Enen plus nullen

Ze zei dat ze Dennis heette. De muziek stond hard – er werd geen experimentele bliepjesmuziek gedraaid maar overbekende r&b, wat me gezien de entourage verbaasde – dus ik vroeg haar naam nog eens. Om ons heen zwiepten meisjes, mensen, hun benen in de lucht. Ik zag steeds meer blote lichaamsdelen. Wel of geen buikje. Iedereen was vóór het lichaam.

Ik had het goed verstaan, Dennis heette ze. Terwijl ze met me praatte danste ze niet, maar schoof haar hoofd op de maat van links naar rechts, alsof het niet aan haar nek vastzat. Heel erg nineties vond ik dat. Dennis had ze zelf gekozen. Haar oorspronkelijke naam paste haar niet en hoefde ik niet te weten, vond ik dat nou echt zo interessant?

Ik bracht lauwe flesjes bier uit een krat in de hoek, en nog een, en nog een. Haar ogen waren groot en blij met scherpe, schalkse hoekjes, alsof ze me voortdurend uitlachten. Dennis zei slimme dingen, leerde me hoe ik de flesjes kon openen door er twee haaks op elkaar in één hand te houden, en er dan met de hak van mijn voet tegenaan te schoppen. Het lukte niet meteen, er spoot best wat bier over de grond en over een paar behaarde ­enkels, maar na zes keer had ik het in de vingers. Dennis feliciteerde me met een omhelzing, die we die avond met steeds kortere tussenpozen zouden herhalen. Haar vrienden kwamen af en toe bij ons staan en stopten om de beurt hun tong in mijn mond. Mijn eigen vrien-den kwamen niet meer van de wc terug, wat ik altijd als goed nieuws beschouwde.

Ik kan me niet herinneren dat ik veel gezegd heb die avond. Waarschijnlijk niet, want Dennis confronteerde me pas later met mijn gewoonte lange monologen te houden. Je neemt veel ruimte in, zei ze, laat anderen ook eens aan het woord. Stilte in een conversatie is niet altijd een uitnodiging voor jou om door te praten.

Ik begreep al snel dat dit geen kritiek was. Het was een onmisbare overlevingsstrategie in de lieve, vloeibare wereld die ik niet lang daarvoor had betreden, een wereld met weinig geduld voor mannen die hun eerste, wiebelige stapjes zetten in het beoefenen van emotionele arbeid.


+


De volgende middag belde Dennis aan. Ze wilde me meenemen naar het bos. Haar haren waren nog nat van de douche, haar huid dampte van het zweet. Ik staarde naar haar shirt, haar blote navel, haar benen in witte sokken gestoken, en dacht dat ik gek werd. Mijn fiets is stuk, loog ik. Ze deed stoer. Ik kon wel bij haar achterop.

Ze kroop slechts langzaam vooruit, maar ze moest en zou zelf fietsen, ook al was ik veel zwaarder. Wiebelend op de bagagedrager schoof ik mijn handen onder haar te korte shirt en zette mijn tanden in haar rug. Het gekke was dat ze dit allemaal liet gebeuren. Ik verwachtte elk moment te worden gecorrigeerd, iets van dat ze niet alleen maar een lichaam was, maar ze liet me begaan.

Terwijl ze me langs de autoweg vervoerde, vertelde ze over haar liefdesverleden. Ze praatte hijgend en met haar gezicht in de wind. Vrachtwagens met klapperend zeil raasden voorbij. Ik kon maar met moeite de concentratie opbrengen naar haar te luisteren. Af en toe draaide ze haar hoofd in mijn richting, als ze iets belangrijks vertelde.

Ik begreep dat ze de laatste jaren vooral met vrouwen was geweest, kapotte vrouwen die haar pijn hadden gedaan. Daarvoor waren er een paar botte mannen en mensen die zich als geen van beiden lieten identificeren. Haar haren droogden pluizig op in de bries, de geur van dennenappels steeg eruit op.

Nog voor de fiets op slot stond had ik haar sportbroekje omlaag getrokken en mezelf bij haar naar binnen gewerkt. Het ging vanzelf, ze was al helemaal nat. Ze liet de fiets in de struiken vallen en greep een boom beet. Haar kont duwde ze naar achteren zodat ik dieper kon stoten, alsof ze had geraden wat ik wilde. In haar nek zwol een ader op, en ik wilde niets liever dan daar mijn tanden weer in zetten, tot de ader knapte. Die wildheid boezemde me angst in. Liefst was ik op dat moment weggerend en had ik me in een boom verstopt, mijn handen voor mijn ogen.

