Don't Shoot The Pianist

Het was een simpel plan dat bij meer mensen aansloeg dan verwacht; de democratie redden door een Romeins fenomeen opnieuw in het leven te roepen: het forum. Het Latijn in de naam van de nieuwe politieke partij gaf cachet aan de doelstellingen die besloten lagen in het partijprogramma: een bonte verzameling van jongensachtige voornemens, xenofobe wensdromen, bange bezweringsformules, educatieve aanbiedingen, elitaire exclusiviteitsbeloften. Het forum was een marktplaats voor populistische meningen, bestuurd door een boze jurist en een verveelde advocaat. 


Op het eerste gezicht leken de voorwaarden om lid te kunnen worden laagdrempelig en transparant; zo moest je invullen of je een ware Nederlander was. Daarna was het een kwestie van de juiste inkomensklasse aanvinken, cv uploaden, kleur bekennen: bent u man of vrouw? Wat is uw huidige beroep? Schrijver, kunstenaar, of cellist? Het verbaasde me dat ik me online kon aanmelden. Een handgeschreven brief met inkt van voor de Groote Oorlog had ik passender gevonden. 


Aan mijn gezegende toestand van naïveté kwam een einde toen ik gebeld werd met de vraag of ik deel wilde nemen aan de psychologische test. Dat hij het telefoontje op een ‘keurig’ tijdstip pleegde, zei de beller uit zichzelf zonder dat ik ergens om vroeg. Het viel binnen kantoortijden waarover vóór het tweede millennium van de Westerse beschaving consensus bestond: na de koffie om tien uur ’s morgens en voor de borrel van vijf uur ’s middags. 

‘Dat noem ik nou een keurige werkdag,’ zei ik, ‘lekker kort.’ 

‘Dank u, dame.’ 

Hoorbaar senior was hij, geen onprettige stem. 

‘Het is twaalf uur,’ zei ik vilein, ‘lijkt me lunchtijd, ongeschikt als telefoonmoment.’ 

‘U vergist zich,’ zei de stem, ‘wij lunchen om één uur.’ 


Vriendelijk steggelden we een tijdje door over de vergeten relatie tussen tijd en manieren en de vergeten manieren van de tijd terwijl we de tijd vergaten en deze verder verstreek. Inmiddels was het halfeen. Ik zei dat zijn nadruk op het correcte aspect van zíjn inbreuk op míjn privacy, komisch overkwam. Was het niet aan mij, de gebelde, om op hém commentaar te leveren? 

‘U nam op,’ zei de stem. Vrijwillig. Wilde ik nou echt lid worden, of was het één grote, linkse grap? Hij wist dat ik sinds jaar en dag lid was van de Partij Van De Dieren. Ik was gecheckt en onderzocht. 

‘Nou ja, onderzocht, onderzocht,’ sputterde ik tegen. Online speel ik geen stommetje over mijn politieke overtuigingen, iedereen die een beetje twittert of facebookt of enigszins digitaal behendig is, kan daar zo achter komen. 

‘U bent op zoek naar een ander woord,’ zei ik ferm, ‘u bedoelt slinks, politieke richtingen hebben in principe weinig met menselijke intenties te maken.’ 

Hij negeerde mijn nuancering en dreigde dat hij de hoorn op de haak zou leggen. 

‘Aah,’ zei ik, ‘een ouderwets toestel, hoe alleraardigst!’ 

Het deed het me denken aan de bakelieten telefoon bij mijn ouders, gekocht door mijn grootvader die kort daarna zijn allerlaatste zakenreis naar Duitsland maakte. Ik dacht aan de draaischijf, het stroeve geluid waarmee de schijf na een nummer terugdraaide, de kabel waarin je met je vingers verstrikt kon raken wanneer je een verhit gesprek voerde; en nostalgie overviel me zoals een plotselinge mistbank je kan treffen tijdens een wandeling in de natuur. 


‘Mevrouw,’ zei de stem streng, ‘we zijn in gesprek over uw wens om lid te worden van het Forum voor Democratie. Blijf alstublieft bij de les. Ik moet u belangrijke vragen stellen.’ 

Ik hoorde geblader. Dat duurde. Toen werd het stil. 

