Het vermoeden dat veel vergeten wordt

Ik pak op de tast sokken uit de bestekla van het dressoir dat ik als klerenkast gebruik en voel iets. Ik schrik, slik het omhooggekomen ontbijt terug en dwing mezelf de haastig dichtgeschoven la weer te openen. Tussen mijn sokken ligt een zwart ding. Het is niet groter dan een ei, niet hard en niet zacht, lauwwarm als een koudbloedig dier. Het zwart is niet zozeer een kleur, als wel het ontbreken van kleur, alles wordt opgezogen door dat ding. Het is een bol of een dof gat of een schijf.

Op een avond had ik na het eten een discussie met mijn echtgenoot over de aard van het kwaad. Ik vroeg hem of hij denkt dat kwaad een element in de wereld is zoals ijzer of koolstof. Of dat het iets is dat door een ongelijke verdeling van macht geproduceerd wordt tussen mensen. Eerst zei hij dat ik altijd te grote vragen stel, dat hij daar moe van wordt en dat het bovendien nergens toe leidt, die grote abstracte vragen. Vervolgens zei hij dat zonder duidelijke definitie van het woord kwaad de vraag sowieso geen zin had.

De steen werd begin negentiende eeuw gevonden door goudzoekers aan de oevers van de Orinoco. De steen werd gevonden in een van de Groenlandse mummies in Qilakitsoq, waar de hemel laag hangt. De steen werd gevonden door een pachtboertje op een akker in Louisiana. De steen werd gevonden in de nalatenschap van een Belgische graaf. De steen werd gevonden in een neolithische tombe op Orkney. De steen werd gevonden in een Fabergé-ei, versierd met stijve gouden strikken en blauw email. De steen werd gevonden met twee gedroogde berkenzwammen in een zakje aan de ceintuur van Ötzi. De steen werd gevonden in de kroon van een afgezette monarch. De steen werd gevonden. 

Zoals veel vroeg ontwortelde kinderen heb ik levendige herinneringen aan mijn kindertijd. Ik herinner me dat ik me voortdurend verbaasde over de macht van volwassenen en het onaangenaam vond dat een ander besliste wanneer en wat je kon eten, wat je moest dragen en wanneer je moest slapen. Daarom vroeg ik altijd na een verzoek van mijn ouders – tafel dekken, tanden poetsen – of het mocht of moest, zodat de machtsverhouding in ieder geval duidelijk was.

Soms is een dag gevuld met onheil. Het vermoeden dat het gas nog aan staat. Dat je niet genoeg kleren hebt aangetrokken tegen de kou maar niet terug naar huis kan. Dat je door een auto geschept zal worden. Dat je iemand terug zou bellen, maar dat niet gedaan hebt en het nu te laat is. Dat je leven zich afwikkelt in een rechte lijn naar teleurstelling en verlaten buitenwijken. Dat je in staat zal blijken je familie te verlaten. Dat je, uiteindelijk, geen aardig mens bent. Dat de vervuilde lucht van industrie, misselijkmakend als zoete poedermelk die in de keel blijft hangen, voor altijd richting de stad zal blijven waaien. Dat je oud bent en niets hebt om te laten zien voor al die tijd van leven en het te laat is daar niet om te geven. Dat het altijd nodig zal blijven het onwillige gezicht naar de mensen toe te keren, omdat er niets anders is om ze mee aan te zien. Dat de wand tussen binnen en buiten het zal begeven. Dat je meer bent dan je ogen maar geen controle hebt over de verschijning van je lichaam. Dat je huid er bij daglicht afstotelijk uit zal zien. Dat je zult lachen om een grap die je nooit zou kunnen begrijpen. Dat je betrapt zult worden op een beschamende leugen. Dat je iemand pijn hebt gedaan maar vergeten bent wie. 

