Monoloog

‘Ha, stop er nou mee!’

Bep, 64, bewoner van de Toermalijn

Jij woont hier nog niet zo lang, hè? Ik vind het wel gezellig hoor, lui zoals jullie. Beetje leven in de brouwerij. Veel van die oudjes hebben geklaagd, die vonden het maar niks dat jullie kwamen. Moesten ze niets van weten. Zelf vind ik het allemaal best. Een en al gezelligheid. Maar eerlijk is eerlijk, ik ben pas net weer twee weken terug, hoor. Lag een poos in het ziekenhuis. Na m’n operatie moest ik zo’n twee maanden lang revalideren. Al die tijd lig je in bed en je ken geen kant op. Een hel, ik zeg het je. En nu, nu zit ik in zo’n scootmobiel met een tank achterop en een slangetje in m’n neus. Met die tank lijkt het wel alsof ik een speciaal knoppie heb, alsof ik ineens 130 kan met dat ding. 

De dokter had gezegd dat ik het een en ander mot gaan veranderen, wil ik nog wat van m’n leven maken. Maar wat mot ik nou nog van m’n leven maken? Alsof het nog veertig jaar gaat duren. Dus ja, ik mag het eigenlijk niet meer doen, maar je mot toch wat. Je ken er maar beter van genieten, want de pijp uit ga je toch wel. Mijn dochters zeggen zo vaak: ma, stop er nou mee. Maar ik trek me daar niets van aan. Heb jij een aansteker?


Die daar haar fiets op slot doet, dat is een stagiaire van de verzorging. Daar heb je er veel van rondlopen hier. Eigenlijk zijn dat altijd wel meisjes. Veel van die meiden zijn verhuisd van het dorp waar ze vandaan komen naar de stad. Daarvan heb je twee soorten. Dat ken ik weten, want ze komen vaak zat bij me langs. Je hebt meisjes die in een mum van tijd veranderen in losgeslagen feestbeesten. Die denken dat alles kan en mag in de grote stad. En je hebt het andere soort. Die komen erachter dat ze het dorp dat ze achter zich hebben gelaten toch een stuk fijner vinden. Die blijven ook niet zo lang en gaan snel weer terug naar waar ze vandaan komen. 

Zij is nieuw. Een lieverd hoor, maar die mag blij zijn dat haar hoofd aan d’r nek vastzit, anders was ze hem allang kwijtgeraakt. Ik denk dat ze snel weer teruggaat. Sst, komt ze.

Hallo meissie, kom je straks gezellig een koppie koffie doen?


Kijk, ik vind het allemaal hartstikke leuk dat jullie hier zijn komen wonen. Al die jonge jongens en meiden, al die studenten, maar er lopen er een paar rond en die mot ik niet. Die zijn van dat team. Ik zou niet weten hoe het heet, maar die regelen van alles hier. Van die flapdrollen die denken dat ze heel wat voorstellen omdat ze een titeltje hebben gekregen. 

Die daar woont, bij dat raam op de eerste verdieping, die zit dus bij dat team. Wij zaten hier lekker buiten en ­dronken een wijntje. Kwam-ie naar beneden met de vraag of het wat zachter kon. Hij moest heel vroeg op en had last van ons. Dus ik vroeg hem: wie ben jij dan? Nou, zei die, ik ben van het technisch team. Nou, zei ik hem, ik woon hier al ruim vijftien jaar en denk maar niet dat ik me ga aanpassen voor een of andere oelewapper die denkt dat-ie wel even de dienst kan uitmaken. Prima, had-ie gezegd, dan ga ik dat wel even doorgeven en horen jullie er nog wel van. Mot je vooral doen, mooie snotneus dat je er bent. Dat vond-ie niet leuk, dat ik dat zei. Ik ga hier een melding van maken, zei hij. Boos ging-ie weer naar binnen. Prima, dacht ik, als jij het spelletje zo wil spelen, dan kan ik het ook.


Vorige week dinsdag zag ik die snotneus zijn auto hier parkeren. Niet in een parkeervak, want ja, die zijn hier nooit vrij. Wat wil je met zoveel mensen en tien parkeerplekken. Nee, hij had hem neergezet op die plek, waar nu ook weer een auto staat. Mij hoor je daar niet over klagen wanneer ­iemand dat doet, maar ja het mag niet, hè. Hij gaat naar binnen en uiteindelijk komt er zo’n parkeerwachter op een ­scootertje het terrein op rijden. Die parkeerwachter ziet die auto staan, stapt af en loopt ernaartoe. Die parkeerwachter had zijn boekie al opengeslagen en wilde net een boete uitschrijven. Dat had die snotneus gezien vanuit z’n raam want daar kwam-ie hoor, naar buiten gerend. Meneer, meneer, ik sta er net vijf minuten. Ik ga hem gelijk wegzetten. En hij ging weer naar binnen. Ik denk dat-ie z’n sleutels ging halen. Nu ben je van mij, dacht ik. Ik ging naar die parkeerwachter toe en zei tegen hem: mot je eens luisteren, die kerel die net naar je toe kwam, die liegt dat-ie barst. Hij staat hier al de hele ochtend. Sterker nog, ik zie hem zo vaak zijn auto hier neerzetten. De rest van de mensen hier motten maar net het geluk hebben dat er een plekkie is, want anders motten ze de wijk in en parkeergeld betalen. Het kost klauwen met geld en die snotneus denkt dat-ie een uitzondering is op de regel. Die parkeerwachter pakte z’n boekje weer, sloeg het open en schreef alsnog een bon uit. Honderdveertig euro! Ja, denk maar niet dat je zomaar van me kan winnen. Daar mot je vroeger voor uit je bed komen.

Goed, ik ga weer naar binnen. Kom gezellig een keertje bij die oudjes zitten. Neem je een biertje mee en maken we er een leuke avond van.