Rijksmuseum


Fucking gloria, dacht ik. De eerste horde was genomen. Ik droomde weg, vond mezelf een hele piet, in staat om in mijn eentje een politieke partij door mijn fictieve aanmelding en de destructieve nasleep te gronde te richten. Ik zag de koppen al op de voorpagina’s van de kranten staan: schrijver (v) weet met fonkelend faux-essay vrijwilligers aan het twijfelen te brengen en een eind te maken aan het opkomend fascisme in Nederland. 


‘Mevrouw.’ 

‘Ja.’ 

‘We zijn met velen. U heeft een lange weg te gaan, wilt u ons van uw slinkse gelijk overtuigen.’ 

O, die was grappig, zeg. Kon de man soms gedachten lezen?


Hij pakte de draad weer op, kalm, alsof er niets tussen ons was voorgevallen. Het officiële toelatingstraject begon pas na de toetredingstoets, zei hij, en voor de fysiologische uitbreiding was adequate familiaire assistentie nodig om substantiële ondersteuning te geven aan mijn individuele dossier. Aan de meest recente inauguratie hadden ruim duizenden novicen deelgenomen. Ik wilde naar mijn boekenkast lopen om een stevig woordenboek ter hand te nemen, tot ik besefte hoe onbeschoft het zou zijn om zijn betoog met hoorbaar geblader te verstoren. Ik kuchte om tijd te winnen. Ik liet het woord ‘geopolitiek’ vallen om ook een kritische duit in het zakje te doen en een eind te maken aan de eenzijdige monoloog aan de andere kant van de lijn. Er gebeurde niets. 

‘Metageopolitiek,’ zei ik. 

De verbinding werd verbroken.


Ach, laat ik niet stilstaan bij de valse start, want, geloof het of niet, ik was lid, nu ja, aspirant-lid van de verdomde FVD, in afwachting van de genealogische onderzoeksresultaten: een onzekere positie die me uit evenwicht had kunnen brengen ware het niet dat ik als schrijver gewend ben aan de vloek en zegen van het menselijk oordeel, de statusloze status van een academisch leven in de marge van de maatschappij. Dus onderwierp ik me aan een kafkaëske questionnaire waaruit moest blijken of ik over (de juiste) voorvaderen beschikte die excelleerden in een specialisme dat kenmerkend was voor mijn ras, milieu, culturele achtergrond, etnische identiteit; kortom, noem alle categorieën die de mens de maat neemt, definieert, classificeert, kleineert, verheft, en uitrangeert. Dat kan van alles wezen. Schaamteloos had de vrijwilliger over genetische verbeteringen gesproken, goed voor de toekomst van onze kinderen. Hij was slechts de boodschapper. 


Don’t Shoot The Pianist.


Om insinuaties of onschuldig bedoelde praatjes over mijn persoon te voorkomen, benadruk ik op mijn beurt met pathos: wat hier staat is grotendeels onwaar. Nood breekt wetten. Mijn mening is wel waar: ik maak me zorgen. De democratie is in gevaar. Er is een spel te spelen, een riskant spel, voor wie samen met mij een literair spel vol risico’ s spelen wil; giswerk naar de consequenties van de ludieke doch politiek uitermate relevante insinuaties moedig ik van harte aan. Feit en fictie gaan hand in hand, een fantasievolle inkijk in de absurde dagelijkse realiteit van de verdedigers van een nationalistisch wereldbeeld dat pretendeert ons te bevrijden


Ik bleek van goede komaf. Van kindsbeen af aan heb ik van adel willen zijn. Stel je voor hoe soepel waarheid wordt wanneer we niet te zwaar aan waarheid tillen. Dat onze officiële stamboom, waar mijn jongste broer na zijn ontslag als adjunct-directeur van Milieudefensie naar op zoek was, nog steeds zoek was, en ik online verder weinig concrete dingetjes kon vinden die onze credibiliteit als autochtoon geslacht in gevaar zouden kunnen brengen, werd me grif door mijn nieuwe politieke vrienden vergeven. 


Inmiddels was ik het partijbolwerk binnengedrongen, gehuisvest in een prachtig pand aan een Amsterdamse gracht. Binnen kwam ik terecht in een oceaan van bedrijvigheid. Dozen zag ik, heel veel dozen. In de gangen, in de kamers, opgestapeld tegen muren. Er werd gewerkt als een malle, doos na doos ging via steile wenteltrappen omhoog, de ene vrijwilliger gaf een doos door aan de ander, een derde zette een luttele drie stappen of doos werd aangepakt door vrijwilliger nummer vier, en daar stond nummer vijf al klaar met uitgestrekte armen, enzovoort. Een geoliede machine. Dit was de nieuwe democratische wereld in een notendop. 