Terwijl ik werk eet ik gedachteloos van een tros blauwe bedauwde druiven, ongewassen uit de plastic supermarktverpakking. Totdat ik vanuit mijn ooghoek een beweging onder mijn hand zie. Ik probeer niet te kijken, doe het toch, maar zie tot mijn opluchting niets. Net wanneer mijn blik terug gaat naar het beeldscherm zie ik het. Een van de donkere cirkels is zachtjes aan het pulseren. 

Het is niet werkelijk onheil waar de dagen mee gevuld zijn, natuurlijk. Meer een sluimerend onbehagen en, tegelijkertijd, het gevoel dat het onbehagen mij niet toekomt, dat ik het onwaardig ben. Mijn echtgenoot zegt dat ik eigenlijk een zeer christelijk mens ben omdat mijn sterkste emotie en drijfveer in dit leven schuld is. Maar hoe kan men in deze wereld leven zonder het besef dat elke handeling en beweging is omgeven door schuld? Enerzijds is het gruwelijk daar de ogen voor te sluiten, maar anderzijds is het misschien even gruwelijk om de ogen er niet voor te sluiten en zelfs dat beetje leven op deze aarde dat de potentie heeft goed en onschuldig te zijn te vergallen. Mijn boekhoudster vertelde me dat het gunstig zou zijn als ik in het huidige boekjaar meer aftrekposten zou kunnen opvoeren. Toen ik vroeg waar ze aan dacht, gaf ze de kosten voor een cursus als voorbeeld.


Je leest wel eens pleidooien dat het in literatuur moet gaan om wat er verteld wordt, dat het hoe van de vertelling er niet of minder toe doet. Het gaat om de ideeën. Dat de roman dus direct aanklachten moet formuleren tegen onrecht en onderdrukking, met stevige, liefst linkse opvattingen erin,’ oreerde de docent van de schrijfcursus. We zaten in een kring om hem heen en het was duidelijk dat hij het niet eens was met deze pleidooien. ‘Dat ze alleen dan een bijdrage kunnen leveren aan maatschappelijke verandering en vooral aan clichés daarover, denk ik er altijd stiekem bij,’ vervolgde hij, soepel en vermoeid alsof hij dit uit den treure had moeten herhalen. Er werd hier en daar gegrinnikt onder de cursisten. De enige richtlijn van onze docent is ‘show, don’t tell’. We leveren elke maand een verhaal in en bespreken dat vervolgens binnen de groep, vijf vrouwen en een eenzame man. Na het bespreken van een verhaal vraagt de docent hoe we de informatie in het verhaal op een meer soepele manier kunnen overdragen door het gebruik van levensechte details. Maar ik twijfel of tonen en vertellen slechts twee verschillende technieken zijn. We kunnen alleen tonen wat herkenbaar is voor de lezer, alle andere dingen moeten verteld worden.

Mijn man had in het najaar korte periodes van hevige schuldgevoelens en neerslachtigheid. Hij voelde dat hij schuldig was aan iets maar wist niet meer waaraan. Om aan het gevoel te ontkomen had hij een paar weken lang minutieus zijn stemming bijgehouden. Hij maakte in zijn notitieboek kleine diagrammen van de dagen en de schommelingen in zijn gemoed. Uiteindelijk kwam hij tot de conclusie dat deze ongewenste en negatieve gevoelens opkwamen bij een lage bloedsuikerspiegel, na te weinig slaap, en op momenten van de dag tussen twee taken, overgangsmomenten noemde hij ze. Ook kwamen ze vaak voor na een onaangename gedachte of ontmoeting. Ik bewonderde zijn methodische benadering en zijn diagrammen. Maar eigenlijk, dacht ik, moet je jezelf niet willen vrijpleiten. Dat gevoel van schuld is niet een toevallige samenloop van fysieke omstandigheden en omgeving, het is een symptoom. Een teken dat je moet zoeken naar waar je schuldig aan zou kunnen zijn. 

