoeg voor haar.

Ik stapte de grandioze herrie in en nam metrolijn 6, iedere dag, kaarsrecht naar beneden tot aan St. Mark’s Place, het hart van de East Village. Koortsachtig stroopte ik daar de winkeltjes af, die gereproduceerde symbolen verkochten van de tegencultuur die hier meermaals hoogtij had gevierd. De sfeer leek er nog net te hangen, de creatieve energie was nog bijna voelbaar en ik probeerde er dichterbij te komen, er deel van te worden op de wanhopigste wijze denkbaar, door te kopen. In de treurige souvenirwinkeltjes scoorde ik slappe aftreksels: een Bob Dylan-bril, een Patti Smith-hoed, een Velvet Underground-T-shirt.


‘Homesickness means a dream of belonging; to be, for once, of the place, not merely in,’ schrijft Zygmunt Bauman in ‘From Pilgrim to Tourist’. Toerist zijn heeft voor mij altijd dat onmogelijke heimwee betekend: een verlangen naar een plaats, tijd en ervaring die nooit de jouwe zijn geweest en dat waarschijnlijk nooit zullen worden. Het verlangen, kortom, om géén toerist te zijn, om het decor waarin de gemiddelde stedentrip je doet belanden levend te zien worden en er deel van uit te maken, er thuis te zijn.

Ben ik ooit zo stormachtig verliefd geweest op Amsterdam? Nooit, maar laat ik het toch eens over onze beste dagen hebben

Ik zie het bij de Amsterdamse toerist terwijl hij langs de grachten sjokt: die doelloos zoekende cirkelbeweging rond een onvindbare kern. Het museum dat de stad onder zijn toeristische tred is geworden lijkt steeds onverschilliger, doder, en sluit zich voor de echte ervaring die de toerist er zoekt. Hij koopt kaas bij een nepkaasboer waar nog nooit een Amsterdammer binnen is geweest, eet poffertjes in een Nutellawinkel, huurt een fiets om dezelfde zinloze rondjes nog sneller te kunnen afleggen. Hij koopt zich een weg naar het ‘echte’ Amsterdam, denkt hij, maar belandt in een tussenwereld waar niemand leeft.


Ik wilde geen toerist zijn in New York. Een erotisch gevoel bijna, ik wilde er dichterbij zijn, erin zijn, ermee samensmelten. ‘I was in love with the city, the way you love the first person who ever touches you and you never love anyone quite that way again.’ Zelfs Joan Didion, die met ‘Goodbye to All That’ misschien wel het meest geïmiteerde New York-essay schreef, kon om dat cliché niet heen. Op een stad word je verliefd – niet verstandelijk, niet esthetisch, maar in je onderbuik.

Het was het geluid in de straten, de geur van de metro, de structuur van de gebarsten stoep. Alles een lokroep voor mensen zoals ik, gelukszoekende romantici met artistieke ambities die wakker gekust moesten worden. Het stikte er van zulke verliefden, daar ik zou ik later achterkomen, die allemaal gehoor hadden gegeven aan de lokroep en nu hun hoogstpersoonlijke affaire uitleefden met hun minnares, de polyamoureuze metropool. 
 
Ben ik ooit zo stormachtig verliefd geweest op Amsterdam? Nooit, maar laat ik het toch eens over onze beste dagen hebben. Er was het Spui, natuurlijk, waarvan ik pas sinds kort weet dat er ooit water stroomde. Ik studeerde Nederlands in de Spuistraat en dronk op het Spui, in het vervaagde aura van een roemrijk verleden dat zich – net als die spoken in de Village – nog nét liet bespeuren, als je twee rode wijn op had. Het liet zich op het nippertje reconstrueren in het oude café waar ik achter de ruiten zat te verlangen naar een echt goed gesprek. Ik kon het gevoel samenstellen uit de geur van de boekhandel, het aanzicht van Het Lieverdje, de uitkijk op het Maagdenhuis, het gele licht van de straatlantaarns, de flaneurs die je toen nog net tussen de toeristen kon herkennen. 

