Het geheugen speelt wat af

De autobiografische herinnering is een bron die met haar eindeloze associaties de literaire creativiteit geheel in beslag kan nemen, een verschijnsel waarmee Rudy Kousbroek uitgebreid heeft geëxperimenteerd. In haar Kousbroeklezing draait Mensje van Keulen het experiment om en laat zij de autobiografische herinnering los op haar verbeeldingskracht.

Ik herinner me een man in zwembroek met één been.’

Het is de eerste van een aantal herinneringen die ik dertig jaar geleden optekende voor een Privé-domeinuitgave, verschenen onder de titel Ik herinner mij.

De herinnering zal bij anderen, die niet eerder een man in deze hoedanigheid zagen, toch een beeld oproepen. Voor de een zal de man zijn rechterbeen missen, voor de ander zijn linkerbeen. De zwembroek kan van elke kleur en dessin zijn en van te klein om de heupen tot hoog op de buik en ruim afhangend. De man kan dik, dun, behaard, kaal, jong, oud zijn, hij kan een handdoek om zijn schouders hebben geslagen en een badmuts dragen, en hij zou niet stil kunnen staan maar net te water kunnen gaan of eruit verrijzen. Hij kan zich bevinden in een zwembad, maar ook aan zee, in een rivier, in een park bij een ijscokar. Hoe dan ook is er een beeld dat voor het geestesoog verschijnt. Het is zelfs niet uitgesloten dat het kan terugkeren en verworden tot een beeld dat een ander in zijn geheugen opslaat als iets wat hij met eigen ogen heeft gezien, zonder ooit nog te beseffen dat het een plagiaatherinnering betreft.

Bij ‘Ik herinner me de wens dat King Kong ze allemaal dood zou maken’ weten waarschijnlijk meer mensen zich die film te herinneren en wellicht zijn er die er net zo over dachten. Ik moet bekennen dat ik, terugdenkend aan die jammerlijk belaagde aap, de wens nog steeds graag vervuld zou zien.

Bij ‘Ik herinner me duimdrop’ zal de herinnering er zijn voor degenen die het voorrecht hadden deze staaf kneedbare drop te kennen. Het vouwen om de duim of vastduwen tegen een andere plek op je hand, het eraan likken, de smaak, de trek naar meer, de winkel waar je het koopt, de muf-zure lucht in die winkel, de man of vrouw die je het stuk drop overhandigt, al dat andere snoep, van stoffig grijs tot giftig roze, het plein of de straat waar die winkel ligt: voor je het weet ben je weer in je ouderlijk huis en krijg je op je kop omdat je vlak voor het eten loopt te snoepen en herinner je je dat op diezelfde dag een onbekende kat voor de deur stond te miauwen en dat de telefoon die aan de muur hing hard rinkelde en hoe je schrok omdat dat gerinkel de vorige dag een nare boodschap betekende die je moeder liet huilen en dat je het niet kon laten om die drop te kopen omdat je na het zwemmen altijd zo’n honger had en dat het zwembad zo gemeen koud was en dat je in bed lag te denken aan die kat op straat en dat je stiekem je bed uit bent gegaan en die kat naar binnen hebt gehaald en onder je deken gelaten en dat die kat zwarter was dan duimdrop en dat je haar nog steeds rook naar het chloor van het zwembad en dat je niet veel later een man met één been in zwembroek zag en zo ging en gaat het door en door en door.


Voorin Ik herinner mij staat: ‘Ter herinnering aan Georges Perec’, de schrijver die, in navolging van Joe Brainards I Remember, zijn herinneringen bundelde in het in 1978 verschenen Je me souviens. Elke van de bijna vijfhonderd herinneringen aan de tijd tussen zijn tiende en vijfentwintigste jaar begint Perec met de woorden ‘Je me souviens’.

Niet iedere schrijver heeft zich in de Privé-domeinuitgave aan deze leeftijdsbeperking gehouden en niet alle herinneringen waren even bondig en begonnen met die drie woorden, maar wat de lezer geregeld zal overkomen, is, naast de kennismaking met wat de vierenveertig schrijvers zoal te binnen is geschoten, de herkenning.