‘Ga nou door,’ zei ze zachtjes. Ze boog haar armen naar achteren en greep me bij mijn heupen.


+


Zelfs toen ze bij me was ingetrokken kwam ik niet achter haar echte naam. De post kwam altijd voor Dennis of D.A., en ook haar ouders hadden de correctie op hun binaire burgerfantasie geaccepteerd. Eerst vond ik het een beetje raar dat ze zo geheimzinnig over haar naam deed. Ik was haar partner, ik mocht zoiets toch wel weten? Ze hield opzettelijk een deel van zichzelf achter, zo voelde het. Dat is het juist, zei ze, die naam is niet van mij. Hij was gekozen voordat ik bestond, voordat mijn ouders wisten wie ik was.

Uiteindelijk dacht ik er nooit meer aan dat ze ooit een Charlotte, Sophie of Anne-Fleur was geweest. Alleen vreemden wezen me erop dat haar nieuwe naam bij een nieuwe wereld hoorde, een die nog niet de hegemonie had bereikt die we er zelf aan toedichtten. Wanneer ik over Dennis begon te praten namen de mensen meestal aan dat ik homo was.

Dergelijke anekdotes vertelde ik haar trouwens niet meer, het deprimeerde haar. Ze koesterde de fantasie dat iedereen even lief en vloeibaar was als wij, en even wakker. Wij zagen niet alleen dat wat er was maar ook wat eronder was, en erachter, en ervoor. En als je dat eenmaal zag, kon je niet meer terug naar de oude wereld.


+


De volgende keer dat ik de deur voor haar opendeed gaf ze me een kus op de mond. Er zat iets agressiefs in de beweging, net iets te veel druk. Ze verscheen opnieuw onaangekondigd, een gewoonte die ik met vroeger associeerde, een tijdperk vóór mobiele telefoons en appgroepen. Terwijl het feitelijk niet heel anders is, bedenk ik me nu: dat zomaar binnenvallen was de lichamelijke versie van e-mails en whatsapps. In beide gevallen ging iemand er vanuit dat ik altijd beschikbaar was. Dennis kon ik tenminste nog de ingang versperren.

Dat deed ik die dag niet. Ze liet zich met gespreide armen op mijn bed vallen en vroeg waar ik mee bezig was. Ik vertelde over de research die ik aan het doen was, mijn hoofd vol getallen, en zette groene thee. Mijn lichaam brandde. Alleen door het theezakje druk op en neer te hengelen kon ik voorkomen dat ik haar benen over het bed heen naar me toe trok tot ze de grond raakten. Die begroetingskus had iets te betekenen, hij was geen uitnodiging, maar een duw naar achteren.

‘Ik wil geen relatie,’ zei ze opeens. ‘Dit is toch geen rela?’

Ik kneep het theezakje boven de pot uit en slingerde het in de wasbak van mijn kamer. Precies in de gootsteen, in de roos.

‘Zo van, een jongen en een meisje en verder niemand,’ ging ze verder, ‘daar doe ik niet meer aan.’

‘Ik ken je net,’ zei ik, ‘we hoeven niets te definiëren. We kunnen het vormgeven zoals we zelf willen.’

Ze draaide zich op haar buik, haar benen waren een klein stukje geopend, verdorie. Van de plank achter het bed pakte ze een boek, bladerde er doorheen. ‘Gisteren was ik op een feestje en het eindigde nogal wild. Ik weet het niet meer precies, we waren met vijf mensen en tien armen en ik voelde ze overal.’

De thee was te heet om te drinken. Ik stond op en dronk koud water uit de kraan om mijn lippen te koelen. Daarna vroeg ik of het mannen of vrouwen waren.

‘Maakt dat wat uit?’

Nee. Ik was verliefd op een vrouw genaamd Dennis. Het maakte niets uit.

Ik dacht aan de persoon die vóór haar op het bed had gelegen, een klein, tenger, haarloos wezen. Hij was bijzonder onverschillig van aard, wuifde alles weg wat op moeilijkheden of obstakels leek, hm, hm, mompelde hij altijd, och, och. Hij hield krampachtig zijn gevoelens tegen en verzamelde alles tussen zijn heupen, denk ik, want zodra hij zijn kleren had uitgetrokken beten we luid schreeuwend de vellen van elkaars lijf. Terwijl ik na afloop naar het plafond staarde en de goden dankte dit ooit in mijn leven te mogen meemaken, verdween bij hem het leven uit zijn gezicht, hij knoopte het condoom dicht en stopte de lakens strakker in. Daarna draaide hij zich van me weg.

