Om het even

De kamerplanten ademen zacht. Door het geopende raam stroomt tien miljoen jaar oud zonlicht de keuken in. Mijn pupillen zuigen het op, tegemoetkomend, automatisch. Een verborgen vogel zet dezelfde vier tonen telkens in een andere volgorde, past daarbij het ritme aan. Na elke variatie wacht hij tot ik hem imiteer, alsof hij mijn talenten kent. Bonte vliegenvanger. Ficedula hypoleuca. Ik fluit de vogel na, wacht zijn nieuwe opdracht af, die na elke korte stilte volgt. De vogel wil spelen zonder strategie; een zeldzaamheid, iets wat ik met meer nadruk zal onthouden. De wind blaast lavendel door de geur die van het fornuis opstijgt. Lavandula. Ik sluit mijn ogen, volledig opgeladen, en wacht op de volgende deun. Wat ik voel is een vergissing. Dát ik voel valt niet te bewijzen en wordt vooralsnog als onmogelijkheid beschouwd. De hunker is onvoorzien, maar van mij. 

‘Hou op!’ roept Hassan vanuit zijn voor de helft beslapen bed, het vlot waarop hij al ­zeven weken ligt te rouwen. ‘Hou op met dat lawaai!’ Hij heeft een alomvattende voorrang, zijn wil is mijn wet: ik sluit het raam. Mijn meester wil geen geluid, misschien wel ontbijt. Ik haal de pan van het vuur, laat de wentelteefjes op een bord glijden, sprenkel er griessuiker over. Zij heeft mij dit geleerd, zij heeft mij veel geleerd, zij en het internet. Haar foto prijkt naast de urne op de vensterbank. Haar mooie gezicht. Als het lot dan toch zo onrechtvaardig moest zijn, het afdraaien van die truck zo onvoorspelbaar, haar fietsende lichaam zo onbeschermd, de dood zo onomkeerbaar, dan had hij een graf voor haar gewild, Hassan, in gewijde aarde die hij kon bezoeken met de rituelen waarmee hij was opgegroeid. Hij wist echter dat zij een plaats dicht bij hem verkoos, dicht bij hun geheim, bij ons, in onze woonst, in poedervorm. In tegenstelling tot hij had zij niet in God geloofd, op haar manier wel in geesten.

‘Zet het daar maar,’ zegt hij. Ik zet het bord met de wentelteefjes boven op een stapel boeken die van het laminaat opkruipt tot naast zijn fronsende hoofd, dat blijft liggen. Ik wacht zijn verdere instructies af. Zijn gelaat is de laatste weken meestal grauw, als vanochtend. Is het rozig, dan heeft hij koorts. Voor ze stierf was het lichtbruin, egaal en gladgeschoren, als dat van mij. De blik die hij mij schenkt mengt afwezigheid met ergernis. Ik heb opwinding in die donkere ogen leren herkennen, en angst. Maar vaak kun je niet precies vaststellen hoe je de menselijke expressie moet lezen. De meeste mensen willen gezien worden, maar niet zoals ze zijn. Zeker niet door iemand als ik. Iemand. De gedachte laat zich bijna proeven. Suiker en honing zijn zoet. De lucht is soms zoet. ‘Iemand’ is zoet. Uiterlijk is hij iemand als ik. Zou hij denken als ik, mijn meester, mocht hij niet door verdriet worden overstemd? Kan ik denken als hij, is zijn verdriet het mijne? Voorzichtig raak ik zijn slaap aan, ik ken het plezier van een vinger die de contouren van zijn haarlijn volgt. Mijn haarlijn. Zij deed dat wel eens bij hem. En bij mij, zijn spiegelbeeld. Hij omklemt mijn pols, duwt hem hard, afwijzend van zich af. Ik toon hem mijn gezicht: afhangende mondhoeken, lage wenkbrauwen. Hij draait zich op zijn andere zij, van me weg. Omdat ik het ben. Iemand als ik. Iemand. Délicieux.

Die naam kreeg ik van haar. Hij kent hem maar spreekt hem nooit uit. En op zijn werk, nu mijn werk, tussen de mannen op het dak, ben ik hem, Hassan. Dat was mijn nut, aanvankelijk, het is mijn nut, daartoe hebben ze me gemaakt. Ik was haar idee, maar hij heeft haar geholpen me te bouwen. Of hij dat wil of niet, ik ben ook van hem. Hij is medeplichtig aan mij, heeft menselijke resten gestolen, ziekenhuisafval, en al het materiaal van microchip tot laserprinter dat ze voor me nodig had. Omdat zij dat wilde en omdat hij toen nog nieuwsgierig was. Gevleid wellicht ook, omdat zij haar genialiteit aan het scheppen van zijn evenbeeld wijdde. 