De helft van deze schrijvers is niet meer. ‘In memoriam’ haal ik hier daarom enkele van hun herinneringen aan, en misschien herinnert u zich bij het noemen van een of meerdere namen nog een gezicht, een stem, een boek, of iets persoonlijks:


Albert Helman: ‘Nu en dan voel ik nóg het gesnuffel van mijn grootmoeder in mijn halsstreek.’


Louis Ferron: ‘…de nacht waarin ik droomde dat Ulrike Meinhof mij opdroeg de Nederlandse tak van de raf te organiseren.’


Marijke Höweler: ‘Ik herinner me dat ik meende dat de kapper mijn moeder gevangenhield onder de droogkap.’


J.J. Peereboom: ‘Ik herinner me dat ik dacht dat een erectie een ziekelijke afwijking was, of tenminste iets vervelends wat verstandige mensen niet hadden.’


Peter van Straaten: ‘Nu weet ik ook weer de naam van dat tweede huisje. Het heette “Vitamine X”, de koddige frivoliteit van die naam zal de oorzaak zijn dat ik hem niet vergeten ben.’


Bob den Uyl: ‘Men spreekt wel van een fotografisch geheugen. Mocht er inderdaad zoiets bestaan, dan heb ik een fototoestel met nogal wat kuren in mijn kop zitten.’


Hans Warren: ‘Ik herinner me het onschuldige gezicht van mijn grootvader die de tuin in keek, vinger ter attentie geheven, en vroeg: “Hoor ik daar een koolmees fluiten?” toen er duidelijk een wind in de kamer geklonken had.’


Rogi Wieg: ‘Ik herinner me mijn angst voor de dood als kind. Ik wist al heel vroeg dat ik dood zou gaan en ik heb altijd geleefd met de vernietiging voor ogen.’


Hans van Straten: ‘Ik herinner mij dat het Algemeen Dagblad een boek van mij besprak, met mijn foto erbij, en onder die foto stond: August Willemsen.’


August Willemsen: ‘…In de klas begon het gerucht de ronde te doen dat Loesje Sajet een soort kledingstuk ónder haar kleren droeg. Later werd bekendgemaakt: het heette “bustehouder”. Van toen af aan was er geen houden meer aan.’


Kousbroek laat in zijn werk regelmatig zijn geheugen spreken over zijn jeugd, zijn ouders, Nederlands-Indië, het internaat, de interneringskampen waarover hij in een interview met Lien Heyting zei dat hij zich vooral ‘de beschamende voorvallen, staaltjes van grenzeloos egoïsme en hardvochtigheid’ herinnerde, Nederland in de jaren vijftig, Parijs, zijn kinderen, de dieren die hij heeft gekend, eerste liefdes, boeken, liedjes, machines, auto’s, voorwerpen, films, foto’s, etc. Hij schrijft ook over de verscheidene eigenschappen van het geheugen zelf. Zo heeft hij het in Het meer der herinnering over het decoratieve dat tot de onbetekenende bijzaak van een gebeurtenis behoort en hoe juist dat decor, hoe marginaal ook, terugkeert: ‘…een geur, een bepaalde hoedanigheid van het licht, geluiden, de dingen waar je niet op hebt gelet – en opeens gebeurt het: de ongevraagde restitutie van het verloren gevoel’. 

In het verhaal ‘Vaucanson’ (opgenomen in Een kuil om snikkend in te vallen) vertelt hij over een door zijn dochtertje op een boerenkermis gewonnen eend, die op een bovenhuis in Parijs moeilijk te houden valt. Het verhaal eindigt als volgt: ‘Ik weet nog wel ieder detail, maar alsof iemand mij dat verteld had, alsof ik het had gelezen, vanbuiten geleerd. Alsof ik er zelf niet bij was geweest. De zogenaamde beelden uit de herinnering zijn even nutteloos als foto’s van eten voor iemand die honger heeft.’

Die nutteloosheid leverde in ieder geval een mooi verhaal op.

Misschien vond Kousbroek een aantal van de tweeënvijftig herinneringen die hij, in navolging van Perec, ophaalt in Het meer der herinnering eveneens nutteloos, maar bij de lezer zorgen ze voor die eerder wel dan niet plezierige herkenning, of het nu gaat om ‘Hollandse cognac’, ‘De geheimzinnige winkel met gummiwaren’, ‘Paul Vlaanderen’, ‘Wat is de stand, Mieke’ of ‘De Lairessestraat in de regen’.