‘Jíj hoeft geen petje op,’ zei een vrijwilligster. Ze zat boven op een doos met bungelende benen. De doos bewoog, er zat iemand in. Nondeju. 

‘Jíj draagt ook geen petje,’ zei ik terug. Wie stopt mensen in dozen? Dat is toch niet meer van deze tijd? 


Een nieuwe fase volgde. Ik kreeg een brief, een oproep voor de zeskamp, in het Olympisch Stadion in Amsterdam, bedoeld voor alle Nederlanders uit de grote steden. Ik voelde me euforisch, als een soldaat die eindelijk naar het front mocht. De brief was door beide partijleiders ondertekend. Ja, wat dacht je, perkament, inkt, kroontjespen. 

De tests deden willekeurig aan. Leuk waren ze zeker, goed voor de familiebanden. In de brochure stond in klare taal dat het de partij niet ging om een stiekeme screening van de criminele achterstandswijken die gretig aan de randen van de veilige buurten knabbelden. Woorden als ‘penthouse’ en ‘valet parking’ werden zorgvuldig vermeden. Sport kon mensen met elkaar verenigen, en uit elkaar drijven. Hoofdschuddend las ik een moeizame, filosofisch aandoende beschouwing over volkssport nummer één, koning voetbal, en wist zeker dat er van mijn keurige, schakende, zeilende, bergbeklimmende, contemporaine kunst bewonderende, moderne muziek beoefenende familie door de penoze uit de Amsterdamse periferie in no time gehakt gemaakt zou worden. 


Ik kreeg een standje van mijn zus die thuis zat met een elleboogblessure. Zij was vorig jaar tot concertmeester benoemd van de International Contemporary Music Group, en woonde afwisselend in Amsterdam, Tokio en New York. Drie maanden op de reservebank, zei ze vrolijk tegen mijn fruitmand vol vergeten groente en lelijke, lokaal geteelde vruchten. Ik vertelde haar over de ‘slinkse’ manier waarop het forum hele families bij het individuele politieke gebeuren wilde betrekken. 

‘Slinks? Wat is dat nou voor een woord?’ 

We kwamen in kritisch vaarwater terecht, en ze gaf na enig aandringen toe dat ze mijn ontmaskeringsexperiment inclusief nep-lidmaatschap van ‘die gladde nazipartij’ een bespottelijk, gevaarlijk gedoetje vond. 

‘Wat wil je bewijzen, E.?’ 

‘Weinig. Ik wil ze tot inkeer brengen van binnenuit.’ 

‘Je hebt te veel films gekeken. Denk je de partij zichzelf uitschakelt wanneer blijkt dat B. een onzeker moederskindje is, en H. een decadente pensionado die voor zijn ultrarechtse vriendjes alvast de luxe atoomschuilkelders opwarmt? Wat heb je moeten betalen voor je inschrijving?’ 

‘Helemaal niets,’ loog ik. Daar was ik inmiddels bedreven in. 


Om haar enthousiasme te entameren, vertelde ik dat we mee mochten doen aan Classique Concertant, een muzikale marathon voor families die speelden op authentieke, historische strijkinstrumenten. 

‘Top,’ zei ze spottend, ‘een officieuze recherche van oud geld, en het wasgoed van ander rijk gespuis.’ 

‘Wacht,’ zei ik, ‘niet zo snel. Sotheby’s taxeert ter plekke.’ 

‘Fijn,’ zei ze, ‘daar ga je dan met je leencello van het Koninklijk Instrumentenfonds.’ 


En zo ging het van kwaad tot erger. Mijn gelogen forumfilie leidde tot verdeeldheid in onze familie die anders eensgezind was over de basale zaken in het leven. Ik geef toe dat ik fors ruziemaakte met de mijnen om het experiment naar de buitenwereld echter te doen lijken, deed er huilend gewag van tijdens de vrijwilligersweekends waar sneue forumslaven watertandend moesten toekijken hoe de leiders, hun vrouwen en sponsoren de zevengangendiners naar binnen schoven. Van de megalomane toespraken die, naarmate ik langer lid was, in lengte leken toe te nemen, kreeg ik een bloedneus en suizende oren. 