Het was er nét, dacht ik. Maar misschien kan ik beter ‘bijna’ zeggen. Bijna kon ik daar aanraken wat ik wilde: een literair leven, om het een naam te geven, waarin alles ertoe deed, een leven vol betekenis. Zoiets. Inmiddels kan ik verwoorden wat ik toen ook al vermoedde: het ging precies om dat bijna, het ging om belofte, het heldere begin van een roes. Nergens bestond wat ik zocht, het ging om het magische gevoel er dichtbij te zijn, dicht bij dat wat ook de toerist kwam zoeken in het illustere café: aura, restjes grandeur, belofte.

Randgebied, NY Perspectives, Joshua Lutz, 2009


Een kamer zonder raam aan Bedford Avenue in Brooklyn. Ik betaalde er duizend dollar per maand voor en sliep in thermo-ondergoed omdat er behalve geen raam, ook geen verwarming was. Alleen een stoffig rond gat in de muur om ’s zomers een airco op aan te sluiten. Ik kan er romantisch over doen, het was een shithole, maar ik was er domweg gelukkig – geen toerist meer, ik woonde in Brooklyn. I live in New York, New York, the city that never shuts up. Wel vier maanden moet ik dat in mezelf gezongen hebben, ik kon mijn kop niet houden, terwijl ik over die gebarsten stoepen stapte. Honderden kilometers heb ik gelopen, vervuld van alleen die gedachte: ik woon hier, ik woon hier.

De kamer zonder raam had kartonnen muren en bevond zich achter in de loft van Nicolas, een jeugdige vijftiger van wie ik me niet goed herinner of hij nu klusjesman of kunstenaar was. De loft, die aan elkaar hing van doe-het-zelf-werk, was overigens het enige bewijs dat Nicolas kluste of kunst maakte – op het uitoefenen van een van beide ambachten heb ik hem nooit kunnen betrappen. Hij zat op de bank, at vanille-ijs met proteïnepoeder als ontbijt en diner (met uitstapjes naar Heinz Pork and Beans) en vertelde over zijn joodse moeder (een klassiek geval).

Een goed verhaal, dacht ik, een mooie vreemde vogel om mijn New York-memoires mee te beginnen, een perfect decor.

Nicolas was depressief, realiseer ik me nu, en de loft was dat eigenlijk ook. Twintig jaar eerder was de klusser-kunstenaar naar de stad gekomen en uit de bijbehorende hoopvolle energie was deze charmant provisorische binnenhuisarchitectuur ontstaan, industrieel, artistiekerig, perfect voor een wild leven. De geest van de vroege jaren negentig hing hier, maar er was iets misgegaan, uitgeblust of, erger, nooit ingelost. Nicolas zat er alleen, met de huurders waarvan hij er steeds meer in huis moest nemen om te overleven. De loft verloor zijn openheid aan steeds meer kartonnen muurtjes.

Voor mij was het genoeg, voorlopig, ik woonde in New York, in een loft, hield haast geen geld over om te eten, voedde me volledig met die oude sensatie. In de woorden van Vivian Gornick, een andere trouwe minnares van de stad: ‘I could taste in my mouth world, sheer world. All I had to do was get old enough and New York would be mine.’

Nicolas moet ooit hetzelfde gedacht hebben. Nu was het zijn voornaamste zorg om fit en dun te zijn. Het ijs-proteïnedieet moest daarbij helpen en dat deed het: hij was pezig en goedgevormd. Als hij uit de douche kwam zag ik zijn buikspieren, ik kon de blokjes tellen. Of dat goedgevormde lijf ook werd aangeraakt, dat was weer een ander verhaal. Nicolas was een man geworden van één ding tegelijk.


‘The meaning of the city was that it made the loneliness bearable,’ schrijft Gornick ook, in haar prachtige flaneerboek The Odd Woman and the City. Ze doet verslag van een jarenlang volgehouden dagelijkse stadswandeling van tien kilometer, om haar hoofd leeg te maken, om het straatleven te ervaren, om middagdepressies te verjagen. En om te dagdromen: ‘Sometimes I daydreamed the past – idealizing remembered moments of love or praise – but mostly I daydreamed the future.’