We waren aan het wandelen, of was ik bij iemand op bezoek? Was het midden op de dag in een zonnige huiskamer? Nee, het was denk ik ’s avonds, in een studeerkamer. De herinnering lijkt te willen afglijden van alle momenten waarop ik het ding zag. Wat ik met zekerheid denk te kunnen zeggen is dat het zwart was. Of is, eigenlijk. Het is het soort voorwerp dat niet van de mens gescheiden kan worden. Zelfs als we het de ruimte in zouden schieten, weet ik zeker dat het de mensheid over enkele eeuwen weer zal treffen. Dat een geïnfecteerd ruimteschip met nog maar enkele opvarenden het zal vinden en hoop zal putten uit de eerste aanblik. Om bij het openen van het ruimteartefact – met technologie die nog nauwelijks als zodanig is te herkennen – een dikke prop in de maag te voelen, een zinkende klont zwart bloed bij het besef dat wat ze aangetroffen hebben vele malen erger is dan wat ze probeerden te ontvluchten. Maar nu is het met ons in deze tijd, op deze aarde. Een zwarte steen, zoals ik het voor mezelf maar ben gaan noemen, die in een ring of pendant gevat zou kunnen worden. Die in een doosje met watten of een fluwelen zakje opgeborgen zou kunnen worden. Een ding dat tentoongesteld zou kunnen worden in een vierkant vitrinekastje van glanzend gepoetst rozenhout met tere sponningen en elegante poten. De wereld kan het bevatten, dingen kunnen het bevatten. Alleen de herinnering, die is er ten enenmale niet toe in staat het volledig te bevatten.

Tonen wijdverspreide vormen van machtsmisbruik de werkelijke verlangens van mensen als ze kunnen handelen zonder angst om betrapt of berecht te worden? Zijn misbruikschandalen binnen gevangenissen, fabrieken, bedrijven, kerkelijke instellingen en bezettingslegers het natuurlijke gevolg van de voortdurende nabijheid van mensen met macht en mensen zonder? Of moeten we de oorzaak van machtsmisbruik en achteloze wreedheden zoeken in slechte omstandigheden – te weinig middelen, tijd en respect – voor de opzichters, verzorgers en bewakers? En hoe werkt dat dan bij de mensen die deze instituten aansturen, die de beslissingen nemen en daarvan profiteren? Is het selectief en pervers zoveel gruwelijks in de wereld te zien? Of zijn de gruwelijkheden de regel en behandelen we ze elke keer weer als uitzondering? 

De lucht is zo helder, een zacht azuurblauw. De bakstenen huizen aan de overkant van de straat worden beschenen door de milde namiddagzon. Regelmatig en prettig voor het oog wisselen scherpomlijnde beschaduwde vlakken zich af met roodbruin en geelbruin, onderbroken door lange lijnen van romig witgelakte kozijnen en dakgoten. In Berlijn zag ik eens een landschap van Jacob van Ruisdael, Gezicht op Haarlem vanuit de duinen in het noordwesten. Op het schilderij staan in de verte een paar bakstenen huizen met rode pannendaken en op de voorgrond uitgestrekte bleekvelden. Twee derde van het doek is precies zo een hemel als die van vandaag. Een hemel met wolken, zo schoon en zo helder dat het blauw je volgt door de hele zaal en de volgende. Kan een goed verhaal geschreven worden zonder het weer? Zonder wolken, zon en stortbuien die de stemmingen en lotgevallen van de protagonisten weerspiegelen? Dat was een van de vragen die we bespraken tijdens de schrijfcursus. Eigenlijk heb ik genoeg van verhalen die het zich aanmatigen het klimaat terug te brengen tot een afspiegeling van het individuele gemoed, maar het aangename weer en ordelijke uitzicht maken me gelukkig en verdrijven voor even het gevoel van onbehagen. Misschien had mijn schrijfdocent gelijk en vertelt deze beschrijving van het uitzicht meer over mij dan de diepste, meest schaamteloze ontboezeming.