Uiteindelijk kon ik er niet meer tegen, dat stoïcijnse. Ik smeekte hem ook buiten onze coïtale worstelingen zijn gezicht in tederheid of woede te vertrekken, me iets te geven van zijn innerlijk verkeer, maar hij begreep niet waar ik het over had.

Ik maakte het uit, puur om te testen of er in zijn ooghoek enige consternatie zou plaatsvinden, wellicht resulterend in een traan, maar ik overspeelde mijn hand. De volgende week zag ik hem in een nachtclub met een Duitse kapper aan zijn zijde.

Vóór de stoïcijn – ik zag Dennis’ voorgangers nu een voor een op het bed liggen, steeds verder terug in de tijd, ieder in hun kenmerkende houding – was ik lang met hetzelfde meisje geweest. Eentje die altijd met haar armen onder haar hoofd gevouwen lag, de benen strak bij elkaar, alsof ze op een snelstromende rivier dreef. Ze maakte elke ochtend ontbijt voor me klaar en las me voor uit de krant.

Over haar niets dan goeds, ik had langzaam een hekel gekregen aan wie ik zelf geworden was. Iemand die niet meer bewoog.

Dat vertelde ik Dennis. Ze bleef door het boek bladeren, maar aan de manier waarop, zonder te lezen, zag ik dat ze luisterde. Ik plofte naast haar neer en trok het boek uit haar hand. Dennis’ voorgangers lagen nu allemaal tegelijk op het bed, uitgestrekt, opgekruld. Plots voelde ik me doodmoe van al die pogingen, de verbindingen die onverwachts losgekoppeld werden, als een tuinslang die losraakt van de sproeier.

‘Dus je snapt gewoon wat ik bedoel,’ zei ze uiteindelijk. Ik knikte met mijn wang tegen de hare. Ze lachte en vertelde over de vreselijkste momenten uit haar bestaan als helft van een heterokoppel. De ruzies om niks, de saaie diners met andere stellen waarbij de gastvrouw strak stond van prestatiedruk, seksloze weken. Ik riep hoe erg ik het herkende, en dat wij dat nooit zouden worden: een stel. Ze kuste al mijn vingertoppen. Daarna deed ik met haar benen wat ik wilde en ze is niet meer weggegaan. Een week later duwden we haar boeken over de trap omhoog, in dozen die al scheurden toen we ze het busje in tilden.


+


We gingen nog altijd naar de feestjes in donkere, vochtige ruimtes, met goedkoop bier en een aanhoudende populariteit van visnethemdjes. Dit was onze lieve, vloeibare wereld, we wilden niet meer terug. We verschenen niet altijd samen, liever gingen we met onze respectievelijke vriendengroepen, maar we negeerden elkaar daar niet. De meeste gasten vonden het best, en zelfs een beetje komisch dat ze ons ‘kwijt’ waren, zoals ze dat noemden.

Er was één bar in de stad, een safe space voor de seksuele niet-normatieveling, waar de regel was dat zoenende hetero’s eruit werden gegooid. Daar gingen we soms naartoe als we zin hadden om elkaar ondraaglijk op te geilen. We keken naar elkaar vanuit de verte, een hand op de rug van een vriend of vriendin, en keken langzaam weer weg. Zij deed haar nineties slangendans. Thuis gekomen timmerde ik op haar billen, zodat ze nog lang paars zouden blijven. Ik moest sporen op haar lichaam achterlaten.

Eens bevonden we ons in een kelder, waar een vriend van Dennis een maandelijks feest organiseerde. Dennis had hen een week eerder geholpen met stickers plakken op toiletten van kroegen. Op de stickers stond de naam van het feest met de leus ‘elke seksuele disoriëntatie welkom’. Een vrouwelijke dj met een voor de helft kaalgeschoren koppie draaide snoeiharde techno. Dragqueens dansten op een verhoging. We snoven chemische combinaties op het toilet.

