'Het primaire proces staat op de stoep'

Een boekessay

*Een sterke vrouw*
‘Kaat Stam’
Uitgeverij Criteratuur, 2023
✶✶✶✶

*Een land van lage latten*
‘Phyztyx’
Uitgeverij Criteratuur, 2023
✶✶

*De uitvoerders*
‘J.T. de Visser’
Uitgeverij Criteratuur, 2023
✶✶✶✶


Twee jaar na de aanslag op Pieter Lindenbergh durven zijn collega-schrijvers zich weer uit te spreken over de toestand van ons land. Omdat velen van hen nog altijd vrezen voor de volkswoede die Lindenbergh destijds trof, doen zij dit steeds vaker vanuit de digitale luwte. Ondanks een moeizame start weet vooral de online uitgeverij Criteratuur – die zich onderscheidt met zorgvuldig gepubliceerde, maar onherleidbare e-books – succesvol in te spelen op de wensen van auteurs. De pseudonimisering van de literatuur roept allerlei vragen op. Zijn de schuilnamen op de website van de uitgeverij een nieuwe manifestatie van de lafheid die de huidige generatie auteurs zo vaak wordt aangewreven? The Guardian, zelf grotendeels geanonimiseerd, biedt een ander perspectief en beschrijft het initiatief als een typisch Nederlands verschijnsel: ‘Het sluit aan bij de traditie van de zeventiende-eeuwse boekdrukkers die zorg droegen voor de verspreiding van verboden werken door heel Europa.’ Hoe we het ook moeten duiden: de afgelopen maanden verschenen bij Criteratuur meerdere digitale romans die de test van de literaire kritiek ruimschoots kunnen doorstaan. We bespreken een greep uit de oogst. En inderdaad, dat zijn allemaal boeken die de samenleving via de weg van de literatuur op haar tekortkomingen willen wijzen.


1.Het meest uitgesproken boek van het hier besproken drietal is Een sterke vrouw van een auteur die zich ‘Kaat Stam’ noemt. Er is weinig fantasie voor nodig om Den Haag te herkennen in de stad waar het verhaal zich afspeelt. Terwijl een onmachtig clubje voormalige wereldbestormers met technocratische middelen de zoveelste financiële crisis probeert te beteugelen, is het electoraat verveeld afgedwaald naar de flanken van het politieke spectrum. Aan de linkerzijde gebeurt weinig, terwijl op rechts een roedel onverholen fascisten alle aandacht opeist. Tot zover niets nieuws. Maar als het politieke raderwerk in de aanloop naar de verkiezingen definitief tot stilstand dreigt te komen, staat er een nieuwe speler op. Met een buitengewoon eclectisch verkiezingsprogramma weet Albertine Zwammelink in een mum van tijd een onverwachte coalitie te smeden. Feministen, rechts-extremisten en klimaatactivisten verenigen zich ogenschijnlijk moeiteloos rond de sterke vrouw.

Stam beschrijft levendig hoe een uitgerangeerde columniste zich met toenemend plezier tot politica ontwikkelt en onvermijdelijk naar de voorgrond van het politieke toneel opstoomt. Dat lukt haar door eigenaardige, maar zeer concrete beloften te doen. Zo verzekert Zwammelink haar kiezers dat ze niet meer dan vier jaar aan de macht zal blijven en slechts voor een tiental punten zal strijden. Dat haar actieprogramma onsamenhangend en soms zelfs tegenstrijdig is, lijkt niemand in deze roman iets te deren. In een interview op haar eigen videokanaal zegt Zwammelink: ‘Over vier jaar zal u allemaal nog steeds ontevreden zijn, maar anders ontevreden, nieuw ontevreden. Dat wordt spannend.’ Het zijn omineuze woorden, maar de kiezer vreet het probleemloos. Juist door het electoraat af te schilderen als een dier dat met een paar trucjes getemd kan worden, ontvouwt Stam niet alleen een kritiek op het politieke bestel, maar vooral een actuele cultuurkritiek.

