Montavoix

De ultieme publieke ruimte is een vrije ruimte, een existentiële ruimte, een ruimte waar je jezelf kan realiseren. De Belgische architect Wim Cuyvers probeert die te scheppen in de bossen van de Jura.

Ik luister naar de wegbeschrijving en laat de huurwagen achter bij het metalen bruggetje. ‘Vervolgens loop je langs de rivier omhoog, na honderd meter kom je aan bij een splitsing, je slaat links af (het gaat van hieraf bergop en dat is voor de volle duur van de wandeling), je blijft de keien­weg volgen, ook door een wei, tot je bij een bocht komt die 90 graden naar rechts het bos in draait, na een tijdje loop je onder een hoogspanningsleiding door, blijven gaan tot je bij het huis uitkomt.’

Het huis is een heropgebouwde boerenwoning met slechts drie kleine ramen. Aan de zuidkant zit een houten voordeur naast het keukenraam. De keuken is voorzien van een fornuis op hout, een kleine voorraadplaats en een grote stapel brandhout. Water wordt in bidons bij een bronnetje gehaald. Er is geen riolering voor de twee emmertoiletten. Aanpalend ligt de eetkamer met een kachel en een lange houten tafel. Een porseleinen schenkkan voor netelthee. Een schaal appels en een kom met gevonden veren, pluimen, stenen. Een verrekijker naast drie determinatieboeken voor vogels, bomen, paddenstoelen. De esthetiek van duurzame soberte.

In de werkplaats neem ik de trap naar de zolder waar plaats is voor 12 slaapzakken op een rijtje. Ik rol mijn matje uit tussen Jan en Ali, wat verderop ligt Bo. Vier coconnetjes op een zolder. Ik heb onderdak gevonden in een refuge, een schuilhut zoals er wel meer zijn in de onverbiddelijke bergen van de Franse Jura. De hut staat op een richel van de bergflank, en kijkt uit op de vallei waar de rivier moet liggen. Aan de overzijde vermoed ik een dorp, maar echt zeker ben ik pas wanneer in de avond een voor een de raampjes oplichten.

Het eenvoudige huis is het hart van Montavoix, een 27 hectare groot domein van de Belgische architect Wim Cuyvers (°1958). Cuyvers bleef na zijn studie architectuur in Gent architectuuropdrachten en wedstrijddeelnames combineren met studiewerk en lesopdrachten bij academies in Tilburg, Eindhoven en Gent. Tot 2008 was hij als adviserend onderzoeker verbonden aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht. In de loop der jaren verkende hij ook de terreinen van de literatuur en de beeldende kunst, om zijn levenslange onderzoek verder te zetten naar de wezenskenmerken van informele publieke ruimtes. 

Met het geld van de Vlaamse Cultuurprijs kocht Cuyvers in 2009 Montavoix, waarna hij zijn bureau opdoekte. De architect die voornamelijk huizen, kinderdagverblijven en scholen ontwierp, zou zich voortaan bezighouden met de architectuur van zijn eigen hoogstpersoonlijke stukje publieke ruimte. Hij wiedde bomen zodat het bos zuurstof kreeg. ‘Bebossing is een groot probleem in de Jura. Jaarlijks komt er 200 hectare naaldbomen bij. Ooit aangeplant door werkloze boeren die er een pensioen van brandhout in zochten terwijl ze de fabrieken in trokken.’ 

Cuyvers heeft het landschap hertekend en zichtlijnen gesneden, kijkkaders gemaakt

Sinds hij de sparren kapte, krijgt het beuken­bos vrij spel. Op de bodem groeit weer wilde daslook, een eenzame orchidee richt zich op in de opengewerkte weide. De wilde kerselaar, een vergeten appelboom en een notelaar krijgen opnieuw een gezicht. Verder veel buxussen die, hoewel ze symbool staan voor het eeuwige leven, op sterven liggen, aangetast door twee soorten champignons en een schimmel. 

Cuyvers heeft het landschap hertekend en zichtlijnen gesneden, kijkkaders gemaakt. Iedereen fotografeert de waterval vanuit een welbepaalde hoek, zegt de architect, omdat hij een boom heeft omgelegd en onze blik dwingt in de richting die hij wil. Ook ik kiek de 50 meter hoge waterval. Een smal stroompje dat heen en weer zwiept in de wind. 