Of dat goedgevormde lijf ook werd aangeraakt, dat was weer een ander verhaal

Mijn meest gedroomde dagdroom veranderde in de plek waar ik dagdroomde. En dagdromen doe je alleen. Hoewel ik mensen zag in New York – studiegenoten, vrienden uit Nederland, nieuwe vrienden – bleek ik er het liefst in mijn eentje te zijn, op straat, in een voortdurende staat van opgewonden zelfconstructie. Met mijn schoenzolen sleet mijn oude identiteit van me af, meende ik, ik liep tot ik alleen nog toekomst en mogelijkheid voelde, ik liep me vast in de illusie dat alles hier alleen voor mij bestond, voor mij alleen.

Een relatie aangaan met een vreemde stad, genoegen nemen met die diffuse, onfysieke liefde, is een manier om je echte leven stil te zetten. De stad maakt eenzaamheid dragelijk, ja, maar creëert ook zo haar eigen, nieuwe eenzaamheid. Vrijheid, zou ik dat toen genoemd hebben, het onverschillige gezelschap van acht miljoen anderen, die zich tussen al die lijven, net als ik, volledig aan hun eigen mogelijkheden uitleveren.


Op het Spui, naast de haringkraam, is een oesterbar gekomen. Het is zo’n Parijse oesterbar, zoals je ze vaak in New York ziet, met hekjes om het terras heen en witte tafellakens. De klandizie bestaat uit opgepoetste kosmopolieten, die hun winkelsessie even onderbreken met een portie fruits de mer en een glaasje crémant. Weet je nog, die goede oesterbar in Londen, zeggen ze tegen elkaar.

Ik word geplaagd door nostalgie als ik erlangs loop. Heimwee naar de stad zoals ze was, heimwee zelfs naar de stad zoals ik haar nooit heb gekend.

Toen Amsterdam zichzelf nog was, ben ik geneigd te zeggen, eigenaardig, armoedig, spannend. Een tijd vóór oesterbars, Starbucksen en Hudson’s Bays. Lang voordat je op steeds meer plekken het gevoel had dat je net zo goed in elke andere wereldstad zou kunnen zijn. Ik ben een toerist in mijn eigen stad, kan ik niet nalaten te denken, zodat de echte toerist zich hier thuis kan voelen.

Het zijn gevaarlijk sentimentele gedachten, natuurlijk. Populistische gedachten, vergeef het een romantica. Want zou ik moeten uitleggen wat het onvervreemdbaar eigene is van mijn stad dan zou ik niet veel verder komen dan een paar hoogstpersoonlijke indrukken, opgedaan in die beloftevolle tijd toen ik nog dacht dat de grachten er lagen voor mij, dat voor mij de zon boven het IJ opkwam, dat de mensen waren gaan slapen voor mij, zodat ik de stad ’s nachts dacht te zien voor wat ze écht is.

Toen Amsterdam mijzelf nog was, kortom.


Dat ik er in New York alles aan deed om maar geen toerist te zijn, resulteerde erin dat ik zonder het door te hebben tot een nieuwe toeristische klasse ging behoren: de kosmopolieten die zomaar overal hun thuis van maken. Ik vermeed die ‘typisch’ New Yorkse dingen – die waren voor de toeristen – nam mijn MacBook, ging achter een raam zitten met een kop koffie, naast iemand die hetzelfde deed, en ik bleef het tegen mezelf herhalen: I live in New York, New York, the city that never shuts up.

Aan het afscheid hield ik het hardnekkigste liefdesverdriet over, zoals ik dat kende van liefdes die te vroeg verbroken werden

Zo luidruchtig was die gedachte, dat ik me op schrijven niet kon concentreren. En dus keek ik naar de mensen die hier net als ik leefden en werkten, zoals een flaneur dat doet, zonder bij ze te horen, vanuit de verse autonomie die ik zo driftig cultiveerde. Die iedereen hier zo driftig cultiveerde, vlak naast elkaar.

Ik kwam terug naar diezelfde koffiebar, knikte er naar dezelfde mensen, bestelde er dezelfde sojacappuccino en worteltaart en zei tegen mezelf en tegen wie het maar horen wilde dat het leven hier beter was dan in poppenhuis Amsterdam.