De figuur Zwammelink is een literair repoussoir: de donkere gestalte op de voorgrond waartegen het hotseknotserige landschap op de achtergrond alleen maar feller afsteekt. Stam toont haarscherp hoe moeilijk individueel ervaren ontevredenheid zich laat vertalen in maatschappelijke bewegingen, hoe onmogelijk het is om nog een synthese te vinden tussen groep en individu. Daarmee biedt het boek een nietsontziende analyse van vruchteloos gebleven bewegingen als Occupy, De Gele Hesjes en #Ontevreden. Stam schildert hoe deze initiatieven de massa in beweging brachten, maar stelt tezelfdertijd vast dat er niet twee mensen meer te vinden zijn die zich nog duurzaam onder één banier laten verenigen. Wanneer mensen zich niet individueel gezien weten, geven ze zich zomaar over aan een instinctieve collectieve onvrede waarin alles aan diggelen moet. Maar zodra hun nieuwe massabeweging te groot wordt, wil de mens acuut weer individu zijn. ‘Het volk,’ zegt Zwammelink over deze jojobeweging, ‘is een vermoeide kleuter die dreinend in de gang staat, niet voor- en niet achteruit wil en net zo lang doorjengelt tot iemand hem in alles zal bevestigen.’ De journalistiek moet het nog het meeste ontgelden bij Stam, die een dystopisch opinielandschap uittekent. Journalisten hadden het volk moeten tegenspreken, bij de les moeten houden en, toen de politieke rattenvangers op hun fluitje bliezen, de noodklok moeten luiden. In plaats daarvan hebben ze zich verlekkerd aan het gênante spektakel dat zich over een ruim decennium uitsmeerde. Nu eens schreven ze dat de onderklasse de elite in een wurggreep hield, dan weer dat elite de onderklasse onderdrukte. De inhoud maakte niets uit, als de mensen maar lekker bang gemaakt werden, want alarmisme was de enige reden om nog naar de kiosk te hollen, zo wisten ze. Wat overblijft is een wereld waarin journalisten niets meer kunnen dan sensatie op sensatie stapelen, met als bijeffect dat niemand hen nog gelooft. ‘Ze hebben het denken afgeleerd en zijn speelbal van hun eigen emoties,’ weet Zwammelink. De werktuigelijke manier waarop ze met de journalistiek omspringt, wordt treffend duidelijk als ze haar assistent uitlegt dat ze die avond weer bij de talkshow van Ted Zwart zal aanschuiven.


‘“Mark, weet jij wat een Sprechhund is,” vroeg ze. Mark had geen idee, maar wist dat Albertine haar eigen vraag onmiddellijk zou beantwoorden. “Een Sprechhund is iets uit de film. Het is de hond waaraan een personage zijn diepste geheimen verklapt, zodat het domme filmpubliek achteloos wordt bijgepraat. Het is trouwens niet altijd een hond, hoor, het kan ook een ander huisdier zijn of de foto van een overledene, of iets anders dat zijn bek houdt. Hoe dan ook, het is een simpele truc, maar effectief. Ted Zwart is mijn kwispelende Sprechhündchen, Mark. Als ik tegen hem praat, dan spreek ik tot de massa.”’


Als aaneenschakeling van dit soort heldere scènes is Een sterke vrouw een lichtvoetige roman die desondanks een buitengewoon grimmig beeld schetst van de politieke realiteit van dit moment. Het zwartste onheil toont zich pas tegen het einde van het boek. Wanneer Zwammelink het bonte verlanglijstje van haar kiezers op even maniakale als dictatoriale wijze begint af te werken, vallen er meer slachtoffers dan alleen de lieve vrede. Het is niet anders dan als laatste waarschuwing te lezen.


2.Een land van lage latten, waarin schrijver ‘Phyztyx’ een jonge universitair docente in de continentale filosofie opvoert, lijkt een heel ander soort les te bevatten. Mieke Steinebach werkt zich een slag in de rondte in het onderwijs en produceert een indrukwekkende stroom aan subsidieaanvragen. Die voorstellen ontvangen positieve beoordelingen, maar het blijft tot op de laatste pagina van dit boek onduidelijk of ze ooit zullen worden gehonoreerd. In de avonduren stort Steinebach zich op haar wetenschappelijke artikelen die, zoals ze zelf verzucht ‘na publicatie zullen worden bijgezet in de intellectuele grafkelder van de digitale bibliotheek’. Deze artikelen zijn evenwel de enige nagels die ze diep in het academische drijfhout kan drukken. Of iemand die stukken leest maakt niet uit; zonder publicaties is haar bestaan onmogelijk. Dat bestaan staat überhaupt nogal op de tocht, en dat is precies waar deze roman over gaat. Terwijl alle instituties om haar heen verbrokkelen, vlucht Steinebach in drank, pijnstillers en diepzinnig gemijmer.

