Terhorn

Voordat de hormonen zijn blik voor eens en voor altijd zouden vertroebelen en iedere gewekte interesse bij voorbaat ondergeschikt zouden maken aan de stuwing van het bloed, draaide ruim dertig jaar geleden bij Terhorn alles om vogels en eieren. Van jongs af aan was hij gebiologeerd geweest door de onzichtbare celdeling binnen in het ei, van niets tot ademend wezen, van de buitenwereld gescheiden door wonderschone, broze schalen. 

‘Zit-ie d’r in?’ schmierde de studente over haar schouder. Ze wiebelde uitnodigend met haar forse blote billen. 

Zittend op het krukje achter het bed zag Terhorn zichzelf in de spiegelwand aan het hoofdeinde, z’n glanzende, gelige schedel, z’n ringbaardje dat bovenlangs z’n oren weer naar beneden groeide en zich achter in z’n nek herhaalde: een vossenklem van rozig pluis. 

Hij bewoog z’n hoofd op en neer, z’n kin tegen z’n borst, dan weer hoog opgeheven. Open, dicht, open, dicht, z’n nek ertussen. Altijd moesten ze wat zeggen. Net als z’n moeder. Wat wilden ze met hun gekwaak? 

Zachtjes grommend, als een dromende hond, bevruchtte Terhorn de studente van achter, knoopte z’n gulp dicht, gespte z’n riem, en stapte naar buiten het donkere grachtje op. 

‘Woensdag is Eef er weer,’ riep ze hem na. ‘Ik heb tentamens.’

Haastig liep hij naar z’n bootje. Ja. Ja ja, tentamens, ja. 

Hij opende het benzinekraantje en startte de buitenboordmotor met een ruk aan het koord. Hij duwde zich af en voer langs de historische panden richting het kanaal, waar hij het gas opendraaide, z’n onderbroek van z’n geslacht plukte en in het donker langs de basalten oever z’n weg over het water vervolgde. Vooroverliggend gleed hij onder de provinciale weg door, langs het voormalige slachthuis en opnieuw vol gas de ringvaart op die zich door een tunnel van riet om de polder meanderde. Een meerkoet schoot uit de beschoeiing en rende in paniek voor de boot uit, de maan vertrappend tot een wit spetterend vuurwerk in het zwerk van het water.

Van koeten vond hij vroeger wel nesten met vijftien eieren. Stompe eitjes met de kleur van vergeelde kranten, besproet met roestvlekjes. Als je ze eruithaalde lagen er zo weer vijftien in. Hij blies ze uit voor z’n verzameling. Waren de eieren te lang bebroed dan voerde hij de foetussen aan z’n kraaien. Tot ze met twee man van de gemeente waren gekomen om z’n vogels af te schieten. Eitandt van het gemaal liep nog steeds met een lap over een lege oogkas.

Na de spoorbrug waren de uit zwart papier geknipte wilgen, de hangar en een stukje van het huis te zien, en een speldenprik licht. Terhorn snoof en klapte twee keer met z’n vossenklem. Moeder was wakker.

Hij zette de motor uit en liet de boot naar de steiger glijden, waar hij aanmeerde en langs de loods met de gestalde caravans naar het woonhuis liep. Vleermuizen doken vanonder de golfplaten de boomgaard in. Een zoete lucht van verrotting zweemde over het pad. Terhorn snuffelde aan het bouquet. Bezoek! Z’n vingers graaiden als krabbenpoten langs z’n broekspijpen. Bezoek. Hij wist het, bij de spoorbrug al.


Schneider vs. Bax, 2015


Onder het keukenraam stond een brommer die hij niet herkende. Hij liep naar de konijnenhokken waar hij op de tast naar de knuppel reikte. Weggedrukt in de ligusterhaag zag Terhorn ‘de visite’, in het slaapkamertje naast de keuken. Een vage schaduw achter de vitrage, maar onmiskenbaar. Het beest, zijn verwekker. Half roek, half mens, naakt, gehurkt op het slapende, chronisch zieke lichaam van zijn moeder. 

Terhorn sloop langs het brommertje, streek over het zadel en betrad ruikend aan zijn vingers de bijkeuken. Voorzichtig duwde hij met de knuppel de keukendeur open. Hij zou zichzelf en z’n moeder voor eens en voor altijd verlossen van hun demon.

Hij duwde de deur verder open…moeder lag niet op bed, ze zat aan tafel en likte stuifmeelkorrels van een theelepeltje. 

‘Nou, daar is-ie, hoor,’ kraaide ze. ‘Wally!!’

In haar peignoir van een verbleekt blauw dat aan spreeuweneieren deed denken, zat ze in het door Terhorn aangepaste winkelwagentje. Hij had de voorkant erafgesloopt en er een kussentje in gelegd, zodat ze zich schuifelend met haar vergroeide voeten door het huis kon bewegen. 

‘Oom Wally heeft een nieuwe brommer,’ zei ze. ‘Heb je een konijn geslacht?’ Ze kneep haar ogen samen achter de getinte brillenglazen. Een gedrongen man in kostuum stapte vanuit de voorkamer de keuken binnen. 

‘Heb je een konijn geslacht?’ vroeg oom Wally.

‘Ach, welnee,’ zei z’n moeder. ‘Hij was in de stad. Was-ie maar blijven ademen bij z’n geboorte, dan was-ie nu gewoon getrouwd geweest.’

Terhorn opende en sloot z’n klem van vossenbont. ‘Uw navelstreng zat om m’n nek,’ durfde hij.

‘Joúw, joúw navelstreng zat om je nek!’ kraaide ze. 

‘Ik heb een brommer gekocht,’ zei oom Wally. ‘Als je wil kan ik je wel eens naar de stad rijden.’

Terhorn zette de knuppel tegen het aanrechtkastje en dronk uit de kraan. Het beest was hem ternauwernood ontsnapt.

‘De onrust des vlezes, een doorn in ’t oog van Jezus,’ zei z’n moeder. 

‘Die groene in de kamer zit steeds maar in het spiegeltje te kijken, is het niet?’ zei oom Wally. 

‘Eenzaam!’ kwekte z’n moeder. ‘Parkieten zijn net als zwanen. Die willen geen ander, kijken liever naar zichzelf.’

Terhorn bewoog z’n kin op en neer. Ja, hoor, die groene, ja, brommers, tentamens. Dat gekwaak, dat verdomde gekwaak. Hij omvatte de knuppel.

‘Met de boot gaat ook,’ fluisterde hij.

‘Wat? Wat was dat?’ spuugde z’n moeder. 

‘Ik ga naar de caravan,’ zei hij. 

Sinds moeder twaalf jaar geleden bedlegerig was geworden, sliep hij in een vergeten caravan achter in de loods. 

‘Zo vaak is Wally er anders niet. We kunnen toch ook gezellig doen?’ zei z’n moeder.

‘Ach, ik moet toch zo naar huis, ik vond het gezellig, hoor,’ zei oom Wally. 

Terhorn leunde tegen het aanrecht en tikte met z’n knuppel op het vloerzeil. Hoeveel konijnen had hij ermee doodgeslagen? 

‘Hou es op met die stok,’ jankte z’n moeder. 

Er hingen stuifmeelkorrels in de haren rond haar mond.

Zou een mensenschedel meer weerstand bieden?