Een dagboek kan het geheugen helpen. Als het althans geholpen wil worden, want begin er niet aan als je liever niet wilt dat het geactiveerd wordt.

Een dagboek kan uiteraard herinneringen aan een eerdere tijd bevatten, maar in de eerste plaatsgeeft het een verslag van dagbestedingen en recente belevenissen en eventueel een al dan niet geëmotioneerde reflectie daarop. Een dagboek dat jaren later door degene die het schreef wordt gelezen, kan dan ook een wonderlijke ervaring opleveren, zo heb ik zelf ondervonden bij het uittikken van de dagboeken die ik in de jaren zeventig bijhield. Sommige voorvallen wist ik me te herinneren, alsmede een gemoedstoestand die die tijd kleurde, maar bij het uittikken bleken veel belevenissen en mensen met wie ik kennelijk was opgetrokken, vergeten en keek ik bovendien naar een verteller om wie ik nogal eens het hoofd schudde. 

Daarentegen bleken indrukwekkende gebeurtenissen die ik me uit die tijd herinner, zoals de moord op Aldo Moro, de dood van Elvis Presley, de olieramp voor de kust van Bretagne, de brand in Hotel Polen, niet genoteerd. Hetzelfde lot geldt details uit diezelfde tijd: blauwe, aan de raamzijde verschoten gordijnen, een Martini-asbak met peuken in een plasje bier, een tafel met een inleg van ivoor en kringen van de whisky, een met drukinkt geverfde deur die niet drogen wilde, het gips om de nek van een winderige winkelier, de krantenproppen in de raamventilator… Laat ik ophouden, want wat heb je aan die indringende, niet altijd even vrolijke herinneringen, die je bij voorkeur op onverwachte momenten overvallen.

Kousbroek heeft het over dit soort ballast in Een kuil om snikkend in te vallen. Hij schrijft: ‘Mijn geheugen laat mij niet alleen soms voor elementaire dingen in de steek, maar aan de andere kant word ik voortdurend, waar ik ook mee bezig ben, overstelpt door herinneringen. Misschien hebben andere mensen er minder last van maar bij mij is het een soort plaag. Ik zit te eten en voor mijn nietsvermoedende geestesoog verschijnt plotseling het hoofd, van opzij gezien, van doctor Mouches-Obrigesco, compleet met de schilfers in zijn haarlijn, de mee-eters in zijn neusvleugel, en de korsten opgedroogde scheerzeep hangend in de haren van zijn oor. (…) Wat moet ik daar nu mee?’

Tja, wat moet je daar nu mee?

In Borges’ verhaal ‘Funes de allesonthouder’ wordt het leven van de allesonthouder zodanig beschreven dat het je op het angstige af benauwt. Alleen al de zin: ‘Hij kende de vormen van de zuidelijke wolken in de ochtendstond van dertig april achttienhonderdtweeëntachtig en kon ze in zijn herinnering vergelijken met de aders in de gemarmerde leerbekleding van een boek dat hij maar één keer had gezien en met de strepen van het schuim dat een roeiriem in de Rio Negro opwierp aan de vooravond van de opstand bij Quebracho.’

Het verhaal is in zekere zin een pleidooi voor vergetelheid. Maar probeer maar eens opzettelijk iets te vergeten, het is lastiger dan de poging je iets te herinneren dat je niet wilde vergeten.


Wat me bij mijn herinneringen in de Privé-domeinuitgave overkwam, toen ik ze na dertig jaar las, was dat er direct meer werd opgeroepen. Bij ‘Ik herinner me de natte lippen van een leraar’ zag ik niet alleen de leraar en zijn artistieke jasje, maar een hele klas, gezichten, rokken, hoorde gegiechel. Daar is niets geks aan, maar ik zou niet weten waarom ik vervolgens opeens moest denken aan een pater met een horrelvoet. Bij ‘Hij lei haar op een molensteen’ wist ik meteen de volgende regel: ‘En ging er driemaal overheen, olé!’, hoorde de jongens uit de straat van mijn jeugd dit tangodeuntje zingen, zag ze jong en al voor me, rokend in het portiek, maar aansluitend herinnerde ik me de remmende tram in de parallelstraat en de ongelukken waarvan de levendige beelden me nog steeds op willekeurige momenten komen plagen. Bij ‘Ik herinner me hoe mijn zusje me in mijn opklapbed omhoog tegen de muur duwde en het gordijn eromheen trok’ wist ik niet alleen weer hoe het was om in de dekens te hangen, maar hoorde de stem van mijn vader: ‘Waar is Men? Verdorie, waar is ze?’ Ik kon hem vanuit die benarde positie onmogelijk zien, maar dankzij het voorstellingsvermogen, die volle neef van het geheugen, wel. En ik zag en zie hem dan ook staan op het zeil, naast de wastafel waar twee washandjes over de rand hangen, zijn door mijn moeder de dag ervoor gestreken overhemd, zijn gepoetste Engelse schoenen, zijn naar Aqua Velva geurende gezicht dat straks, als hij op kantoor vertelt wat mijn zusje heeft uitgehaald, zal lachen.