Een boek dat een dergelijke compilatie van vergeefse ondernemingen presenteert en waarvan de schrijver bovendien laat doorschemeren dat het wel eens autobiografisch geïnspireerd zou kunnen zijn, bevat alle ingrediënten voor een sappig academisch treurspel. Maar zover komt het niet. Waar de twintigste-eeuwse universiteitsliteratuur nog een steen in de vijver wierp, harkt dit boek een zorgvuldig afgebakend hoekje woestijn aan. Het is oude koek. Voor de zoveelste keer worden we indirect bijgepraat over de ontdekking dat het tijdperk van de interesseloze interesse aan de academie haar langste tijd gehad heeft. De literaire lamentatie waar het uiteindelijk op uitdraait, is ongetwijfeld bedacht om de lezer wakker te schudden, maar op de laatste bladzijde kunnen we geen andere conclusie trekken dan dat de auteur zelf nog dommelt. Er gebeurt te weinig in dit academische bestaan om de ondergang ervan echt te kunnen betreuren.

Dit manco openbaart zich nergens zo pijnlijk als in de vele filosofische passages die dit boek rijk is. Om het intellectuele karakter van de protagoniste te onderstrepen is een denker van stal gehaald over wie moeilijk een spannend woord te zeggen is: Paul Graaf Yorck von Wartenburg. Deze bedachtzame negentiende-eeuwse Duitse wijsgeer, het studieobject van de filosofe in kwestie, moet als contrapunt dienen in de doelmatige universitaire wereld. Het zou een aardig idee geweest zijn als de tegenstelling ook daadwerkelijk in het voordeel van de freischwebende graaf-filosoof had uitgepakt, maar dat is niet het geval. Door toedoen van Yorck wordt de verhaallijn over gefnuikte wetenschappelijke carrières juist in een dikke filosofische saus gesmoord. Dat kon nauwelijks anders, want de grootste verdienste van deze Yorck – die slechts enkele ongepubliceerde stukken en een langdradig reisdagboek naliet – was zijn vriendschap met echt grote denkers. De brieven die hij met hen uitwisselde, maakten hem een curieuze edelfigurant in de geschiedenis van de Duitse filosofie, maar geen personage dat een 254 pagina’s tellende roman kan dragen.

De imaginaire dialogen tussen de filosofe en haar filosoof voltrekken zich steevast via eenzelfde schema. Vanuit haar universitaire werkkamer droomt Steinebach weg naar een negentiende-eeuwse Italiaanse kustplaats alwaar de graaf zojuist een diepzinnig inzicht in het verloop van de geschiedenis heeft mogen opdoen. Het levert niet zelden nogal gekunstelde constructies op:


‘Terwijl ze van haar bureaustoel opstond besefte ze dat ze al minstens een uur een zeurende pijn in haar onderrug negeerde. Er waren dagen dat de pijn haar afleidde van haar werk, maar ook dagen dat haar werk afleidde van de pijn. Dat waren dagen van inzicht; ze dacht meer, schreef meer, deed meer en werd er alleen door haar rug aan herinnerd dat ze nog een lichaam bezat. Was dit de lichamelijkheid waar Yorck zich op beriep, waarin het lijf altijd dociel achter de geest aansjokt?’


Omdat de auteur danig gehecht is aan dit soort filosofische bespiegelingen en vanachter de rug van Yorck in diepe ernst naar de wereld tuurt, blijft de fundamentele maatschappijkritiek die de uitgever ook bij dit boek belooft, onder subtiliteiten bedolven. Een echte verhaallijn ontbreekt en de onderliggende boodschap – de samenleving heeft de wetenschap in de steek gelaten – krijgt nergens vleugels. Ja, we kunnen uit dit boek opmaken dat iedereen die aan een universiteit gaat werken vroeg of laat avonturier tegen wil en dank wordt, maar de gevolgen daarvan blijven impliciet. Het toont niet stevig genoeg hoe een systeem levens consequent onmogelijk maakt. De met drank en pijnstillers doorzweefde ondergang van Steinebach had een herkenbare metafoor kunnen opleveren voor al die academici die al jaren in de wachtkamer zitten, maar blijft steken in particuliere zorgen en deugden als bescheidenheid en nauwkeurigheid. Het is de valkuil waar we universitaire romanciers wel vaker in zagen trappen. Zolang auteurs als Phyztyx niet met hun vuist op tafel slaan, schuldigen identificeren en daarbij hun nuances laten varen, blijft die zo unheimisch bedoelde universiteitsliteratuur weinig meer dan voorzichtige ijdeltuiterij.