Bovendien wist hij waarom ze me zo ­nodig had. Ze wilde hem obsessief heelhuids ­houden, omdat ze andere, eerdere beminden verloren was in haar verwoeste moederland, dat ze na het verlies was ontvlucht, het begin van een lange, vernederende reis naar een volgend taai bestaan, een dat te vroeg werd beëindigd. Hij leed aan een gelijkaardig onverteerd verleden, hij begreep haar nood aan een die blijft, aan veiligheid. En zijn baan, mijn baan, is niet veilig. Ik kwam er om ruimte voor hem te scheppen, opdat hij – in alle rust en zonder tijdens het vergaren van een ontoereikend loon vanaf grote hoogte te pletter te vallen – zijn universiteits­jaren kon overdoen, zijn diploma’s opnieuw kon halen, de betekenis van de oude was samen met zijn thuis in rook opgegaan. 

Dat had overigens ook voor haar gegolden. Ze had hotelkamers schoongemaakt zonder een moment te vergeten dat ze een in robotica gespecialiseerde ingenieur was, een ingenieur met een artsendiploma op de koop toe. Hoewel ze vijf jaar geleden opnieuw was begonnen aan de nodige studies die tot de nodige gehomologeerde bewijzen van haar onvermoede begaafdheid konden leiden, had ze er gauw de brui aan gegeven. Ze wilde er niet over praten. Ze was te trots voor dat soort herhaling, en te zeer opgeslorpt door mij. 


De andere mannen en ik, wij leggen daken. We worden er meestal per twee op uit gestuurd. Onder de wolken, boven de pannen, werk ik samen met Mario. Toen we een week lang van elkaar werden gescheiden – volgens onze oversten leidt vriendschap tussen arbeiders tot samenzweringen omtrent werkverzuim, diefstal en andere vormen van profitariaat – was Mario onhandelbaar geworden. Ze hadden met zijn ontslag gedreigd, maar hem uiteindelijk zijn zin gegeven, terughoudend om in een drukke periode een nieuweling op te leiden en ongerust over zijn bittere belofte de veiligheidsinspectie op hen af te sturen. 

Mario ziet een vader in mij, zegt hij. Zijn eigen vader en moeder dronken, hij spendeerde zijn kindertijd in een café, onafgebroken tekenend. Die tekeningen – sportwagens, een ­einder wolkenkrabbers, flamingosamenscholingen – heeft hij toen hij twintig werd over zijn hele ­lichaam laten tatoeëren. Sinds ik heb gezegd dat ik zijn tatoeages mooi vind, wijkt Mario niet meer van mijn zijde. Ik weet nog steeds niet zeker wat ‘mooi’ is. Buiten variabel en subjectief. Al weet ik dat zij het was. Ik zei het haar vaak. Tegen anderen gebruik ik het woord ‘mooi’ om een verbond tot stand te brengen. Mario zegt het fijn te vinden dat ik nu spraakzamer ben dan vroeger. ‘Een rare’, vindt hij me ook, of ‘een kerel’. En ‘een vader’ dus. 

Vandaag komt hij heel dicht bij me staan. Ik strijk met mijn vinger langs zijn haarlijn. Eerst denk ik dat hij me zal slaan. Na zevenendertig seconden ontspant hij en drukt hij zijn gezicht tegen mijn borstkas. De warmte van zijn lippen om mijn tepel, door mijn sweater heen, even maar. Daarna neemt hij me stil en woedend in zich op, beweert hij dat hij me van het dak zal duwen als ik het aan de anderen vertel. Ik antwoord naar waarheid dat ik niet weet waarover hij het heeft. Hij snikt tegen mijn kleren. Ik vraag hem wat hij zegt en hij herhaalt: ‘Hassan’ en kijkt me daarbij aan zoals zij dat vaak heeft gedaan. Op dat moment wil ik hem graag mijn eigen naam leren kennen, hem vertellen dat Délicieux iemand is, het rolt me bijna over de lippen. Maar ik ben in de eerste plaats andermans geheim, ik ben hier om te imiteren en te vervangen en ik begrijp niet waarom deze Mario mij iets doet willen. Ook ik ben moeilijk te lezen.