Een flard: 

‘De garantie dat verheffende fenomenen als schoonheid, structuur, orde, regelmaat and what not uit de grond zouden schieten wanneer de lokale wateren gezuiverd waren van wilde, ‘onze wortels’ besmettende, vreemde elementen, komt tegemoet aan de basisbehoefte van de westerling die sinds het verdwijnen van het categoriaal gymnasium in een alarmerende levenscrisis verkeert. De beloning die de inspanningen opleveren lijken vaag; een goed verstaander begrijpt dat we met een van de betere aardse versies van het christelijke paradijs te maken hebben; een plek waar je met lotgenoten jezelf kan zijn, zonder te hoeven verbloemen hoe ongemakkelijk de noodgedwongen blootstelling aan wezensvreemde elementen je maakt, hoe angstig je wordt van aanpassing en conformeren, het idee je identiteit te moeten inleveren aan mensen die je niet kent.’


Dat laatste dreigde volgens de partij helaas een realiteit te worden die ‘nauwelijks te keren zou zijn wanneer ook de conservatieve weerstand tegen het xenofilievirus het zou begeven’. Dan was er geen lieve moederen meer aan, en leefde je in een duurzame, evenwichtige, genderfluïde wereld, hetgeen het resultaat was van de geheime ideologische agenda van ‘slinks’ die ‘de ware ontwikkeling van de Westerse beschaving al decennialang in zijn greep houdt.’


Uit de tests bleek trouwens dat onze familie geschikt zou zijn voor het forum, door onze achtergrond, ons geld, en academische vorming. Waar ik in uitblonk was dingen verzinnen die niet waar waren, en in een fraaie vorm gieten. (Maar goed, dat wist ik allang!) In de ledenvergadering bracht stemming uitsluitsel over de taak die mij het beste toebedeeld kon worden. 

‘Ofschoon onze jonge frontman zelf een uitstekend potje kan letterbraken,’ zei de afdelingsleider terwijl hij mij de opdracht overhandigde, ‘kunnen we hem moeilijk anekdotisch over zichzelf tekeer laten gaan. We moeten kritisch blijven.’ 

En zo was aan mij de eer om zijn memoires te schrijven. Vrijwillig. Dat spreekt. 


‘Na een braaf college door zijn favoriete geschiedenisprofessor die op goede dagen uitblonk in het uitserveren van sociologische opvattingen waar een nihilist als Nietz­sche van zou blozen, was hij opgestaan. Hij wilde zich ongezouten uitspreken tegen de Europese obsessie met grenzeloze concessies, hij wilde fel ageren tegen het rattenleger aan slordige ideeën van wetenschappers over de grenzen die ook aanspraak wilden maken op een cultuurzuiverend keurmerk. Enzovoort, ladida. De woorden dicteerden zichzelf en de hel brak los. Er werd boe geroepen door medestudenten, gegooid met mobieltjes. De hoogleraar verzocht hem vriendelijk om de collegezaal verlaten en nooit meer terug te komen. 


Hij ging weer thuis wonen. Zijn entree was weinig spectaculair: hij deed de deur open and that was it. Hij was vel over been. Zijn moeder was zo blij met zijn terugkeer dat hij zich schaamde. Hij had een sterke vrouw verwacht bij thuiskomst, geen tranen. Er waren die nacht twee illegale gezinnen op de hoek bij Beurtjens opgepakt, zei ze. In een brandbrief die de burgemeester op het Leidseplein ten overstaan van de nieuwe Nederlanders voorlas, werden excuses aangeboden voor wat gebeurd was, wat gebeurde en wat ongetwijfeld zou gaan gebeuren, deportaties, censuur, avondklok, paard en wagen, voedselbonnen. De schrijfstijl was prachtig, had ze begrepen. Bloemrijk, muzikaal. Hij had het geschreven kunnen hebben. 


Hij wilde gaan slapen maar toen hij zag dat ze de klep van de vleugel uitnodigend had opengeslagen... O, moeder. Langzaam speelde hij Chopins tweede Nocturne. Kijk, dat was muziek. Elke noot wist waar hij heen wilde en voor iedere toets die je fout aansloeg werd je keihard afgestraft. Iedereen met een stel oren aan zijn hoofd kon horen wat de bedoeling was.’