Poldergeest

Enige aantekeningen bij het bekijken van Borgman en De Noorderlingen

Er is geen fietspad, maar dikke Willie scheurt als een bezetene met zijn brommer over de stoep, gewoon zomaar. Een kleine hapering in de geordende volgorde van het leven in de wijk.

Enkele beelden, nog zonder verhaal, want wat was het verhaal ook alweer? Doet dat ertoe? Er is een gezin, in een huis, in een bos. Eerst de plek, dan het verhaal.

Er is een nieuwbouwwijk, nog zonder fietspad – niet met het voorwiel uitglijden in het zand – en een bos met een poel. 

Er is een vijver in de tuin.

Het huis, de glazen achterkant open als een ontblote rug, kwetsbaar, aanlokkelijk. Het bos daarachter, ieders sprookjesbos: waar zich afspeelt wat we liever niet aan het licht laten. Niemand kan deel uitmaken van de maatschappij zonder een persoonlijk duister woud, of het bestaan ervan nu wordt ontkend of niet. 


Het verhaal doet er wel toe, want zo’n constructie geloven we meteen – en ze daalden neer op aarde om hun gelederen te versterken. Er staat ons iets van Bijbelse proporties te gebeuren, maar staat deze zin wel in de Bijbel? Ook dat doet er niet toe: de toon is Bijbels en de toon is gezet, herinneringen aan rebelse engelen, gevallen engelen die dood en verderf stichten op aarde. 

Een chique wijk met een onberispelijk gazon, daarop een betonnen villa. Camiel Borgman belt aan bij Marina en haar man Richard en vraagt om een bad.


Waarom lachen mensen?
Een duivels mechanisme, een onprettig aangezicht

‘Elisabeth, waarom zijn alle gordijnen dicht?’ De boze boswachter – ‘lief jagertje’ noemt zijn vrouw hem in de hoop op wederkerige affectie – die ook zijn onderbuik als zetel van rationaliteit beschouwt. 

Een buurvrouw in de nieuwbouwwijk loert uit het raam en ziet van alles. Ook de postbode merkt zaken op. 

‘Het lijkt hier wel een sterfhuis,’ bromt de boswachter.

Hier in Nederland heeft niemand wat te verbergen. Kunnen jullie alsjeblieft de gordijnen fatsoenlijk ophangen?Post in ons nieuwe huis in een keurige nieuwbouwwijk, waar de buren in een mum van tijd symmetrische bamboetakken in beige vazen in de etalage van hun woonkamers hebben gezet. Houten bankjes naast de voordeur aangelijnd met kettingsloten, zware aardewerken bloembakken met hortensia’s, kleien ganzenfamilies, decoratieve Boeddhabeelden. Mijn moeder zit vaker in haar atelier, of op haar werk, en de gordijnen zijn nog niet opgehangen. Door de milde chantage van de omwonenden blijven de gordijnen nog langer naast het raam liggen dan dat mijn moeder van plan was geweest. Pas als de vriendelijke doch dringende verzoekjes verstommen, worden ze netjes opgehangen.


De sneak preview blijkt Borgman. Niemand weet wat er ons boven het hoofd hangt. In de bioscoop wordt er ongemakkelijk gelachen, ook als het verschrikkelijk is. De blonde dochter gooit de rechte stoeptegel op iemands hoofd. 

Waarom lachen mensen? Een duivels mechanisme, een onprettig aangezicht. Wie denken zij dat ze zijn? De duistere hoofdpersoon Camiel Borgman – natuurlijk niet. Zij zijn het gezin (vader, moeder, twee dochters en een zoon) dat zich, in tegenstelling tot het gezin op het doek, niet laat ontwrichten. 

Waarom lachen mensen om wat ze niet begrijpen? Omdat, door iets belachelijk te maken, het onschadelijk wordt gemaakt – maar dat is een vals geruststellende, kinderachtige gedachte. De poel blijft de poel in het bos. 

De man, Borgman, zit naakt en gehurkt op de slapende vrouw. Iedereen die aan zogeheten slaapverlamming lijdt, herkent deze demon. We vertrouwen erop dat onze waarneming juist is, we zijn wakker immers, maar iets is er niet in orde. Als we maar even met ons hoofd konden draaien, dan konden we zien wat er aan de hand is en de duivel bij de hoorns vatten. 