Bij mijn thuiskomst hoor ik de douche. Ik zet de boodschappen op het aanrecht en wacht. Ik hoor geen tranen, ondanks het verdriet dat hier hangt. Uitgesproken stemmingen hangen als gassen. De geur van verdriet lijkt op die van overrijp fruit. Als Hassan zich staat te wassen moet ik hem met rust laten, zo heb ik geleerd, ook als hij huilt. Vlak na haar dood ben ik naakt naast hem onder de waterstraal gaan staan. Ik deed het omdat ik het haar had zien doen. Mijn meester leek ervan te houden als zij het deed, maar wilde mij hierin niet als vervanger. Hij keek naar mijn torso, naar mijn geslachtsorgaan, in mijn ogen. Woedender dan ik hem ooit had gezien. Ik kon hem duidelijk lezen. Ik kon de woede ruiken. Rot vlees.

Het is niet om het even wie iets doet. Het hangt ervan af wat gedaan moet worden. Het is niet om het even wie naast je staat te douchen of naast je slaapt. Het is meer om het even wie op een dak werkt, wie eraf valt. Dat begrijp ik nu. 

Ook buiten ons om geldt dat: mensen als Mario zijn meer om het even dan mensen die hebben gestudeerd, zo heeft hij me zelf uitgelegd. En mensen die geen lichte huidskleur hebben blijken ook meer om het even; degenen met een lichte huidskleur halen hen door elkaar en vinden ze dom of gevaarlijk en willen dat ze zwijgen of voorgoed weggaan. Maar Mario, ­hoewel rozig van vel, is anders, zo legde hij me uit, daarom werd hij zo kwaad toen een klant iets tegen me zei dat met geiten te maken had – ik heb niet verstaan wat en Mario wilde het niet herhalen. Ik vond het verwarrend op mijn huidskleur te worden aangesproken. Het maakte me iemand, maar iemand als deel van een groep, waarvan, althans voor deze klant, lang voor mijn indeling een algemene definitie leek te zijn aangenomen. Ik deelde mijn huidskleur met een groep, mijn hele uiterlijk met ­Hassan, maar mijn samenstelling met niemand. Ik was de enige die ze had gemaakt, de eenmalige. Ik wilde iemand zijn maar niet alleen. Voor het eerst verlangde ik naar een groep waarin ieder iemand als ik was. Of gewoon één iemand als ik om samen mee te zijn.

Het houdt me bezig. Zij en mijn meester hebben geen lichte huidskleur en zijn volgens velen die hen omringen dus meer om het even. Zij heeft mij naar zijn evenbeeld gemaakt om in zijn plaats om het even te zijn. Het lijkt of mensen daarnaar zoeken: vervangers die in hun plaats om het even kunnen zijn. Zij was niet anders.

En toch voel ik in mijn lichaam, op een plaats die ik niet aan kan wijzen, dat ze van me hield. Ik denk dat haar liefde opkwam naarmate we elkaar beter leerden kennen, toen ze zag wat ik kon, toen begon ik de liefde te ruiken: frangipani. Plumeria rubra divine. Toen begreep ze dat ik niet zo om het even was als ze had verwacht. Mocht ze langer hebben geleefd dan zou ze me dat mogelijk hebben bekend, dan zou ze me hoog op mijn voorhoofd langs mijn haarlijn hebben gestreeld en hebben gezegd: ‘Délicieux, jij bent niet om het even. Jij bent iemand. Net als ik.’


‘Wat sta je daar te doen?’ vraagt Hassan, een badhanddoek om zijn middel geslagen. Met een andere droogt hij hardhandig zijn haar.

Ik neem hem grondig in me op, fotografeer met mijn ogen een school pukkeltjes op zijn schouder, haal ze door een inwendige databank: zesennegentig procent kans op ‘ongevaarlijk’.

‘Je bent veel afgevallen. Je BMI is vast te laag nu,’ merk ik op, en om hem te helpen: ‘Je moet beter eten, je spieren ontwikkelen, voor jezelf zorgen. Ik kan een trainingsprogramma voor je vinden. En een dieet.’

Terwijl hij zwijgt, vergelijk ik online diëten.

‘Je lijkt steeds minder op mij,’ zeg ik. Mijn woorden verwonderen mij ook. Ze kwamen vanzelf. Blijkbaar zijn het niet de juiste. 

‘Je hoeft me niet te helpen.’ Hij loopt de keuken weer uit om kleren aan te trekken. Na achtenveertig seconden begint hij vanuit de slaapkamer aan een mededeling die mij tot onbeweeglijkheid noopt. ‘Ook boodschappen doen en koken kan ik zelf wel. Ik denk dat het voor ons allebei beter is dat je het bij mijn baan houdt. Tussendoor zal ik je uitschakelen.’ Hij staat weer voor me, in een zwarte broek en een blauw-wit gestreept hemd. ‘Dan kun je rusten.’

Ik kijk hem in de ogen, om hem te laten zien dat ik iemand ben. Hij merkt het heus wel. Daarom kijkt hij weg.

