BVDB

De eerste broers in mijn leven waren die van Annie, onze hulp in de huishouding toen ik een jaar of zes, zeven was en mijn moeder nog vaak afwezig was voor haar werk. Het waren er een stuk of vier en er was altijd van alles mee aan de hand, soms ook iets waarbij justitie betrokken was, maar de broer die me het meest aansprak was Toon, die zijn zus regelmatig met de motor op kwam halen, en dan vooral vanwege zijn linkeroor, waarvan de onderste helft ontbrak – afgebeten door een paard, althans dat zei Annie als ik ernaar vroeg, en ik vroeg er vaak naar.

Hoewel ik later zelf broer zou worden, en ook vrienden en helden kreeg die voor die titel in aanmerking kwamen, had ik er dus geen. Wel een halfbroer, maar de tweede en laatste keer dat ik daar contact mee zocht eindigde in een dreiging met een kort geding. Jammer, want ik had er, half of heel, graag een gehad, liefst een wat oudere (en liefst ook meerdere, bij wijze van stamverband): iemand die je kon vertellen hoe het zat in de wereld, ook al zou hij dat dan uit pure dwarsheid meestal niet doen. Ter compensatie kwam ik lange tijd bijna dagelijks over de vloer bij een vriendje van school dat vlak om de hoek woonde en qua broers ingeklemd zat tussen – boven hem – Alwin, die het tot catcher van het Nederlands honkbalteam zou schoppen, en – onder hem – Walter, die altijd piepend van de astma in zijn pyjama door het huis strompelde, en in zijn kamer met een aardappelmesje een plattegrond van alle tramlijnen in Amsterdam in het zeil had gekerfd. En verder had je Jan Willem, de oudste broer, die bij een kunsthandel werkte en wiens exemplaar van de roman Het verbrande kind van Stig Dagerman nog steeds bij mij in de kast staat, en Freek, met zijn jazzplaten, pakjes Lucky Strike en meedogenloze good looks, die ’s avonds altijd met een meisje – zijn hand achterlangs onder haar truitje geschoven – op de bank in de huiskamer zat. Behalve Sophie, bijgenaamd big sister, de oudste van het stel, woonden ze allemaal nog thuis, in een krappe bovenwoning waar de chaos van onopgemaakte stapelbedden, overvolle wasmanden en rondslingerend speelgoed enigszins in banen werd geleid door de moeder, een rijzige vrouw met rossig haar, opgestoken in een steeds verzakkende knot, wier vroegere schoonheid, hoewel verschoten, nog steeds als de herinnering aan een woeste omhelzing na-ijlde in haar gezicht, en wier echte leven zich elders afspeelde, overdag in dromen, ’s avonds achter de bridgetafel. Wat haar man, die twee koppen kleiner was dan zij, en die ondanks zijn boksersneus geen enkel gezag in huis kon doen gelden, voor werk deed heb ik nooit meegekregen. Hem herinner ik me vooral als degene die in het weekend in een verkreukeld grijs pak altijd heel nadrukkelijk met de krant zat te ritselen, af en toe met grote kracht zijn vuisten op de stoelleuning liet neerkomen, zoiets riep als ‘Roel, houd je smoel!’, en daar als enige onbedaarlijk om moest lachen – maar mij zo wel even het gevoel gaf broer onder broers te zijn.