3.In een glazen kantoorkolos is het ministerie van Onderwijs gehuisvest en daar ontfermt een klein clubje ambtenaren zich over de inrichting van het onderwijsveld. Ze zijn jong, hip en hebben de beste bedoelingen. Het zijn de mensen die werden binnengehengeld om de overheid opnieuw concurrerend met het bedrijfsleven te maken. En inderdaad, ze hebben de fantasie van een boekhouder, maar dan met ‘een stukje engagement voor de ander’. Op hun werk rijgen ze coachingsessies, inspiratielunches en heidagen aaneen en ondertussen ruïneren ze precies datgene waarvoor ze zich met volle overgave menen in te zetten: het onderwijs. Dat is zo ongeveer de strekking van De uitvoerders, geschreven door een auteur die schuilgaat achter het pseudoniem ‘J.T. de Visser.’ Waar Een sterke vrouw ironisch is getoonzet en Een land van lage latten weifelend naar betekenis zoekt, wordt deze ambtelijke ontdekkingsreis getekend door een diep, maar krachtig cynisme.

In dit boek volgen we de eerste werkweken van beleidsambtenaar Bob Staal. Hij gaat aan de slag bij de ‘Directie Kwaliteitsmanagement Leren en Werken’ en wordt voorbereid op de taak om politieke beslissingen eerst naar beleid en uiteindelijk naar de onderwijspraktijk te vertalen. Al snel blijkt dat zijn nieuwe collega’s er in dat proces een volstrekt eigen logica op nahouden. Een veelzeggend symptoom daarvan is dat zij docenten en schoolleiders consequent ‘de uitvoerders’ noemen. Het illustreert hoe de vierde macht in de oprechte overtuiging is geraakt dat zij via rapporten en memoranda kunnen ‘uitrollen’ wat er in ‘het veld’ gebeuren moet. Ondertussen ontbreekt het de mensen die Bob inwerken aan ieder inzicht in die onderwijspraktijk van alledag. Door de tegenstelling tussen leraren en het beleid dat over hen wordt uitgestort haarfijn uit te spinnen, weet De Visser de tergende werkwijze van de moderne ambtenarij subliem bloot te leggen.

Het boek, dat met 171 pagina’s niet al te dik is, bouwt op naar een aangrijpend hoogtepunt waarin de twee werelden met elkaar worden geconfronteerd. Op een dag dient zich onder aan de ministeriële toren namelijk een lerarendemonstratie aan.


‘Toen Bob voor zijn wekelijkse bila de kamer van Van der Werff binnenliep, zag hij deze voor het manshoge raam staan. Vanachter het dubbelglas klonk gemoffeld een sirene. Hij liep op zijn collega toe, positioneerde zich naast hem en tuurde de diepte in. Achttien etages lager zag hij een man in een veelkleurige toga en met een onleesbaar spandoek door de vette klei van de groenstrook voor het ministerie stampen.
– “Wat gebeurt daar?”
– “Het primaire proces staat op de stoep,” antwoordde Van der Werff.’


Door het perspectief te lenen van iemand die zijn entree maakt op een nieuwe werkplek ontdekt de lezer gaandeweg een parallelle werkelijkheid vol ‘benchmarks’, ‘stakeholders’ en ‘co-creation’. Het is het wereldje dat ooit werd geschapen voor zorgmanagers en via de politie en het primair onderwijs uitwaaierde over vrijwel alle onderdelen van de publieke sector. Door deze poppenkast als vanzelfsprekend te presenteren, wordt – ook zonder expliciete referenties naar de marxistische vervreemdingstheorie – een ferme kritiek op de torenbewoners gegeven. Dat nodigt uit tot maatschappelijke analyse.

Dat Bob Staal zich achteloos aan de status quo conformeert en niet de held blijkt te zijn waar je als lezer misschien op had gehoopt, maakt het boek des te interessanter. Het is niet makkelijk om literatuur te persen uit een realiteit die zo plat als een dubbeltje is. Iedereen weet dat een aanzienlijk deel van de samenleving de grip op het eigen werk is kwijtgeraakt terwijl ergens op ijle hoogte een groepje anonieme ambtenaren ijverig aan nog meer onrealistisch beleid werkt. Door bij de geboorte van precies die ambtenaar mee te kijken, komt dit inzicht beter uit de verf dan waar dan ook. Het ligt er niet dik bovenop, het is gewoon zo. Absurditeit als realiteit. Precies zoals de werkelijkheid.