Het is mede door dit beeld van de man die naar het opgeborgen bed met de verscholen dochter kijkt dat ik besloot ‘er wat mee te doen’ en me, met enige schroom, heb gewaagd aan het volgende verhaal.


Ik herinner me dat ik in de gang stond. Dat was tegen de wens van de zustertjes, die vonden dat aanstaande vaders het schreeuwen niet mochten horen. Ach, die zustertjes, proper in hun kuise kleding, zwarte kousen, gesteven kapjes, ik vond ze sexy. En, godallemachtig, een leven later zit ik opnieuw tussen zustertjes, al dragen ze geen uniform en zijn ze ook niet allemaal herkenbaar aan hoe heet zo’n schort, een jasschort geloof ik, wat een woord. Naar sommige van ze kijk ik graag en er zijn er bij van wie ik het niet erg vind als ze me aan- of uitkleden, wassen of verschonen, dat woord uit borelingenland. Ik zou ze graag iets aardigs zeggen, complimenten maken, maar ik kan geen zin meer voor elkaar krijgen, hoe vol mijn hoofd er ook mee zit. Ik dacht vaak dat het allemaal nog moest beginnen, dat alles wat ik beleefde een voorspel was, dat het niet uitmaakte wat ik deed en dat ik makkelijk kon ontsnappen. Mijn broers noemden me vroeger niet voor niets een duikelaar: waar ik ook viel, ik sprong weer op. Tot dat moment waarop een donkere golf in mijn hoofd me verdoofde. Ik bleef volkomen bij terwijl de kracht uit me vloeide en even een weldadige stilte bracht. Sindsdien maak ik gebaren met mijn linkerhand en glimlach maar naar de zustertjes en de meeste glimlachen terug. Een enkele keer krijg ik een woord uit mijn keel, maar hoe ik ook mijn best doe, het is niet altijd het woord dat ik bedoelde, en dan kijken ze meewarig of ze doen of ze het begrijpen en zeggen: ‘Ja, meneer Harry.’ Mijn zoon heeft ze namelijk gezegd dat ik Harry fijner vind dan Herman en dat ik ook liever niet bij mijn achternaam word aangesproken, dus hebben ze er ‘meneer Harry’ van gemaakt. Ze zullen heus wel begrijpen dat ik vol woorden zit, er zijn meer bewoners in hun rolstoel of op hun bed die met zo’n lamme tong zitten, maar ze weten niet echt wie ik ben en wat ik me allemaal herinner, het is zoveel, zoveel.