Wie zich schuilhoudt in het woud, wordt door Cuyvers als forestiero aangeduid. Ontleend aan de filosoof Agamben die het begrip hanteerde voor ‘vluchteling, vreemdeling’. Iedereen mag hier aanspoelen om zijn handen vuil te maken, zoals Bo die zoekende is, en Ali, een minderjarige die hier drie maanden aan het dak van het tweede huis komt werken. Sportkousen hoog opgetrokken in vuile laarzen, het Gucci-tasje over zijn schouder geholsterd. Hij kan meer wiet­variaties opsommen dan buurlanden van Frankrijk. Jonge gedetineerden zijn de bewakers van Montavoix, de berg met een stem.


Op een drafje loop ik in het spoor van een tredzekere Cuyvers. Hij draagt een trekrugzak vol werktuig. Door het bos af te stoffen, bladeren weg te harken met Ali verschijnen de paadjes die eeuwen geleden werden gebruikt om goederen tussen boerderijen uit te wisselen. Paadjes zijn de nerven van het bos. Montavoix is volledig omgord door een bospad dat de historische grens aanduidt. Het duurt acht uur om rond het domein te lopen. 

Bovendien worden de paadjes gedeeld met dieren, of delen dieren ze met mensen. Een kudde everzwijnen slaapt op de bosweg hoger­op, tussen de met mos bebaarde bomen. Drie dagen geleden lag onder de hoogspannings­kabel nog de stront van een lynx. De worst komt in vijf tot zes stukken en heeft telkens een stompe kant en een staartje waar de lynx afkneep. De afgelopen jaren stond Cuyvers twaalf keer oog in oog met de kat die een ree per week vreet. Vanavond serveert Wim zoals altijd vegetarisch: artisjokken, polenta, gele spliterwten, linzen. 

’s Ochtends was ik mijn gezicht bij de regenton. Het erf ligt bezaaid met dode muizen vol blauwe plekken in hun vacht, glinsterend van de dauw. Een generatie van incest, zegt de ontbijttafel. Om de vijf à zeven jaar valt een hele familie dood. ‘Konijnen neuken ook te veel in de familie,’ beweert Bo. ‘Hun koppen exploderen uiteindelijk van de builen.’ De natuur is meer dood dan leven. Er worden paddenstoelen vergeleken in een boek; lekkere cantharellen of hanenkammen en peperdure morieljes versus drie giftige exemplaren. 

Maar de architect heeft de grond niet gekocht om champignons te kweken. Volgens Wim Cuyvers is dit geen terugkeer naar de natuur, geen kluizenaarschap, Montavoix is de praxis in een levenslange zoektocht naar publieke ruimte. Jarenlang bracht hij gekwetste steden als Sarajevo, Belgrado, Boekarest in kaart door middel van mapping. In steden die zichzelf herstelden na verwoesting en aanslagen, ontstonden vaak ruimtes los van officiële structuren.

Maar meer en meer zag hij in dat de vrije, ongecontroleerde ruimte wereldwijd bedreigd wordt door onder meer digitalisering. Iedereen heeft een camera op zak. Montavoix is een schuilplaats, een toevluchtsoord, om te ontsnappen aan macht en controle. Het begon met een solotentoonstelling in 1995 in de Antwerpse De Singel waar hij de beelden van de camerabewaking live vertoonde op de televisietoestellen in de wandelgangen. Als regisseur van de publieke ruimte weet hij welke macht de architect in handen heeft. 

Met een groep studenten inventariseerde hij ooit ontmoetingsplaatsen voor homoseksuelen langs de autosnelweg. Op die manier destilleerde hij een aantal ruimtelijke parameters die bepalen of een plek uitnodigend genoeg is om je broek te laten zakken. Eén parking was echter te verlicht. Met een katapult schoot hij twee straatlantaarns dood. Een minimale ingreep die ervoor zorgde dat het weken later wemelde van de gretige mannen en vrouwen. 

Omdat we nood hebben aan maatschappelijke overtredingen om onszelf te leren kennen (kinderen die een vuurtje willen stoken, seksuele contacten, drugs), zoeken we naar de economisch waardeloze, niet-gecontroleerde publieke ruimte die dienstdoet als een donker hoekje. Cuyvers erkent die verlangens en tracht de ideale omstandigheden te creëren. Zo probeert hij met Montavoix een existentiële ruimte te scheppen: ‘de ruimte die men zoekt om in het extatische moment van overtreding zichzelf te realiseren. Een existentiële ruimte daagt de bezoeker uit met vragen die voor confrontatie en concentratie zorgen. 

De publieke ruimte is een plek om je te verbergen. 

De publieke ruimte is de ruimte van het ‘zijn’, vol verspilling en gekken. 

De publieke ruimte ligt vol met beduimelde pornoblaadjes en peukjes. 

