Dokter...

Van tijd tot tijd herinner ik me de werkkamer van de psychotherapeut die ik vier jaar lang bijna wekelijks tegenover me had. Er schieten me details te binnen – een inheems vruchtbaarheidsbeeld naast een piano; een Rothko-reproductie die me even vaak hoopvol als wanhopig stemde; de hoekige mensfiguurtjes in het tapijt, die ik naar elkaar toe probeerde te denken, terwijl ik mezelf uitlegde aan mijn geduldige gesprekspartner. 

Natuurlijk ook die doos tissues, op een glazen tafeltje. Honderden ­keren moet ik ernaar gekeken hebben bij binnenkomst en net als de ­eerste keer hebben gedacht: niet nodig, ik niet. Hoe vaak ik later in een sessie mijn tranen aan mijn mouw heb afgeveegd – niet te tellen. Het draaide daar om verzet, weet ik nu. Ik heb er veel geleerd, maar niet om gewoon een keer zo’n tissue te pakken. 

Een gek heb ik me er trouwens nooit gevoeld; wel dikwijls een cliché, en dat vond ik misschien nog wel erger. Dat verzet en cliché elkaar scheppen is nog zo’n les, maar dat begreep ik nog niet toen ik in die werkkamer zat met – om maar eens iets te noemen – een liefdesverdriet als een pantserhouwitser. 

Wat er precies allemaal gebeurd is in die kamer kan ik niet navertellen. Soms denk ik dat ik er betaald volwassen zat te worden; op andere momenten denk ik dat het absoluut onmisbaar is geweest, een soort school waar iedereen naartoe zou moeten. 

En werd ik er ‘behandeld’? Of werd ik behoed voor verdere escalatie? Misschien is het in die vier jaar allebei aan de orde geweest en was ik een gewoon mens, dat af en toe een symptoom vertoonde, een vlaag pathologie. Mijn therapeut – god bless her – was niet zo van de labels en gaf me, ook als ik bedelde om een diagnose, nooit mijn zin. 

SIGRID CALON

Was ik bij toeval bij een van haar collega’s terechtgekomen, dan had de kans bestaan dat ik er met een recept vanaf gekomen was. Dat overkwam ook de Britse journalist Johann Hari, schrijver van het nieuwe boek Verbinding verbroken. De ware oorzaken van depressie. Vanaf zijn vijftiende werden hem antidepressiva voorgeschreven met het verhaal dat zijn terugkerende episoden van angst en verdriet te wijten waren aan een serotoninetekort in zijn hersenen. 

Jarenlang was dit verhaal een troost voor Hari. De medicatie leek aanvankelijk te werken – nare bijwerkingen nam hij op de koop toe – en het was een opluchting om de precieze oorzaak van zijn aandoening te kennen. 

Het verdriet en de angst bleven echter met regelmaat terugkeren, de dosis moest steeds worden verhoogd en de wetenschap jakkerde voort tot Hari op een dag ter ore kwam dat het hele serotoninetekortverhaal een fabel is (of in ieder geval een drastische versimpeling van zaken). Het was alsof de grond onder zijn voeten werd weggeslagen, schrijft hij. De diagnose en de bijbehorende simpele verklaring op zich waren als een medicijn geweest; de pijn had een naam en werd door anderen erkend. 

Zijn eigen ervaringen vormen het opstapje voor een inmiddels bekend soort betoog tegen een al te medische of biologische opvatting van zijn ziekte. Hari is door schade en schande tot het kamp gaan behoren van hen die depressie liever zien als een grotendeels sociaal fenomeen, een symptoom van een samenleving die niet goed kan voldoen aan een aantal van de meest basale psychologische behoeften van mensen. 

Hari pleit ervoor om het idee van antidepressiva te verbreden. Van de negen oorzaken van depressie zijn er maar twee biologisch, de rest is sociaal en als de oorzaak sociaal is, denkt hij, dan is de oplossing dat ook. Op de constatering, bijvoorbeeld, dat veel depressieve mensen tot de 87% van de bevolking behoren die hun baan niet leuk vinden, volgt de conclusie dat nieuwe, minder hiërarchische manieren van werk organiseren een sociaal antidepressivum zou kunnen zijn. 