Soms lees ik een heel kort stukje in de krant – uitsnede van een mensenleven of een verhaal – dat niet meer weggaat uit mijn hoofd, uit de ruimte achter de retina, uit de klieren en holtes waar het zure speeksel van opkomende misselijkheid wordt aangemaakt. De asielzoekster werd door een groep mannen een auto in gesleurd. De buren in de andere grijze loodsen waren vol afschuw over het verhaal. Volgens hen groette de dader altijd vriendelijk als hij met zijn herdershond over het industrieterrein liep. De forensisch psychiater van de rechtbank oordeelde dat de dader geen empathie kende en trekken vertoonde van een psychopaat. Zijn vriendin en handlanger hadden niet gedurfd tegen hem in te gaan omdat hij zo gewelddadig was. De groep had het speciaal voorzien op asielzoeksters omdat er geen alarm werd geslagen als zij verdwenen – natuurlijk zijn er altijd meerdere slachtoffers. De vrouw zou verkocht worden naar Duitsland om te sterven in een gruwelijke film. De vrouwen deden geen aangifte omdat ze zich schaamden. Men wist niet wat ze al meegemaakt hadden voordat ze hier aankwamen. Ik herinner me meer verschrikkingen uit dit tien jaar oude krantenartikeltje van nauwelijks een paar honderd woorden. Ik wil ze niet opschrijven. Omdat wat gebeurde in die grijze loods zelfs voor een anonieme krantenlezer te afschuwelijk en schaamtevol is om te herhalen. En nu bied ik het jou, lezer, aan als consumptiegoed door het op te nemen in een verhaal.

In een televisie-interview hoorde ik eens een Belgische schrijfster vertellen dat elk mens één verhaal heeft dat het waard is om verteld te worden en het de taak van de schrijver is de mensen juist dat verhaal te ontfutselen. Dit verbaasde me, want ik heb altijd gedacht dat er te veel verhalen zijn. Dat het ons niet ontbreekt aan verhalen, maar aan de interesse om ze te vertellen. Van zoveel verhalen kun je je slechts met grote moeite afkeren.

De moeder van een schoolvriendin zei altijd wanneer ze iets vergeten was – haar gymtas, een pak melk van de supermarkt, bellen dat ze later thuiskwam – dat ze het dan blijkbaar niet belangrijk genoeg gevonden had. Soms denk ik dat een groot deel van de tragiek van het leven besloten ligt in het feit dat juist het tegengestelde waar is. Een baby in een auto in de brandende zon. Een verjaardag. Een ingrediënt voor de taart. Een fietssleuteltje, vuilniszakken, een boek teruggeven, een moeder, geschiedenis, familie, de prijs voor mijn levensstandaard. Alles kan vergeten worden. 

Als kind bezat ik een jurk van dun oranje polyester. De rok bestond uit brede stroken gerimpelde stof en langs de zoom van de ruches waren twee banen van kronkelend lint gestikt; het onderste zwart en daarboven een baan in goud. Het lichte oranje van de stof stak schril af tegen het gitzwarte lint. De naaister had waarschijnlijk wat tijd over gehad, want met restjes van het lint was op het voorpand van het lijfje een dier genaaid. Het was het silhouet van een vierkant hoofd met poten. Ik kon niet beslissen of het een hondje was of lammetje, of misschien een leeuwenwelp. Het wezen had alleen ogen en een mond met uitstekende tong die met de hand geborduurd waren in hele kleine steekjes dik garen. Als je er iets te lang naar keek begonnen de steekjes te kronkelen als zwarte rupsen. 


