Bittere Troost

correspondenties

In het jaar 523 werd de Romeinse filosoof en staatsman Boëthius door de Ostrogotische koning Theoderik ter dood veroordeeld. Tijdens zijn detentie slaagde Boëthius erin een boek te schrijven, Troost in Filosofie, waarin ‘Boëthius’ in debat gaat met Filosofie, die hem in zijn cel bezoekt. Dialoogpassages worden afgewisseld met gedichten. De auteur poogt zichzelf te troosten door zijn benarde positie op metafysisch niveau zin te geven, en daarin slaagt hij, vermoedelijk tot eigen afgrijzen, zo goed dat hij aan het slot van het boek iedere bewegingsruimte voor de mens heeft weggeredeneerd. God, die de bron van alles is, kent tijd noch kwaad, dus elke waarneming van vrije keuze, succes of ellende berust op een misverstand. Het universum zit perfect in elkaar, maar helaas kunnen wij mensen dat zelf niet zo ervaren. Vandaar dat de gevangene aan het einde van de dialoog stilvalt en gelaten toehoort hoe Filosofie het net sluit. 

Piet Gerbrandy is bezig met een nieuwe vertaling van het boek. Naar aanleiding van dat project raakten Anneke Brassinga en hij in een poëtische briefwisseling verzeild. Hun gedichten worden afgewisseld met fragmenten uit de vertaling. 


‘Maar,’ zei Filosofie, ‘dit moment vraagt eerder om therapie dan om een klaagzang.’ Toen keek ze me strak en indringend aan en zei ze: ‘Ben jij echt de man die ooit mijn melk dronk, mijn voeding tot zich nam om uit te groeien tot volwassen geestkracht? Ik heb je toch van krachtige wapens voorzien die je onverslaanbaar hadden kunnen maken als je ze niet had neergegooid? Herken je me? Waarom zeg je niets? Is het uit schaamte of door verlamming dat je bent stilgevallen? Schaamte zou beter zijn, maar ik zie dat verlamming zich van je heeft meester gemaakt.’ En toen ze zag dat ik niet alleen zweeg, maar zelfs helemaal geen taal meer tot mijn beschikking had en met stomheid geslagen was, raakte ze mijn borst zachtjes aan en sprak: ‘Het is niets gevaarlijks – hij lijdt aan lethargie, een gebruikelijke kwaal wanneer het denken zich heeft laten misleiden. Hij is zichzelf een beetje kwijt, en hij zal wel weer bij zinnen komen zodra hij mij herkend heeft. Laat ik, om dat te bewerkstelligen, de wolk van sterfelijke besognes die zijn ogen verduisteren wegvegen.’ Dat zei ze, en ze rimpelde een slip van haar gewaad om mijn ogen te drogen, die een vloed van tranen lieten lopen. (I.2)



Brief aan Boëthius

Wie bevroeden kon hoe voorvallen
waterval aan het worden waren, oorsprong van wat niet was
maar op ontketening stond – hij streelde


de zwangere buik van het lot. Daarbinnen
in serene lochting, loverrijk zwevend dooreen,
bestendig enkelvoudig het zich rondende dat ons belet


een uitgang, opzettelijk:


wij hebben te worden uit vrije wil


jij en ik, gekussend, doorgezeten, éénvoetig, opklapbaar
en op luchtigste wijze gewiekst, wiekend ineengeknield,
lijfsliefst beloofd om voort te fladderen 
kromhalzig naar de warme bocht, pluimlicht


waar naakte poten verdwijnen in zachtverende vederbosjes van
woffers die bonzen – gestulpt, tilbaar op je ene hand
zo onwegend een kei dat ei van minne het wordt


en snoeihard te werpen indien arm niet allengs tot vleugel zou strekken,
onze lippen intussen, versmeltender, al sappiger snavels
getuit hadden om fluitzang en zoen – voel hoe wij roepen
met langende tongenvlammen de opperst goedertierende zonkomst op. 