4.Daarmee raken we aan een observatie die geldt voor alle besproken romans. Over de wende van technocratie naar populisme, van de expertsamenleving naar de gevoelsmaatschappij, is veel geschreven door politicologen en sociologen, maar literaire auteurs waren vooralsnog te druk met andere zaken. De romans van uitgeverij Criteratuur voegen zonder twijfel iets toe aan het literaire landschap. Niet alleen omdat ze zich makkelijker laten lezen dan de Engelstalige, met statistiek overladen en bovendien duimdikke rapporten die wetenschappers afleveren, maar bovenal omdat ze een ander perspectief schetsen.

Wat daarin nog het meeste opvalt is dat ‘het volk’ zo veelvuldig figureert. Echt goed komt het er niet vanaf, dat volk. Zijn ongerichte kritiek en woede stollen telkens weer in stokken waarmee niemand dan hijzelf wordt geslagen. Wie is dat ontevreden en amorfe personage eigenlijk? Per boek is eenvoudig aan te wijzen wie hem een stem geeft: politici, journalisten, facultaire beleidsmedewerkers en leraren. Maar wie de drie boeken naast elkaar leest, moet een aanvullende conclusie trekken. Want is de boze burger in De uitvoerders niet dezelfde figuur als de wetenschappelijke expert uit Een land van lage latten? Zijn de sullige managers en anti-intellectuele beleidsmakers die in alle boeken hun opwachting maken, niet ook de mensen waarop de hoop is gevestigd in de strijd tegen redeloos populisme? Als we de romans met elkaar confronteren, verdampt het makkelijke antwoord en blijken de stumpers uit het ene boek, de helden in het andere.

Verstopt in de totale ontsporing waar Een sterke vrouw op uitdraait, is het begin van een oplossing te vinden: het volk, dat zijn wij zelf. Wij zijn de wetenschappers, maar hebben de wetenschap net zo goed verbrokkeld. Wij hebben ambtenaren met coachingsprogramma’s en ondoorgrondelijke taal de macht gegeven, maar wij zijn hen ook. De politiek is als dorpskermis opgetuigd, maar niet nadat we er zelf voor kozen. We hebben de journalistiek in handen laten vallen van charlatans, maar betalen hen met graagte. Na lezing van de drie politieke romans lijkt er geen andere conclusie mogelijk: we zijn een systeem dat tegen zichzelf in opstand is gekomen.

Juist met deze constatering herovert de literatuur een taak die de journalistiek zo vreselijk laat liggen: zij confronteert ons met onszelf. Ze toont dat de populistische verontwaardiging begrijpelijk is, maar ze laat net zo goed de rancune zien die daarbij hoort. Bovendien weet ze hoe eenvoudig die verbittering het vehikel wordt van volksmenners. Het is hoopvol dat auteurs stoppen met navelstaren en ons – hoe subtiel ook – eindelijk weer eens tegenspreken. Het is alleen de vraag of dat niet veel te laat gebeurt. Want laten we eerlijk zijn: de kunst is ieder gezag verloren. De meeste lezers nemen woorden louter letterlijk en zien in iedere tekst een mening. Die houding is de afgelopen jaren niet zonder gevolgen gebleven. Sterker nog, het bestaan van uitgeverij Criteratuur levert het bewijs voor de schrijnende noodzaak van literaire anonimiteit. Sinds het huis van Pieter Lindenbergh twee jaar geleden in vlammen opging na een aantal verkeerd begrepen opmerkingen over de taak van de literatuur in een talkshow, voelt de kritische stem in het publieke debat zich nog altijd niet veilig. De anoniemen, pseudoniemen en gekunstelde tweede-ordewaarnemingen die Criteratuur ons voorschotelt lijken wellicht een capitulatie, maar de uitgeverij geeft auteurs de vrijheid zich te onttrekken aan de lange reeks pesterijen en fysieke aanvallen waarmee ze de afgelopen tijd – uit naam van ‘het volk’! – te maken kregen. Alleen daarom al is zij een aanwinst voor de literatuur, voor de kwetsbare stem die zich tot allen richt en over het universele spreekt door het individuele te vertellen. Het zal er de komende tijd nog wel druk worden.

*De naam van de recensent is bij de redactie bekend.