We hadden gegeten en zaten aan tafel na te praten. Zacht zonlicht maakte lange vage schaduwen op tafel. Ik keek met genoegen naar het nervenpatroon in het dofglanzende hout van het tafelblad, naar het matte grof gespikkelde glazuur van het servies en de harmonieuze overgang van heldere kleuren in de geweven ruiten op de servetten. De lege borden stonden nog op tafel en we prikten in de schalen met restjes. We hadden knapperige boontjes met yoghurt-tahinsaus gegeten en langzaam gegrilde paprika’s met zoet zacht vlees en aangenaam bitter verbrande schilfers. Er was nog een beetje van de rokerig smakende aubergine, smeuïg gepureerd met munt, knoflook en citroen. Ik vroeg mijn echtgenoot: ‘Denk je dat iedereen onder de juiste omstandigheden in staat is tot kwaad?’ Toen hij eerst begon te zuchten probeerde ik hem uit te leggen hoe ik op deze vraag was gekomen. Die dag had in de krant een verhaal gestaan over de omstandigheden waaronder Roemeense werknemers al jaren werken in de landbouw op Sicilië. De reportage deed verslag van het verhaal van een Roemeense vrouw die vele malen verkracht was door de eigenaar van de boerderij waar zij en haar man werkten. De echtgenoot dronk zich buiten hun hut zonder stromend water bewusteloos terwijl hun Italiaanse werkgever zijn pistool op het nachtkastje legde. De boer had zich misschien zelfs de moeite kunnen besparen om een pistool mee te nemen, want al zijn werkneemsters wisten dat ze dit moesten verdragen om hun werk te behouden en er was geen beter werk.

Mijn echtgenoot vertelde dat hij tijdens zijn bezoek aan Sicilië zo’n wijk voor seizoenarbeiders bezocht had. Bij een van de armoedige onderkomens stond het onderstel van een paspop op het dak. De slanke plastic vrouwenbenen staken de lucht in om aan te geven dat daar een bordeel was gevestigd. Ik weet dat het beeld hem in het bijzonder is bijgebleven want hij vertelde het me een paar keer. Misschien vanwege de wrede eenvoud van het symbool voor wat aangeboden werd; delen van lichamen, tot middel gemaakte lichamen. Hij vertelde dat deze uitbuiting al jaren bezig is en de toetreding van Roemenië tot de EU het alleen maar vergemakkelijkt heeft. Ook vertelde hij dat de overslag, aanbod en verkoop van de groente en het fruit gecontroleerd wordt door de maffia. De paprika’s, bloedsinaasappels en citroenen uit die streek zijn in supermarkten in heel West-Europa verkrijgbaar. De werkneemster uit het artikel was een zaak begonnen tegen haar werkgever. De knoppen van de pioenrozen op de eetkamertafel begonnen open te gaan en verspreidden een heerlijke geur. Ik weet haar naam niet meer. Op de foto had ze kort haar en droeg ze een spijkerjasje. 

De steen werd gevonden in de zandbak van Openbare Basisschool de Tamboer in Leiderdorp. De steen werd gevonden in Carnac. De steen werd gevonden door een visser nabij een atol in de Stille Zuidzee. De steen werd gevonden in een tempel in Thebe. De steen werd gevonden onder het matras van een garnalenpeller op een eiland in de buurt van de Filipijnen. De steen werd gevonden in een ondergronds gewelf in Nijmegen waar diensten ter ere van Mithras waren gehouden. De steen werd gevonden in de zoom van een nieuwe zomerjurk. De steen werd steeds weer gevonden.

Mijn man wilde geen kinderen en ik wilde graag bij mijn man zijn dus heb ik geen kinderen. We zijn tien jaar verder en nu is het te laat. Of dat is het verhaal dat ik wel eens vertel. Ik zou ook kunnen zeggen dat ik het op geen moment in de afgelopen tien jaar belangrijk genoeg vond om een confrontatie over deze kwestie aan te gaan en het op z’n beloop heb gelaten. Ik heb geen kinderen omdat ik nooit heb kunnen besluiten of ik ze graag genoeg wilde om mijn man ervoor te verlaten. Een andere reden zou kunnen zijn dat ik voortdurend het onheil kan proeven zoals de nauwelijks waarneembare, slijmerige misselijkheid na het drinken van een glas melk. Maar misschien is mijn grootste falen dat ik niet diep genoeg liefheb. Ontoereikendheid in liefhebben is een falen, niet een excuus.

Ik stond bij het raam naar de huizen aan de overkant van het water te kijken toen de steen plotseling op de vensterbank lag. Zonder nadenken heb ik hem opgepakt, in mijn mond gestopt en doorgeslikt.