Met mijn arm over haar schouder leidde ik haar door de nauwe gang, waar mensen geduldig of stuiterend in de rij stonden. We pasten helemaal niet naast elkaar maar we probeerden het toch, botsend, duwend. Ik kneep in haar vel, streelde haar gezicht dat de grootste glimlach droeg die ik ooit bij haar had gezien. Ze was zo warm, dit meisje, zo verrukkelijk warm en zacht en echt. De gedachte ooit zonder haar te moeten zijn maakte me misselijk.

Op een bank in een ruimte naast de dansvloer ploften we neer. Ik staarde voor me uit en voelde me gelukkig. Een jongen zonder shirt aan, op zijn borst een tattoo van een leeuw, lachte naar me. Ik lachte terug, hij stond op. Toen ik een blik naast me wierp, was Dennis met een roodharig meisje aan het zoenen. Een ander meisje in een kanten pakje keek toe, Dennis over de schouder aaiend. Haar gezicht verried dat ze elk moment ertussen kon duiken.

We hadden het er verder nooit meer over gehad, over hoe we ons tot anderen wilden verhouden. Ik had geen behoefte aan variatie. De afgelopen maanden waren we min of meer één en dezelfde persoon geworden, één bewegend organisme, we aten, sliepen, lazen boeken. Als ze met haar hoofd op mijn schouder in slaap viel, ademden we in hetzelfde ritme. Ik had me aan haar vastgeklampt als aan een drijvende balk op open zee. Nog een persoon erbij en we zouden zinken.

Overal krioelende lijven, ze zaten bij elkaar op schoot, twee, drie verdiepingen. Ik zag Dennis’ hoofd van achteren op en neer bewegen, haar handen streelden de heupen van het meisje. Ik werd hard, natuurlijk werd ik dat. Het meisje deed haar benen uit elkaar. Ik draaide mijn hoofd weg.

De dagen ervoor was ze steeds weer over die monologen begonnen. De hele dag met je getalletjes bezig, zei ze, met je formules, maar weet je, het leven valt niet in formules te gieten. Ze kon het niet meer aanhoren, het was de laatste keer geweest. Of ik haar ook eens vragen wilde stellen. Ik stelde nooit vragen, vond ze, wilde ik eigenlijk wel weten wat er in haar omging?

Vlak voor we naar het feest vertrokken kwam er een uitbarsting. We scholden, zij stompte het droogrek in elkaar. Het kon me geen fuck schelen wie ze was, riep ze, ik was tevreden met mijn fantasietje. Ik wilde de waarheid helemaal niet. Ze trok haar jas aan en rende de deur uit. Ik bleef achter, schreeuwend tegen de boekenkast. Een kwartier later belde ik haar op, kom nou lief, wat doe je daar buiten in het donker, in de wildernis.

Ze kwam terug. Kalm geworden opende ze de deur en zei dat het haar speet. Ik hield haar lang vast, tot de grapjes terugkeerden en ze met oogpotlood smokey eyesbij me wilde maken. Ze wilde me ook nog een rok aantrekken, maar dat ging me te ver.

Dennis had haar hand onder het jurkje van het roodharige meisje gestoken. Het kanten pakje was achter Dennis gaan staan en zoende haar in de nek. Ik stond op, zonder iets te zeggen, en sloot me aan in de rij voor de wc’s.

Dit was mijn favoriete plek. Op alle feestjes. Eigenlijk was het de achterkant van de feestjes. Ik lachte om de grapjes die de mannen voor me maakten. Iemand riep Dennis.

‘Ga maar vast,’ riep een stem direct achter me. De jongen met de leeuwentattoo.

‘Heet jij Dennis?’ vroeg ik. Hij knikte. Zijn pupillen waren zo groot dat de irissen verdwenen waren. ‘Net als mijn vriendin,’ zei ik, ‘zij heet ook Dennis.’

‘Ik weet het, we kennen elkaar. Al sinds de basisschool, toen ze nog...’

‘Ik hoef het niet te weten.’

‘Ze heeft het al over je gehad, jij bent toch dat bètamannetje?’

Ze hingen altijd bij het klimrek in het winkelcentrum, vertelde hij zonder dat ik hem iets vroeg, met een groepje oudere kinderen die hen sjekkies leerden draaien en kleding stelen. Ze pikten niets bijzonders, oversized overhemden van een paar euro, mascara, witte sportsokken, het was gewoon een manier om de tijd door te brengen. Mijn vriendin was er beter in dan hij. Ze nam altijd meer mee, maar verdeelde de buit aan het eind van de dag.