Ik herinner me dat er nog een man stond in die gang in die kliniek. Hij had zuchtend en trillend in de wachtkamer tegenover me gezeten en was achter me aan gelopen. Een stakker was het, een magere stakker, niet ouder dan ik, voor wie het de derde was die ergens achter een van die deuren eruit moest geperst. Ik had hem sjekkies zien draaien en gaf hem een sigaret. Afgekloven nagels, een te korte bruine broek, afgetrapte schoenen. Ik moet er in zijn ogen welgesteld uit hebben gezien, want ik had me in het nieuw gestoken van het geld dat mijn broer Mijndert me had geleend voor de uitzet van de baby. En dat hoewel hij zelf amper wat bezat en tot voor kort zelf nog maar een oud pak en een net pak had. ‘Geleend’ werd altijd ‘geschonken’ als het om Mijndert ging, jezus, hoeveel heb ik niet van hem in mijn zak gestoken. Niet zo lang terug heeft hij zelfs nog een uitvaartverzekering voor me afgesloten. Gonnie heeft daarom gevraagd, buiten mij om, anders was het nooit gebeurd. Ik wil best wat van het geld dat hij toch maar overhoudt, maar niet om ervan onder de zoden te gaan. Gonnie kon dat, ze kon zielig doen op een manier zoals alleen een secreet dat kan. Mijndert had nooit meer enig contact met haar willen hebben, hij achtte haar zoals hij dat beschaafd zei: ‘te erg voor woorden’ en dat klopte ook, ze was de grootste fout van mijn leven en dat zegt wat, want ik heb er een hele zwik gemaakt. Gonnie, de verschrikkelijke sneeuwvrouw. Ze heeft hem een keer aangevlogen toen hij weer eens voor me opkwam. Haar nagels in zijn wangen. Bloed op dat gezicht van hem, o, dat keurige, frisse gezicht, nooit een baardhaardje te zien, kapsel aan alle kanten in het gelid. Iedere ochtend was hij ook zowat een uur aan het poedelen en gymnastiekoefeningen aan het doen om zijn lijf recht en elegant te houden, ouwe nicht die hij was. We wisten het allemaal thuis, Tinus, Jan, Bram, Flip, Chris, Arie, Paul, Co, Marie, Ali, Henk, Gerard, ben ik nog een broer vergeten? Misschien wisten vader en moeder het zelfs, ergens diep, waar ze volgens Gods gebod maar beter niet konden rondneuzen. Niemand benoemde het dan ook, het enige wat eruitkwam was: ‘Mijndert is anders.’ Soms, als Gonnie niet in de buurt was, belde ik hem. Lieve broer, zei hij. Lieve broer. Geen van de anderen heeft dat ooit gezegd. Zoiets zei je niet. Wel: God is liefde. Over andere liefde geen woord. Genegenheid? Nooit van gehoord. Om aandacht vragen was ongepast en als het toch gebeurde en ook maar even iets hardnekkigs kreeg pakte vader de stok. Een verkeerde opmerking en daar ging zijn hand naar de stok. Een mop die ook maar een vage knipoog naar seks kon beduiden of de goedertieren God anderszins onwelgevallig zou zijn: daar zwaaide de stok. Vader was niet groot, maar dankzij zijn werk als metaaldraaier bij Hembrug waren zijn armen buitengewoon gespierd. Mijn oudste broers, op Mijndert na dan, konden er ook wat van. De armen van timmerlieden, aannemers, bouwers, godsamme, ik heb zoveel slaag gehad. Daar word je een kerel van, Herman! Ik herinner me ineens hoe vaders stok na een snedige opmerking van een van de oudste broers over de mof van Wilhelmina in tweeën brak. We lachten allemaal, ook die oude dwaas, zij het stroef en half verstopt achter die dikke snor van hem. Want er was wel humor, ik herinner me veel gelach, maar we konden ook huilen om niks. Dat kan ik trouwens nog steeds, huilen, de zustertjes komen dan met zo’n papieren vodje dat na een keer snuiten of afvegen de prullenbak in gaat, ze geven me een kneepje in mijn schouder, een aai over mijn bol. Ach, meneer Harry, zat je ergens aan te denken?

Ja, meneer Harry denkt, meneer Harry wordt soms dol van wat hij denkt en zich herinnert. Ik denk weer aan die onbekende man in die kille gang. Ik gaf hem nog een sigaret toen een zustertje me kwam halen om het kind te zien. Kind, meisje, dochter. Ik vond het zo raar dat het geen jongen was. Al die jongens die ik had gekend, thuis, op school, mijn eerste baantje, de vliegtuigfabriek, het Legioen. Nog geen jaar eerder was ik dag en nacht omringd geweest door kerels, wilskrachtige kerels, smerige lapzwansen, bezopen kameraden. Ze waren mijn nieuwe familie. Zingend lieten we het weten: ‘La France est votre mère.’ De eer van de Franse vlag moest gered, of anders ‘Mort sur le champ d’honneur’. Wat een contrast met dat gat in Duitsland, Markersdorf, waar ik het aan de stok had gekregen met Herr Kellner, hotel­eigenaar, die niet wilde dat zijn dochter Hilde met een Ausländer omging, een Ausländer die nota bene zes maanden ‘im Gefängnis’ had gezeten. Ik was ervan beschuldigd dat ik vlak bij de vliegtuigfabriek, waar ik me, Dummkopf, voor de Arbeitseinsatz had aangemeld, lichtsignalen had gezonden naar de geallieerden. Ik bleef het keihard ontkennen tot ik zelf zowat begon te geloven dat ik het niet had gedaan. Maar ik heb het gedaan, jawel, samen met een man die Looijen heette en die ik nooit meer heb gezien. Hilde zocht me op. En nog een Mädel, Hertha Nett, rood haar, bruine ogen, van wie Hilde niks wist. Sechs Monate. Ik moest weg, weg van die zieke kolerezooi, inclusief Hilde, van wie ik toen niet wist dat ze zwanger was.