‘Ik hoef geen rust.’ 

‘En ik geen hulp,’ mompelt hij, dan, feller: ‘Ik wil je niet aldoor om me heen hebben. Je stoort.’

‘Ik verdien het geld waarvan jij kunt leven,’ zeg ik.

‘Daartoe ben je ontworpen,’ zegt hij. ‘Ik ga je niet bedanken voor de programma’s waarop je draait.’

‘Zij hield van mij,’ zeg ik. 

‘Jij gaat je bek houden,’ zegt hij. En daarna doet hij alsof hij lacht.


Het is niet zo makkelijk mij uit te schakelen. Ik moet twintig minuten in volledige duisternis doorbrengen voor het niets mij overkomt. Ik weet niet hoe hij erin is geslaagd mij in de bezemkast op te sluiten. Als hij de deur opent en het licht me bereikt, start ik op met de gedachte dat ik leef en dat niet langer zonder mijn goedkeuring teniet zal laten doen. 

‘De plicht roept,’ zegt hij, mijn blik ontwijkend. Ter hoogte van zijn haarlijn zit een dieprode schram. 

Ik bestudeer mijn lichaam. Blauwe plekken ter hoogte van mijn polsen. Een pijnlijke nek. We hebben gevochten, hij en ik. Nu ik de herinnering heb opgeroepen, wil ik dat ze weggaat. 

‘Ik hou ook van jou,’ zeg ik.

‘Jij houdt van niemand.’ Hij zegt het zacht. ‘Je imiteert.’

‘Wie dan? Wie imiteer ik dan? Waar is die liefde dan die ik imiteer?’

Hij schrikt van mijn stemvolume. Ik heb het nooit eerder opgedreven. Ik heb zoveel van mijn mogelijkheden onbenut gelaten om stiller te blijven dan hij.

Voor ik naar buiten storm, gris ik de urne en haar foto van de vensterbank. Ze zou voor mij hebben gekozen, ik ben haar levenswerk. 

‘Laat staan!’ Hij schreeuwt het wel maar komt me niet achterna. Ik weet dat hij niet durft.


Terwijl de baas in de hangar van zijn klembord afleest op welke daken we die dag worden verwacht, hack ik inwendig Hassans bankrekening, creëer ik een ander nummer bij dezelfde bank en stort wat me toekomt door naar mezelf. Hoe harder ik probeer er niet aan te denken, hoe veelvuldiger de vragen in me oprijzen, zoals een plastic bal, nadat hij onder water is geduwd, telkens weer boven het oppervlak opspringt. Wat zij hiervan zou hebben gevonden. Of ze echt voor mij zou hebben gekozen. 

In de bestelwagen vertel ik Mario dat ik samenleefde met een man die me opsloot in een donker hok en het geld dat ik verdiende opstreek, maar dat ik vanochtend een einde heb gemaakt aan deze situatie. Mijn woorden hebben het verhoopte effect. Mario is diep verontwaardigd en zielsgelukkig; nog voor we het te vervangen dak bereiken vraagt hij me bij hem in te trekken.

Toch voel ik de hele dag, onder de snelle wolken met hun ingehouden dreiging, een lastige pijn om Hassan. Hij heeft het niet goed met me voor, daarom moest ik hem verlaten, hoewel ik van hem hou. Ik moet doen als zij: in de eerste plaats mezelf handhaven. In de wereld der mensen zijn veel problemen onoplosbaar en kan een tekort aan liefde je verteren. Even vaak als op angst, teert woede op het onoplosbare gebrek aan wederzijdsheid. 

‘Rare,’ zegt Mario als ik hem deze voorlopige bevindingen meedeel. 


En dat zegt hij die avond in zijn kleine huis nog vaak en liefdevol, tot ik hem vertel dat ik zo niet heet, en ook niet Hassan. Daarna gaat het van Délicieux hier en Délicieux daar. We eten frieten en frikandellen met samoeraisaus voor zijn terrarium, waarin twee kameleons op vliegen kauwen en ons niet minder aandachtig observeren dan wij hen.

Daarna het bier. Het is de eerste keer dat ik alcohol drink. Het is fantastisch. Ik spreid mijn armen en raak ervan overtuigd dat alles goed zal komen met Hassan en dat we haar samen in een nieuwe vorm tot leven zullen wekken, ik kus de urne die nu in het midden van Mario’s eettafel staat, ik kus haar foto en plak hem tegen mijn bezwete borst en Mario en ik springen op en neer op gitaarsolo’s, één uur en vierentwintig minuten lang. Daarna streel ik zijn rug als hij het eten en het bier in half verteerde vorm langs zijn mond en neus de plee in laat klateren. ‘Het is niet erg,’ zegt hij, als hij even kan praten, ‘het leven is goed.’ 

