Nieuw weer

L’intrusion du type de transcendance que je nomme Gaïa fait exister au sein de nos vies une inconnue majeure, et qui est là pour rester.


– Isabelle Stengers – Au temps des catastrophes. Résister à la barbarie qui vient


Wolken verslikken zich in elkaar, wild
lichtspel grijpt in de lucht, grijs is 
een grijs dat steeds grijs moet worden,
heerlijk vreedzaam ondergangsweer. 
Kan ik meer dan activisme met voors 
en tegens vertwijfelen, lig ik soft op 
ramkoers? Het voelt of ik tegelijkertijd 
twee paden volg. In de hoop dat het ene pad
naar het andere leidt, oefen ik mijn spagaat. 


Het is donkerder geworden, geloof ik.
Ik kan me voorstellen dat het tableau
van wolken, verkleuringen, af- of toename
van kleurintensiteit koopgedrag stuurt.
Later weet ik dat het is begonnen te regenen
maar zie er niets van als ik naar buiten staar.
Seizoenen vloeien over de kalender uit. 
Het weer heeft zijn onschuld verloren
maar als het je hindert noch geluk brengt
is het een loze factor, argument zonder
betoog, een gegeven dat wegzinkt in je
geheugen. Mijn lach lijkt verkeerd getimed.


Wanneer heb ik me versproken? Ik kijk naar 
een stil luchtarrangement, mooie vergissing.
Het weer ’s nachts is geen onderwerp, minder
gevoelig voor minima vergeet je gauw genoeg
je vertrekpunt, einddoel blijft een voorverwarmd 
bed! Geniet de ijzerblauwe wolken, maanlicht
dat vingerdik wordt uitgesmeerd. Ik ben moe
zoals na een lange vakantie: vermoeidheid
waarvoor rust ontoereikend is. Biedt opstand
soelaas? Vannacht is de zon dichterbij dan ooit.


Bootjes met Gooise r blokkeren om kwart voor vier 
onbekommerd het strandje. Het meer is gevuld
met zwemwater. Een drone snort, blijft hangen.
Zelfs de grilligheid van het weer is onvoorspelbaar
geworden. Als stapelwolken aantreden volgt het nieuws 
met orkaankracht, naamloze drenkelingen spoelen
er hun wel en wee. Koolresten van verleden barbecues
spikkelen het zand. Je recreëert met brok in je keel.
Online houden twee witte jongens hun permavlog bij.
Een koelbox puilt uit van grillvlees, vlees eten is 
zwichten voor het mes. De drone trilt. Luchtspiegeling.


De hoosbui hoekt zich in je weerbeeld.
Het nieuwe weer komt, wat het ook brengt
(extinctie). Wie het nieuwe vreest, blijft 
toch niet bij het oude. Een zak wolken tovert 
nieuwe wolkenzakken los, weggeblazen.
Onvermijdelijk ronkt het vliegtuig boven
mijn studeerkamer, met de hoofdschuddende
treurwilg voor mijn raam. Tijdelijk grijs
bewegen wolken andere wolken in, massief
luchtig boven groene pluimen. Roerloos
wuiven ze, in afwachting van het najaar,
de herziene winter: een levenlang records.


Ook het weer elders is avondvullende 
afleiding, orkaan met nom de guerre Irma
van nieuwste categorie, alles wordt klein
en intriest, met voertuigen als strooigoed
en een arme kneus die de verslaggever 
zijn reactie stamelt voor de vertrekhal.
Na het liveverslag weet je niets meer
dan kracht en koers, blind als het oog
op satellietbeeld. Richt je op en zucht 
om eigen wolk, najaarsbui, opklaring.
Spektakel evacueert empathie, warm 
geconsumeerde oceanen houden je wakker.
Voor de buis denk je, de vervuiler betaalt
en gauw genoeg leert hij waarvoor.


Vanochtend schrok ik van de mist, vooruit
wadend, vooruit! Op de tast in de buitenlucht 
met zijn metalige nevelgeur, de waarheid
van neergedaalde wolken: met open ogen
verblind zijn, haarscherp niets meer zien.
Wie weet zich tot mistganger geïncarneerd?
Stap voor stap ontdekte ik mijn grijze woestenij. 
Ik was alleen met de vraag hoe je een voet 
voor zijn val behoedt, de val die uit de voet
geboren wordt. Wat de val brengt is bekend:
besef van blindheid dat tot inzicht leidt. 


Ook buiten wordt het klimaat er niet reëler op.
Waterkoud is de fietstunnel in december.
Op weg naar de supermarkt kleum je voor
gezoete sojamelk en seizoensfruit in de bonus. 
Het meeste weer is doorgaans normaal, ander
weer verdwijnt. Kijk, het sneeuwt bijna niet. 
Ik ga voorspelbare toekomsten in, als de mist
opklaart komt er geen nota van weersexcessen.
Mooi is de rijp, vliesdun verschijnt natuurijs.
Verzet kiemt voor de oplossing zich openbaart.
Een bekering van jewelste wil ik aangediend.
Als je het nog niet snapt, heb ik hier een slogan
om je in te prenten: elders is het nieuwe hier! 


Voor hij begint is de winter steeds eerder weg.
Valt de sneeuw toch, dan niet gerustgesteld. 
Ik zie er mijn ongelijk ook niet in, elke vlok
is er in de toekomst een te weinig. Komt een
lijnvliegtuig overvliegen, elke vijf minuten. 
Ben ik ermee gestopt zijn geruis op te merken
of schrikt mijn gehoor soms nog op, uit zijn
sluimer gerukt? De sneeuw valt weer als altijd
maar het lijkt of hij elders valt, op een andere plek
en oneigenlijk moment. Wat klopt er nog aan?
Waar ik sta met de ene vlok na de andere smeltend 
in mijn handpalm, ijsschilfers op mijn wangen,
sta ik verkeerd, alsof ik zonder afspraak wacht
op een afspraak, en die afspraak toch doorgaat.


Er is ruimte genoeg onder het royale groen
van de treurwilg, voor de grilligheid van kauwtjes
hun manoeuvres, schichtend onder de gestaag
overwaaiende vochtvlekken laag in de hemel
propvol wolken van spuitverf, op uitsmering
belust waait de wind, drijft zich op als een balk
van lucht en blijft het weer in zijn alledaagsheid 
oppermacht, ongekend wisselvallig voltrekt 
het zich blijvend, de wit verwaterde luchtinkt 
is zo obscuur dat je knieën naar knikken neigen
om al het mogelijke dat vanzelf weet te spreken,
zich niet peilen laat, onnavolgbaar plaatsgrijpt.