Ik had al eens twee maanden vastgezeten in Amsterdam omdat ik in de garage waar ik werkte buiten de baas om een tweedehandsauto had verkocht. Al had ik de ulo met hoge cijfers gehaald, met een strafblad kreeg ik nergens werk meer. Tot de Flugzeugfabrik. Niet aan denken, niet aan denken. Hoe heb ik dat toen toch in godsnaam met die tweedehandsauto geflikt? Ik herinner me alleen nog dat lauwe bundeltje in mijn broekzak dat zo op was in de stad. O, ik hield van de stad. Naar huis gaan, naar die straat in Zaandam, maakte alles grijzer en logger. Ik wilde het niet meer, het bidden voor het eten en danken toe, de geneuriede psalmen van die oude snor, mijn uitdijende moeder, die haar hele huwelijksleven beklommen werd door die gereformeerde snor, die ‘de begeerlijkheid des vlezes’ veroordeelde maar zijn eigen dwangmatige lust rechtvaardigde als goddelijke plicht. De schande die ik bracht als misdadige zoon. De schande van mijn Duitse avontuur en dat in dat zo patriottische gezin met broers die onderduikers hadden of zelf moesten onderduiken en broer Henk, de Engelandvaarder, die een heldhaftige commando werd. De schande van het Legioen. De schande dat ik een meisje trouwde dat niet gereformeerd was of desnoods dan maar hervormd, maar katholiek, dus ter helle verdoemd. Johanna. Mijn grappige, zachtaardige, Haagse meisje uit die doodlopende, volkse straat dat ik oprecht liefhad. Moge De Here je genadig zijn, Herman!

Toen ik die arme drommel in dat ziekenhuis een sigaret gaf wenste hij me geluk en ik zei: ‘Jij ook, kerel,’ in de hoop dat hij door dat ‘kerel’ zich wat voelde groeien. Ik liep achter het zustertje aan, haar rok, haar zwarte kousen en schoenen. Al die schoenen die je in je leven tegenkomt, ik kan er een kamer in mijn geheugen tot de nok mee vullen. In het verpleegtehuis strikten de zustertjes aanvankelijk nog mijn Crockett and Jones enGrensons, niet veel later werden het pantoffels: ‘Zoveel handiger, meneer Harry’. De vrouwen in een rolstoel of achter de rollator dragen van die slippers of te grote sloffen die ik wel eens van een voet zie vallen. Niet zo lang terug kwam een van die vrouwen mijn kamer binnen en ging in de douchecel zitten poepen. Ergens begreep ik dat wel. Een andere vrouw legt tijdens het eten steeds het servet op haar hoofd. Ik kan het niet helpen dat ik dan aan Vermeers Melkmeisje moet denken, al zal dat schilderij nooit zo craquelé raken. Er is ook nog een man met geruite pantoffels die in het begin steeds riep dat hij fatsoenlijk behandeld wilde worden. Ten slotte heeft hij het ingekort tot ‘Kwilbandeld’. Ja, het is een vrolijke boel op die afdeling. Dus ben ik begonnen mijn eten weg te gooien. Soep: zo door de wasbak, de doorgekookte restjes druk ik door het zeefje. Aardappels druk ik ook fijn tot ik het weg kan spoelen. Brood bewaar ik in mijn broekzak tot ik het ergens buiten mijn kamer in een vuilnisbak kan gooien. Vlees liet ik al snel staan en toen ze dat voor me fijnsneden, schudde ik mijn hoofd, elke keer weer tot ze snapten dat meneer Harry niet was over te halen. Van een toetje neem ik soms een hapje, alleen om te proeven, erna spoel ik het weg. Als ik daarmee bezig ben herinner ik me telkens hoe we ’s morgens naar de bakker moesten om in een kussensloop oud brood te halen zodat moeder er broodpap van kon maken. God, de armoe van die eeuwige broodpap met weke korsten. Maar hoewel de honger me is vergaan, herinner ik me hoe het in het Legioen, op dagen dat we nauwelijks te eten kregen of vlees moesten eten dat half verkoold was, kon gebeuren dat het water me in de mond liep als ik aan die godvergeten broodpap dacht. Maar ik mag niet klagen, er was in ieder geval te eten en soms was dat zelfs goed.