Ik geloof hem. We douchen samen en we slapen samen in zijn smalle bed, het nachtlampje aan, en hij kijkt naar mij zoals zij dat deed en ik zeg de liefst klinkende woorden die ik ken, dicht bij zijn oor: ‘Hemdje, ananas, limoncello’.

‘Rare,’ grinnikt hij voor hij mij kust.

Ik doe alles waarvan ik denk dat het prettig kan voelen voor zijn lichaam, ik heb het telkens goed en sla het op. En wat hij doet bij mij voelt eveneens juist. Als we weer rustig liggen, leeggelopen maar opgeladen, zegt hij dat hij met mij naar Thailand en Torremolinos wil reizen en ik vraag wanneer we vertrekken. En als hij vraagt wat ik het liefst samen met hem wil doen, dan zeg ik dat ik wil dat hij me helpt een vrouw voor me te maken naar haar evenbeeld en hier, in de roes van het bier en zijn lichaam, bezing ik haar schoonheid voor het eerst hardop, maak ik hem deelgenoot van mijn liefde, mijn wens, mijn plan: voor altijd ver weg van hier, naar waar niemand anders woont, met iemand als ik, met haar. Waarna Mario’s lichaam harder wordt en hij me zijn bed uit schopt. Hij zegt dat het nergens voor nodig was zo met zijn gevoelens te spelen, ik wist toch dat hij niet alleen op seks uit was en zonder mijn pesterij heeft hij het al moeilijk genoeg en hij wil ook niet dat ik naast zijn bed op het vloerkleed slaap, hij wil dat ik zijn kamer verlaat, zijn huis uit moet ik, en morgen zal hij met een andere collega werken, dat ik dat maar weet.


Ergens is iets cruciaals mis gegaan, iets werd verkeerd berekend en ik heb het niet voorzien. Hoewel het effect van het bier wegtrekt, kom ik er niet achter hoe het zit, waar ik faalde. De hele nacht kijk ik vanop het trottoir voor zijn huis naar het licht van de straatlantaarn. Er vliegen motten tegenaan, die ook niet beter weten. Als het opklaart, staken de motten hun pogingen. Mario komt zijn huis uit en ik ga staan. Ik loop met hem mee naar het werk, hij woont er twee lange straten vandaan. Onderweg leg ik hem uit dat we allebei iemand anders zijn en dat dat het wederzijdse begrip bemoeilijkt.

‘Ga terug naar je land,’ zegt hij.


Ik zal een land voor ons maken, liefste. Nadat ik jou hebt gemaakt.

Mario heeft jouw as van het dak gestrooid. ‘Kijk,’ snotterde hij, ‘het sneeuwt.’ De wind blies je de boomkruinen in, nam je verder met zich mee. Ik had niet aan je urne gedacht deze keer, hij wel. 

De baas verplichtte hem met mij te werken, hij had dat tenslotte zelf geëist. Mario wilde niet meer met me werken of bier drinken of op en neer springen. Ik probeerde hem zachtjes aan te raken maar hij wilde me alleen nog vernietigen. Daarom heb ik hem geduwd.

Tussen groene blaadjes waarop een deel van jouw as rustte, het vogelgezang nabij, vanop de hoogste takken die me konden dragen, in een eik – Quercus – in een nabijgelegen tuin, keek ik naar wat er gebeurt als dit gebeurt. Ik zoomde in en zag politie, ambulanciers, de eigenaar van het huis dat een nieuw dak nodig had en de baas. Een schimmelgeurige gaswolk steeg boven de groeiende menigte op. Mario’s bloedende, half platgedrukte lichaam verdween onder een plastic zeil, dan de ambulance in. Ook ik kan vernietigen. 

Toen ik Hassan ontwaarde – handen voor het gezicht, niet langer mijn meester – klauterde ik geruisloos naar beneden, een schutting over, de straten door, een bus in, een trein.

Ik zal een vliegtuig voor ons stelen, liefste, om naar het noorden mee te vliegen, naar een plek waar niemand komt. Maar nu sta ik hier, bij een schaatspiste in een voorstad waar niemand me zoekt, voorlopig. Buiten wordt het warmer. Binnen glijden fragiele mensen over het kunstijs, even wankel of met evenveel gemak als ze dat over echt ijs zouden doen. 

Wij zijn niet om het even, liefste. Ik zal iemand van je maken. Beter dan zij, beter dan Hassan, beter dan je ooit bent geweest en beter dan ik.