New York liep voorop in, en bood de overtreffende trap van wat de wereld je tegenwoordig in elke hoofdstad te bieden heeft: de kosmopolitische pleisterplaats die er overal hetzelfde uitziet – gestripte muren, Perzische tapijten, designstoelen en perfect gezette koffie – zodat je er als vreemdeling het hoogst haalbare kunt bereiken: je er thuis voelen, er wonen, er geen toerist meer zijn. Je bent een reizende bohemien, de wereld is van jou, de stad en haar energie zijn je grondstoffen, je palet, je canvas. Alle omstandigheden zijn voorhanden om jezelf zoveel mogelijk verhalen te verkopen over wat het betekent dat jij hier bent.


‘It is often said,’ schrijft Didion, ‘that New York is a city for only the very rich and the very poor. It is less often said that New York is also, at least for those of us who came there from somewhere else, a city only for the very young.’

I live in New York, New York, the city that never shuts up. Die mantra liet zich maar niet uit mijn kop verdrijven. Niet als ik eekhoorns voerde op Union Square, niet als ik de Williamsburg Brigde over liep, niet als ik ramsj shopte bij Strand, niet als ik danste in een kelder aan de Lower East Side, niet als ik in mijn raamloze kamer Joan Didion las.

Ik herhaalde het, natuurlijk, omdat wel duidelijk was dat ik hier niet zou blijven, alsof ik mijn onvermijdelijke toeristschap ermee kon bezweren. Het zou een jaar duren, misschien twee, maar ik zou teruggaan naar Amsterdam en daarom was het van het grootste belang dat ik me deze stad zoveel mogelijk zou toe-eigenen. Er was een gretigheid voor nodig die ik nooit meer in mezelf bespeurd heb. Ik had precies de goede leeftijd, was oud genoeg om onverschrokken te zijn, jong genoeg om me in dromen te drenken, om me te laten verteren door dat heimwee naar de toekomst, om New York als mezelf te zien.


Aan het afscheid hield ik het hardnekkigste liefdesverdriet over, zoals ik dat kende van liefdes die te vroeg verbroken werden. Ik wilde niet naar foto’s van New York kijken, geen verhalen horen over New York, ik wilde er niet op vakantie. Ik wilde symbiose, ik wilde er wonen, of helemaal niets.

Toen ik er twee jaar geleden voor een paar maanden terugkeerde – na er vijf jaar niet geweest te zijn – was er iets verdwenen. Het gevoel was hetzelfde als op het Spui, bij de nieuwe oesterbar: heimwee, niet van het goede soort, niet naar de toekomst, maar naar het verleden, gevaarlijk heimwee, waarvoor je je maar beter niet te veel kunt openstellen.

Ik wilde klagen dat New York veranderd was, dat er te veel oesterbars waren, te veel geld, te veel MacBooks. In plaats daarvan at ik er oesters, dronk obsceen dure cocktails, werkte op mijn laptop in mijn oude koffiebar en schaamde me een beetje voor ik weet niet wat. Ik liep rond, zoals ik dat eindeloos gedaan had, dit keer zonder noemenswaardige euforie, en dacht aan Didion, die over haar ervaring van New York schreef: ‘One of the mixed blessings of being twenty and twenty-one and even twenty-three is the conviction that nothing like this, all evidence to the contrary notwithstanding, has ever happened to anyone before.’

Toen ik het essay thuis opzocht, zag ik inderdaad dat die regel was onderstreept in mijn paperback van Strand. Ik moet vierentwintig zijn geweest toen ik er die bevlogen lijn onder zette, waarschijnlijk op het bed in mijn kamer zonder raam. Hij moet me aangesproken hebben toen, met mijn neus voor belofte, de tijdelijke zegening ervan en ook de aanstaande vloek.

Wat overblijft is de vraag die ook Didion zich stelde, toen ze New York eindelijk verliet. Ik vraag me hetzelfde af als ik op het Spui sta. ‘That is what it was all about, wasn’t it? Promises?’