Op een dag kwam Dennis haar in een dure winkel tegen, in haar eentje. Ze werd boos. Hij begreep meteen dat ze dit al langer aan het doen was. Langzaamaan verloor Dennis haar uit het oog. Toen ze uiteindelijk werd opgepakt, was dat vanwege een leren jas van vijftienhonderd gulden. Hij had gehoord dat ze geen straf kreeg, iets met een crimineel vriendje dat haar onder druk had gezet.

‘We kwamen elkaar in die tijd al niet meer tegen. Ik zag haar pas weer toen ze opdook in de scene. En ze ineens ook Dennis heette.’ Hij rolde met zijn ogen. We drukten ons plat tegen de muur, er wilde een groep jongens langs. Het was zo vol dat ik moeite had met ademhalen. Ik sloot even mijn ogen om de paniek te onderdrukken. Toen ik ze opende stond Dennis dicht op me, ik kon de haren op zijn oorschelp tellen.

‘Dus eigenlijk ben jij het origineel,’ zei ik. ‘Het origineel van Dennis.’

Hij pakte mijn hand, kuste traag de vingertoppen. Er bleef lippenstift achter op mijn nagels. Hij zag het, lachte en veegde de hand af aan zijn spijkerbroek. Zweet drupte over de leeuw, de spieren rolden onder de huid.

Dennis zat niet meer op de bank, de meisjes waren verdwenen. Ik zag niemand die ik kende. Op hun plek zaten twee oudere mannen in gedachten verzonken, armen over de leuning gedrapeerd, benen wijd. Over hun dikke buiken hadden ze dezelfde outfit aan als ik, leren tuigjes, een zwarte korte trainingsbroek, alsof ze de spot met me dreven.

Voor de bar stonden rijen zweterige lijven, ik had geen zin me ertussen te wringen om drank voor mezelf te halen. Ik danste wild, mijn armen schoten alle kanten op terwijl ik op en neer sprong. Als de tuinslang die, plots losgeschoten, spartelend door het gras beweegt. Druppels in mijn ogen. Ik wreef het prikkende gevoel weg, tot ik zwarte vingers kreeg.

Ineens zag ik Dennis weer, ze liep met zoekende blik door de mensen. Ik zwaaide. Ze omhelsde me, haar gezicht op mijn schouder geplakt. Haar haar rook naar oude tabak, maar ik vond het lekker. Ze paste precies in mijn armen, alsof ze ervoor gemaakt was. Mensen duwden tegen ons aan, riepen dat we weg moesten, maar we bewogen niet.

‘Kom,’ zei ze uiteindelijk. Ze pakte mijn arm en nam me mee naar de garderobe. Met het plastic nummertje tikte ze op de balie tot iemand haar kwam helpen.

‘Gaat-ie?’ Ik kreeg een por in mijn buik. ‘Je lijkt wel bevroren.’

Zwijgend wandelden we naar huis. Het was stil op straat, de stad was nu van de ratten en de taxichauffeurs, en beiden besteedden geen aandacht aan ons. Dennis hield mijn hand stevig vast. Ik was zo high dat ik dubbel zag.

Thuis pakte ze een watje, deed er iets uit een flesje op en veegde zachtjes mijn gezicht schoon. Ik hield mijn ogen gesloten, maar voelde hoe dicht haar gezicht bij de mijne was. Ze stond op haar tenen en wankelde een beetje. Ik ook. Daarna kleedden we ons uit en gooiden alle kleren in de wasmand. Naakt lagen we naast elkaar. Dennis viel vrijwel meteen in slaap.

De eerste vogels meldden zich en ik dacht aan hoe in de wiskunde een afgeleide wordt uitgedrukt. Met een accent. Naast me lag dus eigenlijk Dennis´. De glow-in-the-darksterren op het plafond begonnen uit te doven. Vier sterren werden er twee.

Dennis´. Niet te verwarren met ‘, een apostrof, wat in de taalkunde betekent dat er iets op volgt wat van haar is, wat bij haar hoort. Dennis’ man. Dennis is niet iemand met een apostrof. Dennis’ mannen vroegen je te stelen, Dennis’ mannen wilden dat je offers bracht. Mijn Dennis´ is een afgeleide, haar weefsel is nieuw.

Dat was het moment waarop ik mijn naam bedacht. Ik schoof naar Dennis´ toe, ging op haar liggen, en beet in haar nek tot ze wakker werd. Ik moest het haar vertellen. Alles.