God, ja, ik herinner me dat ik, toen ik me na mijn vlucht door de bergen in Thann bij de Franse troepen had gemeld, een kop soep kreeg zoals ik nog nooit had geproefd. En in Coulommiers, waarnaar ik op transport werd gesteld en waar ik mijn leger­uniform kreeg, aten we zowaar verse baguettes met kaas uit die streek. In Sidi-bel-Abbès, waar ik in het hoofdkwartier een extra training kreeg, die neerkwam op ellenlange marsen met zware bepakking – allez, cavalerie à pied! – proefde ik voor het eerst dadels, olijven, watermeloen. Ik zie sommige van mijn lotgenoten zo weer voor me, korporaal Lejaune, een vreetzak, een kerel die we de Tiroler noemden, een Spanjaard, Alejandro, die alles verrot schold, een paar oud-SS’ers, van wie een uit Potsdam die zei dat hij Josef Maria heette, Marcel, een Parijzenaar die kapotging aan heimwee. Ik herinner me ook meteen de hitte, stuivend zand, verschroeide grasvlaktes, de drukte en smerigheid in de stad, de bazaar, de hotels, de cafés, de knappe vrouwen, kleurlingen, orthodoxe joden, Arabieren die in alles de wil van Allah zagen en daardoor lui waren en bij de kleinste inspanning al piepten dat ze doodgingen, alles krioelde door elkaar. Ik herinner me de geuren van kruiden, wijn, bier, vuur, parfum, dikke, zoete koffie, kamelenstront. Wat een kermis, wat een spektakel, vader zou het Sodom en Gomorra hebben genoemd. Ik had er nog wel wat willen blijven, maar ik moest terug, ik was ingedeeld bij het derde bataljon. We gingen in de Elzas over tot de aanval, zijn daarna met de troepen opgetrokken tot Stuttgart. In augustus had ik er ineens genoeg van en ben ervandoor gegaan. Nog diezelfde week ontmoette ik in dat doodlopende Haagse straatje waar ik een kamer had gevonden, de moeder van mijn drie kinderen. Dat ik er eerder ook een had verwekt bij Hilde, kwam me pas na de oorlog ter ore. Ze had Mijndert een brief geschreven waarin ze vertelde over haar süsses Mädchen. Ze wilde weten waar ik was. Op mijn verzoek heeft mijn brave broer teruggeschreven dat ik was gesneuveld. In de Elzas. Waar anders. Mort pour La France.

Was ik maar in Puyloubier beland, tussen oud-strijders, kameraden die, uitgediend, niet meer in de burgermaatschappij passen. Helaas, ik heb geen certificaat van goed gedrag, ik ben een deserteur. Van familie, land, legioen, werk, vrouwen, kinderen. Maar ik heb mijn best gedaan om in die burgermaatschappij te passen, nietwaar, geheugen? Daar stond ik toch die eerste keer in die zaal waar wel twintig baby’s in bedjes lagen. ‘Hier is ze,’ zei het zustertje. ‘Uw dochter.’

Kind, meisje, dochter. Ik zie mezelf van een paar meter afstand naar dat ingepakte kleintje kijken, het is gek dat het geheugen dat doet. Ik wilde dat ze moeders naam kreeg. Moeder was toen acht maanden dood. Ze kon trouwens nauwelijks nog tederheid voor haar kleinkinderen opbrengen, ze had te veel eigen baby’s gezien, dode baby’s ook en miskramen, sst, dat woord bestond niet, moeder heette dan even ‘onwel’.


Ik herinner me de foto die in de jaren twintig van het gezin is gemaakt. Het duurde zeker een uur voor we er allemaal zonder te bewegen op stonden. De oudsten kregen een afdruk, ik niet, ik was de jongste, vernoemd naar een eerdere boreling die na twee weken stierf. Op die foto leun ik tegen moeder aan, te midden van al haar eigen vlees des vlezes, grootgebracht op duizenden kilo’s aardappelen, bieten en broodpap.