Het lichaam blijft immobiel, niets beweegt behalve de open ogen. Ergens nadert er iets, net buiten het blikveld. De paniek neemt toe omdat we niet meer weten wat er gebeurt totdat het te laat is, er zit een katachtig monster, een duivel, een man op de borst. Het verlamde lichaam richt niets meer aan tegen deze incubus.

Het in de negentiende eeuw immens populaire schilderij van Johann Heinrich Füssli, met een slapende vrouw in een lichte nachtjapon en een afzichtelijk gehurkt wezen dat boven op haar zit en de beschouwer in olieverf aanstaart. Dat is het beeld – overdag is alles anders.


Wat is het kwaad? Niet een beeld van een antiheld, een duivel, maar iets wat systematisch doorsijpelt – om hun gelederen te versterken – en de kans krijgt tentakels te laten groeien en vermeerderen totdat elke vesting erodeert.

Wie zorgt er voor wie? Het gezin is een vesting, het gezin is vergeten dat als deze constellatie van mensen niet voor elkaar zorgt, het ondergrondse altijd op de loer ligt om de boel te doen eroderen. 

‘Hoopvol voor wat?’ vraagt de modelvader die gefotografeerd moet worden, met vrouw en kind, als uithangbord voor de te realiseren nieuwbouwwijk voor de noorderlingen. 

‘Voor de toekomst,’ zegt de fotograaf. In een van de laatste scènes zien we dat bord, in het donker, terwijl Elisabeth met haar koffers de wijk en haar man verlaat.
Hier in Nederland.

‘Normaal moet je worden, normaal!’ De slager, in De Noorderlingen, schudt zijn vrouw door elkaar (of heeft hij het tegen zichzelf?). Ze wil niet meer eten, geen seks. De slager heeft haar geprobeerd te verkrachten, zich vervolgens vergrepen aan zijn winkelbediende, is in een affaire verwikkeld geraakt met de ongelukkige vrouw van de boswachter en zal proberen nog een vrouw in zijn val laten lopen, in een kuil in het bos. Zijn zoon, Thomas, die bevriend is met de postbode, solidair is met Congolese vrijheidsstrijder Patrice Lumumba, zich ontfermt over een door missionarissen ‘tentoongestelde’ man uit Afrika en verdriet heeft om de door de boswachter vermoorde en in de poel ondergedompelde Agnes, ziet zijn vader, daar in die kuil.


Marina tegen Richard, nadat hij haar heeft gevraagd of het echt waar is wat de vreemdeling over haar beweerde: ‘doe eens even normaal, man.’

Het was misschien nog niet waar toen de vreemdeling het aankondigde, maar het werd wel waar: Marina zou hem verplegen. De holle opeenvolging van tijdseenheden waaraan het gezin onderworpen is – kinderen naar school, man naar werk, vrouw maakt kunst – is geïmplodeerd door de komst van Borgman. 


De kinderen doen er niet toe. De fijne radars van een systeem: het gezin, de nieuwbouwwijk, de nanny, de carrière, vroeger de kerk, nu de op ‘zelfverbetering’ gerichte hobby’s en consumentisme, luxe artikelen, alles is erop ingericht om volgens een bepaalde tijd en productiviteit te verlopen, met als overkoepelend verhaal, of onderliggende motivatie, een betere toekomst (voor de kinderen)

In zowel De Noorderlingen als Borgman is deze tijdseenheid al in filmische tijd opgelost, de kinderen doen er niet toe, dus de toekomst doet er niet toe. Wat je denkt dat de toekomst is, is misschien al gebeurd. Wat ondergronds zou moeten zijn, is al aan de oppervlakte. Wat in het woud zou moeten blijven, bevindt zich misschien al op het aangeharkte gazon. 


De postbode vraagt, op het eind van De Noorderlingen, aan Thomas: ‘Wat is er allemaal gebeurd?’ 

Wat was het verhaal? De beelden nog eens naast elkaar: poel, bos, huis, stoep, vogels, honden, zand, vrouwenlichaam… Of moeten ze ondersteboven, totdat je niet meer wat ondergronds of bovengronds is, de gelederen dusdanig zijn versterkt dat er geen weg terug meer mogelijk is? Gelukkig voor ons is de film dan afgelopen en kan de laptop worden dichtgeklapt, de bioscoopzaal ingeruild voor de zon van gisteren.