Twee Gedichten

Musketkransjes

Door de regenbui uitgelopen notitiebriefje in haar jaszak, alsof het al wist 
dat niets van dit alles besproken zou worden en de terugblik die nu stottert 
in zijn waarheid, die altijd stottert als hij pas later bekeken wordt, wie 
evenveel belooft als dat hij terugneemt komt op hetzelfde punt uit.

Er zijn schouderklopjes die grotendeels uit poedersuiker bestaan, handen
als servettenhouders, ze wil ze niet van de stof van haar pak blazen dat 
op de groei is gekocht, en ze zeggen dat aanstormend talent altijd iets 
haastigs over zich heeft, alsof ze als aansteeklonten in andermans vuisten

geklemd zitten en ieder moment op kunnen branden. Een man vertelt dat 
er vogels zijn die hun eieren op een boomstam leggen en zich daarna uit 
bescherming als stam vermommen, hoe mooi volledige overgave is als je 
denkt dat niemand het doorheeft. Over zussen gehad die ze van elkaar 

kennen omdat ze uit dezelfde polder en ons kent ons. Een schilder die 
alles schildert wat hij niet in woorden op papier kan krijgen, meestal zijn 
het vrouwen die hij in verhalen niet warm kan houden, die meer om een 
blik vragen dan om een goedlopende zin. Onthouden: als iemand weggaat 

geef hem dan een paraplu mee, want van lenen komt terugbrengen, en zo 
als de schaduw een lichaam volgt, zo volgt ze jou. Een roker biedt haar een 
pakje lucifers aan, ze schuift het lijkdoosje voorzicht een stukje open met hier 
en daar een verkoolde kop ertussen, zodat de ongebruikte adem kunnen 

halen, laat ze in haar jaszak glijden naast het zakje met gesmolten 
musketkransjes, het verdriet met een inhoud van fondant. Geef haar 
alsjeblieft een deken tegen de kou, een reden tegen alle redenen en zeg 
nooit vaarwel als er geen zee te overbruggen is om bij elkaar te komen.

Verhuisbericht

Het huis in de Biotex gezet en steeds het uitzicht weer veranderd, potten
havermout en rozijnen op de planken gezet, hier komt God niet binnen 
hadden ze mij beloofd, tenzij je Hem zelf binnenlaat, voor de zekerheid
ook het kattenluikje dichtgetimmerd, wat heeft het voor zin om te haten

als liefhebben net als Biotex alle vlekken verwijdert? Ik heb mijn schoenen
in rijtjes naast elkaar gezet, kleur bij kleur, een speelgoedslang kronkelt over 
de woonkamervloer: een God buitensluiten en een kind binnenhalen is haast 
hetzelfde, toch dek ik de tafel iedere avond voor twee, mes aan de kant 

waarmee je schrijft, ik kijk in twee ogen die ik zelf in de lucht heb geplaatst 
als twee punaises in een leeg prikbord. Zie ik heb een huis, ik ben groot 
geworden toen je even knipperde om een vuiltje, zoveel vuiltjes, hè en niets 
wat ik je nu nog kwalijk kan nemen. Geen adreswijzigingen doorgestuurd, 

wel een wereldbol gekocht waar ik als ik eraan draai iedere keer mensen 
duizelig voor zich uit zie staren, ik kan je dagen voorbij laten gaan zonder 
dat je het doorhebt, wat Hij in zeven dagen schiep, doe ik in een nacht. Zo 
leg ik maisvelden aan, verzin een zee rondom mijn vuurtoren, ik ben het enige 

licht, het is een eer om de donkerte tegen te mogen gaan, om te mogen bepalen 
wanneer je wel en niet een hand voor ogen ziet, die hand zou ik willen schudden 
als ik geweten had hoe dat moest. Ik verzin dieren die half mens half dier zijn en 
dat van zichzelf weten, ik maak van het kwaad een slachtoffer, van angst 

een held. Zelfs placemats gekocht tegen kringen in het hout, tegen herinneringen
aan eenzaamheid, net als al mijn dure pakken is dit huis op de groei gekocht, 
ik treur om de dood van een spin, terwijl ik de dood speelde als zijn getrouwde, 
het was mijn servet en nu die vlek op het behang en Gij zult niet doden. 

Morgen komen ze een bureau brengen waar ik uren zal zitten schrijven en 
helemaal vergeet dat leven vooral om opstaan vraagt, buiten heeft iemand aan 
zijn wereldbol gedraaid, langzaam wordt het donker, komt er een bericht binnen 
over de vaatwasser die geen water weg kan laten lopen, hoe ik nu met mijn 

handen in een teiltje het water wil doorklieven en naar de overkant van de 
nacht, het beloofde land, zonder mijn ogen te moeten sluiten in een huis dat
niet op de kaart is gezet, dat ergens sneeuwwit tussen probeert te passen.