Horizons

Iemand vroeg: ‘Wat doe jij hier?’. Ik reageerde afwerend en deed alsof ik hier vaker kwam, me niet realiserend dat zij het natuurlijk beter wist. Zij kon heus weten dat ik niet eerder in dit gaycafé was geweest, zij kwam er ieder weekend. 

Een nieuwe club, een nieuw team. Ik vond het spannend. Ik had rugbyskills om op te vertrouwen, maar sociaal was iedereen zo verbonden. Ze spraken elkaar aan met bijnamen waaruit een geschiedenis sprak. Ik probeerde complimenten uit te delen, hoopte aardig te worden gevonden. Ik wist dat rugby heel belangrijk voor mij was en dat ik hun waardering nodig had om te kunnen blijven spelen. De captain zwaaide haar been in de lucht en strekte haar heupspieren, ik juichte: ‘Wat ben jij lenig!’. Het bleef een tijdje stil, toen zei ze: ‘Oooh, ik verstond even: wat ben jij lelijk!’.

Een fietser rijdt tegen het busje op waarmee we van het vliegveld worden gehaald. Het busje rijdt door. Een stoet mensen verschijnt onder het raam. Ze dragen een bed op hun schouders. Het lijk ligt omhelsd door slingers en bloemen, zijn gevouwen handen en gezicht steken grauw af bij het paars, geel, oranje. Het busje rijdt door. De chauffeur neemt een laatste slok water en gooit de plastic fles op straat. Koeien lopen over de weg, het busje stopt. Er is weinig dat bekend of begrijpelijk voelt, behalve wat de organisatie adviseerde: geen onverpakt voedsel eten, niet te bloot gekleed.


Wat hebben bovenstaande anekdotes gemeen? Ze zijn geschreven vanuit het perspectief van degene die arriveert, aankomt. 

Een tijdje geleden zag en hoorde ik het jeugdkoor uit Boston optreden. Ook een eerste keer. Het koor kwam stil de ruimte in en vormde een kring rondom het publiek. De tieners sloten hun ogen en lieten zich bekijken; een kwetsbare positie om mee te beginnen, een uitnodiging. Het deed me denken aan Emma González, de negentienjarige leerling uit Parkland, Florida die in Washington DC een paar minuten lang stil bleef terwijl honderdduizenden March For Our Lives-demonstranten toekeken. Door de microfoon klonk alleen de wind, wat gesnik. Hoe een gebaar niet altijd iets aan hoeft te bieden, maar ook een uitnodiging kan zijn. 

Het koor begon te zingen, een Engelstalig lied dat in 1995 werd geschreven door componist Péter Louis van Dijk, verteld vanuit het perspectief van de Zuid-Afrikaanse bevolking, op het moment dat de Nederlandse kolonisten arriveren. Eerst zijn de vertellers nieuwsgierig, gefascineerd door de schepen die de horizon vullen. Maar die ontvankelijke houding verdwijnt wanneer duidelijk wordt dat de Nederlanders zichzelf verwelkomen door te roven en te moorden. De taal in dit lied, ‘Horizons’ getiteld, deed me ergens aan denken. De ontvankelijke blik op wat aan de horizon verscheen, klonk nieuw voor mij, maar de vrees voor wat arriveerde, herkende ik. Politici waarschuwen voor de ‘ander’ die aanstormt, overspoelt, binnendringt (en homeopathisch verdunt), een veilige vluchthaven zoekt om te landen. Het kwaad komt eraan. Wie of wat arriveert, is het probleem. En niet alleen op xenofoob rechts. De vijand moet altijd van elders komen. Denk aan de wijze waarop de overwinning van Donald Trump een gevolg van Russische inmenging moestzijn. Aan Poetin-biograaf en The New Yorker-columnist Masha Gessen wordt herhaaldelijk gevraagd of de Russen Trump aan de macht hebben geholpen. Gessen antwoordt steevast: ‘Amerikanen kozen Trump’, en stelt dat de vraag naar Russische inmenging afleidt van een vraag die veel moeilijker te stellen is: hoe komt ‘het kwaad’ uit onszelf voort? 

Wie het kwaad aanwijst,
wil dat kwaad meestal ook uitdrijven

Een vreemde kracht komt van buitenaf. Deze visie op het kwaad is een heldere weerspiegeling van de witte, westerse ziel: wij zijn op ‘ontdekkingstocht’ gegaan en gedroegen ons als plunderaars. Wij hebben ‘ontdekt’ en zijn daarom bang om te worden ontdekt. Niet omdat we ervaren hoe vreemd wij zijn, maar omdat ons eigen arriveren nooit respectvol is geweest. We vrezen de komst van een kwade kracht, omdat we zelf ooit zo zijn binnengedrongen. Wij kwamen aan en ‘Amerika’ werd Amerika, ‘Brooklyn’ werd Brooklyn. Wat er daarvoor gebeurde, kon niet veel waard zijn. Het was pas iets nadat wij het als belangrijk hadden gemarkeerd. Onze aankomst stond centraal, terwijl het voortdurende bestaan van vóór het arriveren niet als belangrijk werd ervaren. 

De continuïteit van de plek die je als haven gebruikt, wordt niet in acht genomen. Wie haar eigen aankomst als begin beschouwt, eist dat er een vaststaand punt is om aan te komen en vandaan te vertrekken. Het feit dat we in het publieke debat vrezen voor het arriveren van een ander, betekent ook dat we onszelf als statisch, onveranderlijk en ‘af’ zien. Alleen wanneer je jezelf als stabiele, vaste haven ervaart, kun je het kwaad van ver zien arriveren. Het doorvoeren van een praktisch gemakkelijke verandering, zoals de kleur van Zwarte Piet, is onmogelijk: wil Sinterklaas steeds opnieuw met de stoomboot arriveren, dan moet de haven onveranderlijk zijn. Doordat de aankomst van de Sint centraal staat, moet het zijn alsof het leven in de haven stopt wanneer hij er niet is.

Wie het kwaad aanwijst, wil dat kwaad meestal ook uitdrijven. De uitdrijving van het kwaad en het markeren en herkennen van het kwaad gaan hand in hand. Het herkennen van het kwaad is onmiddellijk verbonden aan een handeling, een respons. De rol van ‘ziener’ (degene die aanwijst, classificeert, categoriseert; de toezichthouder) is verbonden aan de rol van ‘bestrijder’. Zijn advies – zie hier het kwaad! – is even verdacht als de make-upverkoper die jou lelijk noemt. 

Een probleem wordt pas erkend als probleem wanneer er bij het benoemen van het probleem ook een mogelijke oplossing wordt aangeboden (of deze nu reëel is of niet; het gaat om het bieden van een perspectief). Zo bezien is het herkennen van het kwaad de actieve, minder kwetsbare versie van angst. Het kwaad kan bestreden worden, angst niet.


Het kwaad komt eraan, het arriveert. Dat is het kwaad dat wij het beste kennen, omdat wij het arriverend kwaad zelf hebben ontworpen. 

‘Horizons’ eindigt met:


‘Then they killed us’.


De koorleden openen hun ogen en zien hoe wij naar hen luisteren.