Bij verhalen als dat van Hari hoort meestal ook de implicatie dat de pathologisering van depressie op zich iets problematisch is. De zogenaamde grief exception, zoals beschreven in het psychiatrisch diagnosehandboek DSM, ‘rouw als uitzondering’, die voorschrijft dat bijna iedereen die rouwt voldoet aan de klinische criteria voor depressie, is voor Hari de wetenschappelijke erkenning dat het meer dan redelijk en begrijpelijk is dat mensen onder bepaalde omstandigheden depressief worden. Die omstandigheden beperken zich lang niet altijd tot rouw en het is onze taak om ze te doorgronden. 

Hoewel de auteur niet zegt dat mensen zouden moeten stoppen met het gebruiken van antidepressiva – een beperkte groep blijft er duidelijk baat bij hebben – lijkt zijn boodschap me in de eerste plaats toch moeilijk te verstouwen voor wie zijn aandoening als zodanig heeft geaccepteerd – als een gemene truc van je hersenen, iets wat je overkomt, een medische kwaal, botte pech. Niets waar je zelf, of de mensen om je heen, iets aan kunt doen. Een ziekte, al met al, waarvan de erkenning, de wetenschappelijke categorie alleen al verlichting brengt, omdat die je minder alleen maakt. Met de destigmatisering van geestesziekte kan die ziekte bovendien ook nog eens op een groeiende maatschappelijk begrip rekenen. 


De vraag is of het troostrijker is om aan te nemen dat je symptomen een kwestie zijn van botte biologische pech, ziek zijn, of dat er uiteindelijk meer te winnen valt met een ander model van depressie. 

Voor wie depressief is, is zo’n theoretische vraag waarschijnlijk irrelevant, al zal het antwoord wel iets zeggen over waar iemand zijn heil zoekt. Misschien is het een persoonlijke keuze, een kwestie van geloof. Voor een schrijver als ondergetekende, die er zonder diagnose vanaf is gekomen, ligt het meer voor de hand om de kant van de betekenis te kiezen en de macht te situeren bij de verhalen, niet bij de synapsen. Noem het geloof of een wereldbeeld. 

Daar hoort ook bij dat iedereen in variërende mate gek is, iets wat zich nergens zo lekker laat herkennen als in de liefde. Een mooi recent boek van de Britse psychotherapeut Frank Tallis illustreert dat. De ongeneeslijke romanticus beschrijft een aantal casestudy’s uit de praktijk van Tallis, waar mensen geregeld terechtkomen als het is misgegaan in de liefde. 

Zo behandelt hij een getrouwde vrouw, Megan, die na een narcose in een oogopslag stapelverliefd wordt op haar tandarts en er heilig van overtuigd raakt dat de man hetzelfde voelt voor haar. Zelfs als de politie is ingeschakeld om Megan bij hem vandaan te houden en de tandarts met zijn echtgenoot naar Dubai is verhuisd, zindert haar liefde door en daarmee de zekerheid dat de tandarts eigenlijk ook verliefd is op haar, maar het niet durft toe te geven. 

De wanen houden jaren aan en Tallis staat behoorlijk machteloos tegenover de marmeren mythe die zijn patiënte zich heeft aangemeten. Megan lijdt aan wat wel het syndroom van De Clérambault genoemd wordt, een psychotische ziekte, die volgens Tallis het beste te verklaren valt uit chemische verstoringen in de hersenen. 

Maar, schrijft hij ook, ‘hoe meer ik over Megan nadacht, hoe meer me de raakvlakken opvielen tussen haar zogenaamde ziekte en de gedrags- en emotionele correlaten van romantische liefde. Haar abnormaliteit was eerder kwantitatief dan kwalitatief. Ze beleefde alles wat wij meemaken wanneer we smoorverliefd zijn maar dan enorm uitvergroot. Zelfs haar waangedachten waren in zekere zin normaal, omdat de romantische liefde vaak heel irrationeel is: de coup de foudre, het toeschrijven van toevallige ontmoetingen aan het lot, oceanische gevoelens en krachtige genegenheden die tijd en ruimte kunnen ontstijgen; het is allemaal doodgewoon.’

Doodgewoon, ja. Die clichés waar ik zo bang voor was in die spreekkamer, zo blijkt ook weer uit dit verhaal, zijn de verhalen die ons verbinden, soms tot gekmakend aan toe.