De publieke ruimte ruikt naar urine. 

Een darkroom is een stukje publieke ruimte waar je entreegeld betaalt om een zwarte vlek te zijn. De publieke ruimte van Montavoix is gratis, en de zon gaat afwisselend aan en uit.

Een puntsgewijze definitie van de publieke ruimte groeit aan op de website van Montavoix1.

Een jongen uit de nabijgelegen stad Saint-Claude heeft met graffiti een rots beklad en het dorp is boos op hem. Cuyvers vindt het fantastisch. Het zijn de jongeren, de kwetsbaren, de zigeuners, degene die geen geprivatiseerde ruimte hebben, die volgens hem de weg wijzen naar de publieke ruimte. Cuyvers heeft een zwak voor daklozen met wie hij ooit een intensief project op de berg organiseerde. Maar ik vraag me af welke vluchteling op eigen houtje de weg naar Montavoix vindt. Veel migranten zoeken vandaag een doortocht in de Alpen ter hoogte van Turijn, zo’n 250 kilometer verderop. Zonder ervaring en op sportschoenen door de sneeuw leidt dat niet zelden tot amputatie of erger. Staande op het bospad krijg ik alleen bezoek van de muizen en slijmende slakken. Een eekhoorn en een boomklever dagen me uit om net als zij loodrecht langs de stam naar boven te lopen. 

De slaapkamer van Wim Cuyvers is private ruimte binnen de publieke ruimte van Montavoix

Ik klim geen bomen in, maar volg het slingerende paadje naar boven, naar de top van de berg Cirque Des Foules, het Circus van de Menigte op 1099 meter, maar er valt geen mens te bespeuren. Het is 1 mei 2017 en de sneeuw is op deze hoogte een laatste uitval van de winter. Het wit lijnt de bomen haarscherp af. In de bergflank zijn tredes gehakt en touwen bevestigd. Halverwege mijn tocht spurten drie gemzen in ijltempo tussen de bomen naar boven. Later zie ik een kudde van dertig reeën halsoverkop naar beneden vluchten. In hun kuiten stuiteren sneeuwballen mee. Eenmaal boven aan de rotswand trippelt een das humeurig naar zijn burcht. In de sneeuw lichtgele sporen van onbekende urine. Een drukte van grote dieren. Bij helder weer zou ik Genève zien liggen. Begin 2017 stierf schrijver John Berger een paar bergen verder. 


Opeens is de combinatie van optrekkende mist een kartonnen doos die zich rond mij dichtvouwt. Het pad zit opgesloten in de sneeuw en ik weet niet waar ik naartoe moet. Wanneer ik rond mijn eigen as draai, verlies ik elk gevoel van richting. Voor het eerst heb ik het gevoel dat een ruimte mij kan verslinden. Ik sta in een totaal witte kamer waarvan ik hoop dat zo meteen een deur zal opengaan, de gordijnen worden opengetrokken, en er zal zich een nieuwe wereld aan mij tonen, een universum waarin alles nog mogelijk is. En inderdaad, een flard mist knispert dood in een hoogspanningskabel en de lucht wordt klaar. De bomen komen weer tot leven en ik ruik plots de correcte weg: hij lag al die tijd recht voor mijn neus. Tot boven mijn enkels in de sneeuw, struikel ik naar beneden en weer naar boven, een volgende krijt­rots op. 

De lynx en ik zijn passanten in het bos dat Wim Cuyvers heeft ingericht als een publieke ruimte. Wanneer ik mijn natte schoenen uittrek en over de drempel van de refuge stap in de warmte van de keuken, formuleer ik mijn bezwaren tegenover de omheiningen rond het domein die dienen om de twee grazende paarden op hun plaats te houden. Cuyvers zegt immers zelf: ‘Diegene die ruimte privatiseert heeft die ruimte verworven, hij heeft haar gekocht, of geërfd, heeft haar in beslag genomen of bezet. Hij wordt beschermd door wetten, gewoontes en macht.’

Cuyvers wuift mijn bemerkingen weg. Er is geen enkele Fransman die zich door een hek laat tegenhouden. Vanochtend ontmoette hij nog enkele paddenstoelenplukkers. Mijn lichaam is nat karton, mijn lijfgeur vochtige grond. De hut sombert in het oranje avondlicht. ‘Morgen regen,’ leest hij de lucht. ‘Of sneeuw.’

