Twee gedichten

(1) Lumumba gaat een eindje fietsen


Onder hoge hoed en wappercape zit de held, de legende,
de minzaam lachende, immer charismatische,
dramatische en soms
– voornamelijk in zijn eloquentie en retorica –
volstrekt onvoorspelbare,
eerst verkozen democratisch premier
van bevrijd, vernieuwd Congo, 


Patrice Lumumba: 
van Mouvement National Congolais
van Onalua tot Katanga
en daarna gekatapulteerd naar de set van een film
in zijn uniform, zijn haar gekamd
en zijn voeten nog nasissend
van de ton vol zwavelzuur
waar hij zijn lichaam uit moest slepen
om zich vervolgens stuurs in een uitklapstoel
naast de regisseur te installeren


het probleem van Lumumba is dat
dood door pistoolschoten voor motorisch ongemak zorgt
niemand had verwacht dat de man die een kolonie tot natie lulde
niet in staat was over opgespoten zandwegen te fietsen
(hoe zou dat gaan in de modder van de kale straat
die nergens heen leidt, steriel decor, een polder in Almere)
daarbij was hij niet voorbereid op de naar zijn gevoel beledigende
imitatie van het rozeknieënjong dat veren
combineerde met panterprint, schoenpoets op zijn gezicht smeerde
en zo besloot


Patrice Lumumba:
uit verband gerukt in blauwe bermuda


over nieuwbouwdorp gesproken
dat de straat zich vacuüm trekt
inefficiënt volhardt
aan de rand van het bos
en besluit de bomen te negeren
maakt van de dode man een misplaatst attribuut
in een universum waarin de verlosser van het Congolese volk
zich moet verhouden tot een absurdistisch, verontrustend beeld


het beeld dat de bomen in rijen zijn geplant, 
de sukadelappen als bloembladeren in de pan gelegd
het dorp dat geen dorp is, dat beeld
stortplaats met dorpse elementen
een steen dienend als botervloot


het beeld dat Patrice Lumumba inspiratie vormt voor een kind om 
als een gek om een vuurtje te dansen,
gillend met een mond vol nijlpaardtanden
het beeld van een basisschoolleraar die de kooi van de Congolees
als vanzelfsprekend ziet
      Dat beeld is een vals beeld en dus een voorbeeld van 
      ‘de Neger’ met een lenig lichaam en goed gevoel voor humor


ondanks zijn gruwelijke manier van sterven moest Lumumba bekennen
dat hij was vergeten in zijn achterhoofd te houden
dat burgerlijkheid nu eenmaal betekent dat men redeneert
vanuit de grens tussen domesticatie en perversiteit
dit maakt Lumumba wanhopig
zijn naam is immers al eerder gebruikt
om anderen in een constante staat
van ontsteltenis te brengen


(2) Zaken die mij niet toebehoren

Een erectie krijgen onder de douche
Terwijl zij onder de tafel zit
Terwijl kleding gesteven in de kast hangt
En hij haar schaakmat zet
En de buurman bitter lacht
Omdat zijn oog bloedt
Omdat het bos naar bloedt ruikt
Omdat de dag opnieuw aanbrak nadat zij verdronk
Zonder verandering van omstandigheden
Zonder verlossing van het kwetsuur
Zonder warme maaltijd voor de vreemdeling
Zonder centrale verwarming
Zonder besef van Hollandse normen en waarden
In het dorp
In het landschap
In het continent
Dat zou moeten functioneren
Onder de verstikkende omstandigheden van sociale controle
Van het raam naast de voordeur naar het raam naar de voordeur
Naar de deur van de slagerij die op slot kan zonder sleutel
Het slot op de deur van de slagerij
Is het slot op de wereld van de slager
Is een kille tweespalt tussen 
Een vrouw, haar hond, de brute handen van haar echtgenoot
Het idee van zelfbeschikking
Is verbanning
Is kartonnen onderzetters
Is kanten servetten op het tafelzeil
Huilen om verkeerd samengestelde cocktails
Op de borrel met Caribisch thema
Huilen om de cocktails op het toilet
Huilen om de cocktails met de knokkels op de slapen
Huilen met broek op de enkels en een half stijve penis 
Denkend aan de mond van willekeurige buurvrouw
Huilen om cocktails om niet om het huwelijk te hoeven huilen
Of de toewijding van je vrouw aan het geloof
Huilen om het dorp
Om de slagerij
En het slot
Op de blinkende molen waar je beurs, roze vlees door perst
Want ‘ik verlang zo naar je’
Betekent tegenwoordig
Geen vrije toegang meer maar
Een niet-aflatende opoffering