Kunstenaarsbijdrage


Eind jaren zestig had ik een fotocamera, wat toen vrij uitzonderlijk was voor een vijf­jarige. Met één rolletje kon je tien foto’s maken en ik koos mijn momenten zorgvuldig. Opa. Oma. Jumbojet bij een bezoekje aan Schiphol. Als ik met mijn moeder de negatieven na dagen wachten bij de dorpsfotograaf kon ophalen, was doorgaans het merendeel te veel bewogen om af te drukken. 

Uiteindelijk zijn er ongeveer vijftien foto’s ­bewaard gebleven. De blik op kindhoogte zag ik lange tijd als bewijs dat mijn kunstenaarschap er al vroeg in zat. En hoe vaker verteld, hoe sterker de anekdote. Het jeugdige foto­graferen raakte steeds verder losgeweekt uit het leven waarin het had plaatsgevonden.

Toeval heeft die zelfuitvergroting afgeremd. Mijn moeder was aan het eind van haar ­leven drastisch aan het opruimen en vroeg me door de oude dia’s van mijn vader heen te gaan. Steekproefgewijs controleerde ik de inhoud van zo’n twintig sleetjes dia’s en stond op het punt ze weg te gooien, toen ik de vergeten setting tegen het licht hield.

Tante Greet poseert. Moeder kijkt mee met wat ik zie. Sinds zij dood is voel ik haar achter me staan, precies zo over me heen gebogen.

Vader heeft mijn moment van ­fotograferen met zijn camera vastgelegd. Op de ene foto zie je hoe een kind door de zoeker buiten zijn ­milieu kijkt, klaar om sociaal te stijgen naar kringen van artistieke adel. Op de andere zie je dat kind centraal in de belangstelling staan, op ­klompen, geworteld in familie – in het landschap van mijn latere heimwee.


Openbaring van het talent op jonge leeftijd. Van de vele gemeenplaatsen in de kunst houdt deze mij met beide benen op de grond, met dank aan mijn vader.