Hoewel Cuyvers nadrukkelijk zijn eigendom openstelt voor de vreemdeling, en Montavoix een open ruimte wil zijn waarin men zichzelf kan organiseren, voelt de refuge bij momenten aan als een geprivatiseerde ruimte. Niet in het minst omdat Cuyvers zelf nadrukkelijk als een kordate huisbewaarder optreedt die ons niet aan het keukenfornuis laat komen, niemand mag de kachels aansteken uit schrik voor brandgevaar, en alleen hij bedient de sleutel aangezien de schuilhut het statuut heeft van een refuge de passage gardé. Dat moet volgens de Franse wet. 

Wim Cuyvers is de conciërge van deze bewaakte ruimte, en de burgemeester van het bos kan zich terugtrekken in een apart gelegen slaapkamertje. De slaapkamer van Wim Cuyvers is private ruimte binnen de publieke ruimte van Montavoix. 

Maar ik heb bewondering voor de radicale ideeën van Cuyvers, en ook ik vind in Montavoix een plaats voor mijn verlangen naar afzondering. Vergeet de romantiek van de wildernis, want Montavoix is een gecultiveerd stuk natuur. Ik vraag me af of deze tuin enkel tot leven komt wanneer Cuyvers zich binnen de grenzen beweegt. Cuyvers heeft nog een huis en een gezin vijftig kilometer verderop, hoe gedraagt het hof zich als de tuinman naar huis is gekeerd?


Ik daal met een handdoek af langs een glibberig pad door de paardenwei en een bos vol kreupelhout. Dit is een paadje om de wandelaar tot bij de rivier en de waterval te brengen. Montavoix is gemaakt van gewoontes, handelingen en rituelen die maken dat de passant zichzelf kan uitgommen in dit landschap en zich volledig ten dienst kan stellen van het werk en zich ten slotte uitsluitend kan bezighouden met het ware denken. 

Ik vraag me af welke vluchteling op eigen houtje
de weg naar Montavoix vindt

In de minimalistische architectuur vind je geen schilderijen of boeken om het denken richting te geven. Cuyvers heeft in zijn leven genoeg gelezen en was op een bepaald moment teleurgesteld in de fictie2 – ik mag hem niet vergeten te vragen waarom. En of er ooit is ingebroken bij hem. En of er niet stiekem ergens een webcam hangt, zelfs maar een kleintje. Thuis zal ik op de satellietkaart van Google inzoomen op twee vlekjes in het donkere bos tussen La Main Morte en Vaucluse. Ik zie ook de grijswitte flanken waarin Cuyvers aan speleologie doet. Hij daalt nog geregeld af in de kalkstenen schachten die glad glimmen van het vocht, maar met duiken is hij gestopt. In een onderwatergrot in een meer in de Belgische Ardennen liep het twintig jaar geleden fout met een luchtbel. Cuyvers lag een tijdlang dood op de waterkant. Zijn duikcompagnon takelde hem met zijn voeten omhoog een boom in opdat al het mos en rivierwater uit zijn longen liep.

Wanneer ik aan de publieke ruimte denk, overvalt mij schaamte over de dingen die ik daar deed; eerst was er het speelpleintje om de hoek waar ik als kind luciferdoosjes tot een vuurpiramide stapelde, tot mijn vingers naar zwavel roken, en later zou ik mijn eerste grote liefde overtuigen om voor een laatste keer te vrijen, boven op de overwoekerde ruïne van het oude fort, als twee hondjes op een veel te kleine jas op de veel te grote grond, in een wolk van weeïge paddenstoelengeur, terwijl we op het onzichtbare pad beneden buurmannen en buurvrouwen voorbij hoorden wandelen, en toen wij ons in de publieke ruimte op de meest geheimzinnige manier zaten te vermaken, dacht ik aan de prikkeldraad rond de paardenwei waar wij voor het eerst en gloeiend heet tegen elkaar aan schoven, brand stichtend in elkaars slipjes.

In de publieke ruimte wil ik een niemand zijn. De berg is een plek om te ontsnappen aan mezelf.

Ik trek mijn kleren uit en leg ze op mijn opengespreide regenjas in de graskant. De waterval heet Cascade De La Queue De Cheval en dat klopt. De waterval is aangevuld met smeltwater en regen en een volle, kwispelende paardenstaart geworden. De waterval is het achterste van een bulderend beest. Ik neem een ijskoud bad totdat mijn lichaam is uitgeschakeld.

1. W. Cuyvers, Publieke ruimte (12.2009); http://montavoix.blogspot.be/2009/12/publieke-ruimte.html (toegang 15.05.2018).


2. W. Cuyvers, Van de droom van de versteende roman naar de acceptatie van de publieke ruimte. In: Architectuur & Literatuur. Bespiegelingen/verbeelding, OASE 70 (2006) 25