Ik wil het allemaal niet meer weten, maar wat is dat toch met het geheugen? Het mag dan een bron, instrument, hulpmiddel zijn en je bij tijd en wijle reuze vrolijk stemmen, het is ook een pestkop. Je fluit een liedje en een halfuur later weet je nog wel dat je gefloten hebt maar je komt niet meer op de melodie, tot je ’s nachts in je bed ligt en het liedje in je hoofd van geen ophouden weet. Ze zeggen dat het geheugen een zeef of een vergiet is, maar dat is een onzinnig cliché, want wat eruit weg zou lekken kan zomaar terugkeren. Het springt van de hak op de tak, het doet je pijn, het brengt je in de war, het is een doolhof, een apothekerskast, een stalling, een markt, een moeras, een overwoekerde tuin, een grabbelton, een ruïne, een wereld in de mist, hemel en hel ineen, het is een universum, het is de som der dingen, het is wie je bent.


Zoals ik in dat ziekenhuis naar mijn dochtertje stond te kijken, zo stond ik er ook bij toen ik een jaar of tien later haar opklapbed omhooggeklapt tegen de muur aantrof, het gordijn eromheen. Ik was amper wakker, had die nacht almaar liggen overdenken of ik weg zou gaan, er was een ander, het was een puinhoop. Het ging niet door, die keer althans niet. Pas jaren later, nadat ik op de beurs met het geld van een rijke freule had gemarchandeerd, ben ik ervandoor gegaan. Met de verschrikkelijke sneeuwvrouw. Ze had me flink weten in te pakken met haar uiterlijk, haar praatjes. Als haar nagellak en kapsel maar goed zaten en als haar juwelen maar konden schitteren in de Zuid-Franse zon. Aan haar lijf verslaafde idioot die ik was, ging ik in op haar eis mijn drie kinderen te ontkennen. Het zondebesef was me al vroeg ingepeperd en ik beschouw Gonnie dan ook als mijn straf, de straf voor het in de steek laten van Johanna, mijn zoon, mijn dochters.

Gonnie is me hier nooit komen opzoeken. Een ware zegen, want zo kon ik mijn jongen weer zien. Hij komt langs met een bord dat hij heeft gemaakt, een bord waar duidelijke letters op staan, zodat ik, als hij me een vraag stelt, antwoord kan geven. Is het goed met je, pa? En ik wijs naar de J en de A. Twee weken geleden vertelde hij dat een van mijn laatst overgebleven broers is overleden. Ik hield het kort en wees naar de O. Mijndert bleek ernstig ziek. Ik zette mijn tanden op elkaar en wees naar de A, de C, de H.

Ik heb de kracht niet meer om het eten weg te spoelen en heb alles de laatste dagen laten staan. Ik geloof dat de zustertjes meneer Harry inmiddels doorhebben. Het zal dus niet lang duren of de uitvaartverzekering wordt aangesproken. Misschien heeft het kreng de verzekering wel verzilverd. Wat maakt het uit. Dan beland ik maar in een armengraf en wie weet kom ik tussen een paar vrouwen te liggen. 


Ja, het is heerlijk om mijn zoon te zien. Mijn twee dochters en hun moeder houd ik zolang ik kan in mijn geheugen, niemand die me dat afneemt. Ik herinner me dat de jongste, een dondersteen, stikte van het lachen toen ik zo stond te kijken naar dat opklapbed waarin ze haar zus omhoog had geklapt. Ik zei: ‘Waar is Men? Verdorie, waar is ze?’ Ik hield mijn gezicht in de plooi, trok het gordijn opzij en bevrijdde haar. Ik zou er niet van opkijken als ze ooit iets om die grap heen heeft bedacht, ze is nogal een fantast. Ik houd het ook niet voor onmogelijk dat ze het in haar hoofd durft te halen een of ander verhaal over haar vader te verzinnen of aan te dikken. Tegen die tijd ben ik er niet meer. Ach, kind, meisje, dochter van me, ga dan je gang maar, vul me maar in.

Binnenkort zal van deze lezing een gesigneerde bibliofiele editie verschijnen bij de Statenhofpers te Den Haag (www.statenhofpers.nl).