Het ontstaan van alles wat er is, de gehele gang van natuurlijke verandering, ja alles wat op enige wijze in beweging is ontleent zijn oorzaken, ordening en vormen aan de bestendigheid van Gods denken. In de burcht van zijn eenvoud besloten bepaalt dit het veelvoud aan wijzen waarop wat ontstaan is zich kan gedragen. Wanneer men die werking beschouwt vanuit het perspectief van Gods zuivere begrip, wordt ze voorzienigheid genoemd. Betrekt men haar op datgene wat daardoor in beweging gebracht en bestuurd wordt, dan hebben we het over de instantie die vroeger noodlot werd genoemd. (IV.6.7-8)


Verzoekschrift aan Filosofie

Beloof me dat u me zult
     want u weet van wat kwam
     want u weet hoe ik hier ben geworden – 


er moet een hierna en daarna zijn
     zoals ook hiervoor en voorbij maar
          nooit bleef ik verstokt als vandaag –


mijn eertijds aanzienlijke klof raakte doffer dan dof
de matras van mijn brits leent zich eerder
     tot sneven dan slijmvliesbevleugeld verkleven
     (al biedt zij wel ruimte voor twee)


mijn valkperspectief is gekrompen tot vierkante meters
mijn logica blijkt hier sof en beschamend
     wentel ik trapsgewijs kelderwaarts wring
          ik mij vast in inklinkende aarde – 


wees toch in leegte en lucht mijn woestijnzandomsluierde zonschijf
     (zonder floers is uw straling te fel)
ontgrendel adderloos uw granaatappelhof 


beloof me dat u ontpopt
     uw vlinders van vlees van uw trossen laat gisten
     uw most van verlos – 


geloof me u kunt me genezen van bittere troost. 


‘Dit is wat ik vermag,’ zei Fortuna, ‘dit is het spel dat ik zonder ophouden speel: soepel wentel ik het rad rond, ik geniet ervan het onderste bovenaan, het bovenste onderaan te krijgen. Je mag best omhoog, als je dat wilt, maar dan op voorwaarde dat je het niet als onrechtvaardig beschouwt wanneer de systematiek van mijn spel vereist dat je weer naar beneden gaat.’ (II.2.9-10)


Ex forti dulcedo

     (repliek aan de benarde Boëthius)


Uit de verkrachting van het lieflijke –
zoals de zaagtandige bladplant haar bloesem opent,
offrerend frêle zoete kelen
waar schitter diep in holte stem geeft en praal
aan deze ene agave die hierom sterven gaat:
inwendigste uitwas met felle stralen.


Prang verwekt ’t bij wie geschonken is
dit overweldigend present,
dit vanzelve aangeblazen tegenwoordigs,
dit op stilling stuitende
nu het uiteenspat in knisterend schrale dofkristallen as,
nu onder de grond gromt de oude gramstorige


vlamspuwende ongod. 


Ja, ik beschik over veren en vleugels
     om naar de hemel op te gaan.
Spreidt mijn vlugge denken ze uit,
     dan kijkt het op de aarde neer,
totdat het verzadigd van kijken is,
     de hemelzomen achterlaat,
de rug van de vluchtige ether bestijgt
     en deel krijgt aan het ware licht.
En kijk je dan terug op de nacht van het aardse, 
     die dan niet meer jouw wereld is,
dan blijkt de macht van de wreedste despoten
     in feite een schamele ballingschap. (IV.m1.1-4, 15-18, 27-30)


Aan wie eigenlijk

Verschijnt u mij fortuinlijk of wijsgerig?


Aan u is alles rond uw
     gloeinaaf gladde navel van de wereld
u rad van tong zonder genade voor wie
     hier nog iets zouden willen voor ze gaan.


Ik wil best weg maar niet nu
     mijn hechtenis aan u is nog te smerig.
Nog zoek ik geen bloem die opvlamt en doet sterven.


Ik zoek een later sap dat ingedikt essence
     vormt van een dronk die zuurzout genipt
in trage schaduw van romaanse cacteeën


leidt in vervoering naar die boven woestenij
     zich spreidende lazuren baldakijnen waar het koel is.
Koel en stil en vrij van slap gelul en paars
     gesteven syllogismen die verderven.


Nog toont uw wiel van bladgroen scherpe tanden.
Nog drijft u mij op en aan. 


Dus spaart een wijs beleid hem die door tegenspoed een slechter mens zou kunnen worden, om te voorkomen dat iemand te maken krijgt met narigheid waarop hij niet is toegesneden. (IV.6.36)


De liefde spreekt tot Boëthius in den vleze zijns vertalers

Wou je drinken uit met betovering bestreken bekers
nu lood en oud ijzer knellen om roestige hielen wier gewrichtjes
spoedig zullen dienen als bikkels bij het spel?


