Tenen en klauwen

Het is net licht en kil, er hangt een ijskoude mist boven het olieachtig zwarte water van de gracht. De scheepsknecht op de kaag van het beurtveer naar Haarlem heeft wanten aan. De arm waarmee hij afduwt met de bootshaak beweegt rustig maar met een fel zetje op exact het goede moment om de kracht van de duw goed te laten samenvallen met het terugtrekken van de ijzeren punt uit het hout van de meerpaal waarlangs de schuit lag. Alles beweegt loom en langzaam, het water nauwelijks hoorbaar slissend langs de boeg op de windstille winterochtend.

Verderop langs de marktkade arriveert een korenlichter, twee schippers op voor- en achtersteven houden de graanschuit af, leunend onder een scherpe hoek met hun volle gewicht op de lange stokken van hun boothaken. Een schorre stem roept vanaf de kant, landvasten zwiepen door de lucht.

Later die dag, rond het middaguur, als het is opgeklaard en de zon de knopen, de gespen en de epauletten van de officieren en thesauriers aan boord van het statenjacht doet schitteren, is er genoeg wind om de hoge heren vanuit hun buiten in Ouderkerk over de Amstel naar de stad te zeilen. Ze zitten in hun wollen jassen in de kajuit en nemen alvast de werkdag op het stadhuis door. Ze knijpen de ogen halfdicht als ze over het water kijken, zoveel zon, zoveel blinkend water, zo helderwit zijn de wolken. Op de boorden en de achterplecht staan de drie bedienden in uniform, verveelde gezichten onder vilten mutsen, hun rode handschoenen om de keurig rechtop gehouden boothaken. De winterzon vangt het nog nieuwe ijzer van de haken.

De trekschuit uit Leiden meert aan. De droge klap waarmee de boothaken in de balken van de steiger slaan. Het paard briest als de jaagjongen een emmer water voor hem neerzet.

Eeuwen gingen er voorbij. In een stoet boomden de schippers elegante tuindersvletten naar de markt met groente en fruit. Een dozijn smakken voor de kustvaart naar Hamburg en Antwerpen deinden aan hun trossen in het IJ. Vanaf zijrivieren van de Rijn gleden de loerdennen de stad in, lange rechte platbodems beladen met Elzas­ser wijn die bij aankomst helemaal werden ontmanteld omdat hun balken als bouwmateriaal dienden voor de groeiende stad. En overal waar schuiten, tjalken, snauwen, hobbelschuiten, potschepen, vletten of steigerschepen aanmeerden of vertrokken waren er armen die kracht zetten op stokken met een bootshaak. Trekkend en duwend. Een ijzeren schacht die met spijkers om het hout bevestigd was, een enkele centimeters lange spies en een lange gebogen haak met punt, die in meerpalen en kadewanden of andere schuiten geslagen kon worden. Ze waren er ten tijde van de stichting van de stad ergens in het begin van de dertiende eeuw, en nog altijd, anno 2018, gebruiken watersporters en beroepsschippers bootshaken.


In het boek Spul waar de vondsten die gedaan zijn door de stadsarcheologen bij de aanleg van de Noord/Zuidlijn te zien zijn, staan er tientallen op een rij. Wat ik spies zou noemen blijkt teen te heten en wat ik dacht dat een haak was blijkt een klauw te zijn. Er zijn rechte, terugwijkende en getordeerde of geknikte tenen, gewone en breed uitgesmede klauwen, die weer gewoon of uitstaand kunnen zijn, korte en lange schachthuizen, met een verbrede of een hartvormige bevestigingstrip.

Al die praktische kennis van smeden, varen en aanmeren, al die precieze woorden en namen, roepen een laag in de geschiedenis op die weinig ruimte in de geschiedschrijving heeft gekregen. Aan het gebruik van de bootshaken werden weinig woorden besteed, vermoed ik. Niet in de dertiende eeuw, toen de oudste bootshaken in de plomp vielen en wegzonken in de blubber, maar ook niet in de Gouden Eeuw of tien jaar geleden. De schippers gebruikten de stokken met de bootshaken en vloekten als de stok brak en de haak in het brakke water wegzakte. Misschien dat ze zich zorgen maakten over de kosten van de aanschaf van nieuwe. Maar verder gingen er weinig gedachten naar al die honderdduizenden scheepshaken die in gebruik waren in de loop der eeuwen. De bootshaak is infra-aanwezig geweest al die eeuwen: tussen alles en iedereen in, in duizenden handen, maar zonder lang bekeken of besproken te worden. In Spul zien we de bootshaak tussen de zwaarden, flessen, kruiken, munten, motoronderdelen en mobiele telefoons. Die gelijkwaardige aandacht in het boek is onthullend en projecteert in mijn breincinema de handelingen, de krachtige bewegingen van armen, handen en ruggen die al een slordige zeven eeuwen hier langs de rivier, in sloten en grachten gemaakt worden, met zo'n stok en zo'n haak.

Het ontwerp van de bootshaak is, met wat varianten tussen 1600 en 1900 nu al meer dan zevenhonderd jaar opvallend constant. Het metaal is soms van een andere samenstelling in de eenentwintigste eeuw, maar de bootshaak die je vandaag online bestelt en voor hetzelfde gebruikt als dat ding uit de dertiende eeuw, zijn overduidelijk broertjes. Er zijn maar weinig voorwerpen waar een zo lange onverstoorbare continuïteit in te vinden is als bij de bootshaak. Misschien dat messen en hamers ook uitzonderingen zijn, maar verreweg de meeste voorwerpen zijn door de eeuwen heen erg veranderlijk van vormgeving, zoals beurzen, schoenen of hoeden; of ze bestaan pas kort, zoals fietsen, telefoons, motoren, paraplu's.

Het is verbluffend dat de archeologen weten dat een bootshaak met een terugwijkende teen, een gewone klauw en een lang schachthuis gemaakt moet zijn tussen 1300 en 1625. En eentje met een rechte teen en een gewone klauw tussen 1500 en 1900. De rechte getordeerde teen, breed uitgesmede klauw met een kort schachthuis met hartvormige strip is gemaakt tussen 1750 en1800. Sommige types waren dus na vijftig jaar in onbruik, andere gingen onveranderd honderden jaren mee. Tot nu: de bootshaak met geknikte teen, gewone klauw, kort schachthuis met hartvormige strip is al hetzelfde sinds 1825 en werd gemaakt tot 2005.

Het zijn niet alleen de verbluffende details in die kennis, en de vreemde uitwerking die het besef van die enorme tijdsduur heeft, die maakt dat de boothaken me hypnotiseren. Het is vooral die onbekende wereld van handelingen en woorden waarin ik terechtkom als ik vol verwondering lees over al die ijzeren frutsels op de bladzijden van Spul. Voor ik het weet sprokkel ik oude benamingen van schepen, schuiten en boten. Het is de taal die de sprong kan maken tussen mij en het verleden. Er roert zich iets wellustigs bij het lezen en gebruiken van die oude woorden, alsof je iets nieuws aanraakt en bevoelt. Uiteindelijk is de betovering van de geschiedenis gebaseerd op een overdonderend en onbeantwoordbaar mysterie: al die handelende, pratende, etende, lachende en stervende mensen die hier waren voordat wij er waren. Wat was dat allemaal, wat dachten en deden ze eigenlijk en wat heeft het met ons te maken?