Dat behoed wordt voor leed wie tegen hard lot niet
bestand zou zijn – ja nee spoel uwe kwatong, het ware meelij
komt louter toe aan schorre roep van stokkend ik


voor het los zich scheurt van zich & van ook
de droom in dit geketend nu, straks vanuit onbewolkt sereens
terug te kijken eeuwig: op wie het was die schreeuwt,


die zoutzuur schreit nu. Blijf hier bij u en mij, als
moleculisch vuur dat zelfs de koele oester leven doet en angst
tart, angst van de helderziende die te overwinnen weet


de goden, genot put uit helendal hartstekend mors de dood. 


Deze ordening voedt en bevordert
alles wat leeft en ademt op aarde,
maar evenzeer bergt ze alles wat opkwam
op in een einde dat het verdrinkt. (IV.m6.30-33)


De gevangene spreekt tot zijn ravissante bewaarster

U die mij hier geketend houdt
     in rond gesmede rede van ontvlechting
     in aller laatst latijn
     in immer kloppende klaterend gouden slotsommen
          met soms verrassend ludieke wendingen en sprekende details


(‘alles gekend alles wit lijf naakt wit één meter benen gesloten als vastgenaaid’)


u die mij snoert en vloert en drenkt
     met vlokken drab van oude wijnazijn
     u die mij krenkt en tergt en poogt
     mij op te lieren met uw pompende maatzangen – 


(‘muren wit één bij twee meter plafond wit één vierkante meter nooit gezien’)


uw troost is mij straf daar de puls van uw ijle
     pleidooien mij naait mij vast stikt aan sleetse
          lang te verlaten onbrokaten weefsels


(‘hemel vierkant en grijs boven akkerdoden in waden’).


Ik ben dus eigenlijk wel helemaal klaar met vertalen:
     de tekst die u tolkt is duidelijk te raar om van verstomming te
          vrijwaren.
O knip mij toch los uit dit onbesluitbaar verhaalding
          ja klip klip mij uit dit lekkend lauwe vlees.


Alle genot is eender.
Het prikkelt je tot genieten,
zoals een zwerm van bijen:
eerst schenkt het lekkere honing,
dan vlucht het – maar zijn angel
zit muurvast in je hart. (III.m7)


Liefdes welvaren

Kom, geef mij meer, want verheerlijking slijt
tot gewenning zodra naar volheid neigt het groeiende ervan – 
terwijl juist dat de prikkel was voor tand en klauw


om zich te scherpen, mij tot gulzig wezen maakte
dat al doende lief te hebben leerde ’t gruwelijk lelijks
waar het nu, bedreven minnend, blind voor wordt.  


Geef mij iets – het kan niet erg genoeg zijn als ’t maar
dienen mag mijn vervolmaking – ik ben ter wereld
immers om, uit lood van walging, goud te puren. 


En stel, zoals Aristoteles zegt, dat de mensen de ogen van Lynceus hadden, zodat hun blik zich overal doorheen kon boren, zou dan het lichaam van Alcibiades, dat aan de buitenkant zo mooi is, er niet weerzinwekkend uitzien als zijn ingewanden zichtbaar waren? Het is dus niet je natuur die maakt dat je er mooi uitziet, maar de zwakte van de ogen die naar je kijken. (III.8.10)


Overgave onder protest

Hoe geef ik mij gewonnen aan uw liefde
     die zon en andere sterren stuwt en afmat –


(‘dan is het dus het hoogste goed dat alles krachtig bestuurt en mild ordent’)


u Grote Zuster wier schoot een knusse rotonde
     voor wielewalen zielen zware metalen eencelligen
          atoomklokken en parallelle heelallen
u met uw tweeling gazellen en Argus’ subtiele oogschaduw
u met uw inhalig lipspelende sluitreden 
     ijle kazematten onfeilbare kustbewaking –


kortom in u is alles ja dus ook ik en de ergste dingen.


U geeft mij geen keuze dan uw onverbiddelijke genade
     te aanvaarden want mijn woordkraam
          is geronnen en onvrij.


Ik stem niet in maar leg mij neer ootmoedig. 


Alle dingen die in de toekomst gaan gebeuren doordat wij er in alle vrijheid voor kiezen, ziet God als tegenwoordig. (V.6.31)