Hoe te getuigen van onze tijd?

‘I am at peace with myself because I bore witness.’
Primo Levi


‘I regard as kitsch any representation of the Holocaust that is incapable of understanding or unwilling to understand the organic connection between our own “civilization” and the very possibility of the Holocaust.’
Imre Kertész


Waarom stond er in hemelsnaam een ziekenhuis in de moordfabriek in Buchenwald? Nog decennialang was de Hongaarse schrijver Imre Kertész daarover gedesoriënteerd. ‘Hoe was dit mogelijk?’ De veertienjarige Kertész was in 1944 in Boedapest gearresteerd, opgesloten en in een afgesloten trein met vreemden naar Auschwitz gedeporteerd. Een rafelige jongen in grijs gestreepte pyjama deed de wagondeuren open en siste een paar keer ‘zekhtsnt’. Kertész begreep het. Doen alsof hij zestien was, heeft hem voor de directe gang naar de gaskamers behoed. Wel werd hij als slaaf afgevoerd naar Buchenwald. En midden in dat kamp zorgden gevangenen voor de zieken en de stervenden. Pas veel later realiseerde hij zich dat niet het ziekenhuis in een doodskamp onverklaarbaar was, maar het doodskamp zelf. ‘Hoe was het kamp mogelijk?’

Juist de mogelijkheid van het kamp maakte elke absurditeit denkbaar. Goed onderhouden bloemperkjes rondom de crematoria in Auschwitz. Een postercampagne om de ten dode op geschreven gevangenen te waarschuwen tegen de gevaren van ziektedragende luizen. Niets in de kampen was raarder dan de kampen zelf. Het enige wat volgens Kertész echt bizar was, was dat hij nog leefde en kon getuigen: ‘De overlever is een vergissing,’ meende hij. ‘Een ongelukje, dat wat uitleg behoeft.’ Vijftien jaar oud werd hij op een houten lijkenkar naar een massagraf gereden. Per toeval zag een medegevangene dat hij niet dood was en bracht hem naar de ziekenbarak. Niet een wonder verklaart zijn overleving, het was, zoals hij Jean Améry parafraseert, een gebrek in de nazimachinerie.

De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben noemt het getuigen van de nazimachinerie ‘Levi’s Paradox’, naar de Italiaanse schrijver en overlever Primo Levi. De overlevenden hebben immers de gaskamers niet vanbinnen gezien. De volledige getuige is degene die ook getuige is van de moord op hem- of haarzelf. Levi en Kertész, en onder anderen Paul Célan, Jean Améry, Ruth Klüger, Elie Wiesel en Tadeusz Borowski konden dus alleen gedeeltelijk getuigenis afleggen. Zij maakten de bevrijding mee en konden daarna alleen onvolledig de moordpartijen beschrijven. Voor Kertész was het getuigenis afleggen een verzet tegen het ‘vooruitgangsdenken’ en de mythe dat de mens van fouten leert. Volgens hem kunnen we de Shoah niet in een discours van discontinuïteit begrijpen, noch als een causale logica van bezetting-onderdrukking-bevrijding. 

De genocide van de nazi’s op de Joden, Roma, Sinti, homoseksuelen, Polen, Serviërs, gehandicapten en dissidenten was geen onderbreking van de vooruitgang van de mensheid. Het ís de mensheid. Kertész meende daarom dat we de genocide niet-aflatend moeten bestuderen. Het was geen zaak van alleen de ontspoorde nazi’s en de Joden. Het was geen anomalie in de moderne geschiedenis. Het ís de moderne geschiedenis. Hij getuigde ook onverzettelijk tegen het vergelijken van de Joodse genocide met andere genocides. Het systematische vermoorden van Afrikaanse gevangenen in de slavenhandel, van de Armenen, de Cham, de Tutsi’s, de Koerden, de Bosniërs, de Fur, de Massaleit, jezidi’s, en de Rohingya. Zo’n vergelijking maakt van genocides een meetbare gebeurtenis. Zoveel doden, 1 miljoen of 10 miljoen, is een simplificatie die tot onverschilligheid leidt.

Ook de term Holocaust is volgens Kertész een simplificatie, een stilering van het brute geweld en het moorddadige sadisme. In de linguïstische stilering zal de vijf jaar lange dagelijkse gewelddadige routinematigheid uiteindelijk vervagen en verdwijnen uit het bereik van het denkbare. Getuige te zijn van dat vervagen en vergeten van hoe genocide en eugenetica nog steeds een onderdeel zijn van onze geschiedenis, is dé opdracht van critici en politici van onze tijd. 

Wees getuige van hoe de NOS de uitroeiing van de Europese Joden stelselmatig simplificeert. Bijvoorbeeld hoe de uitroeiing van de uit de middeleeuwen stammende Joodse gemeenschap in Lochem wordt verwoord: ‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden er 118 Joden weggevoerd, slechts achttien van hen keerden terug.’ ‘Weggevoerd’ is een bedrieglijk eufemisme voor opgejaagd-gearresteerd-opgesloten-gedeporteerd-ontheemd-gemarteld. ‘Niet terugkeren’ is een beschamend reductionisme van verhongerd-vermoord-vernietigd. Anne Frank ‘stierf’ niet in nazi-Duitsland. Zij was een gevangene die, net als 18.000 anderen in Bergen-Belsen in maart 1945, crepeerde omdat haar bewust voedsel en medische zorg werd onthouden.

De verdere simplificatie is de ‘overlevings-metafoor’. Het ‘we zijn bevrijd!’ en ‘de menselijkheid heeft overwonnen’. Kertész gruwde van Steven Spielbergs Hollywoodfilm Schindler’s List. Met name het eindshot van de film. Gezonde, ongehavende mensen lopen met frisse tred hun vrijheid tegemoet en het jasje van een klein meisje kleurt rood: menselijkheid en rechtschapenheid zouden overwonnen hebben. Pure kitsch vond Kertész. Voor hem begon de Shoah op het moment dat hij bevrijd werd en moest terugkeren naar een vermoorde familie en een geconfisqueerd huis in een Hongaarse communistische dictatuur. 


Een kleine collegezaal in het souterrain van een van de gebouwen van het Roeterseiland van de Universiteit van Amsterdam. Tweeëndertig internationale masterstudenten sociologie volgen het vak over racisme, seksisme en sociale stratificatie. Tweeëndertig studenten onder wie vijf onvolledige getuigen van vier genocides. Twee getuigen van onderdrukkende regimes. Tweeëndertig getuigen van deze tijd. Amra vertelt hoe haar ouders de Bosnische genocide ontvluchtten. Maar Gizem praat niet over hoe haar familie ontheemd, opgejaagd vanuit Koerdistan naar Londen vluchtte. Sandrine krijgt haar onderzoek naar trauma bij de tweedegeneratiegetuigen van de genocide op de Tutsi’s in Rwanda niet op papier. Haar blik en gedachten dwalen af. Adars Nederlandse grootmoeder vluchtte na de Shoah naar Israël. Haar vaders familie vluchtte vanuit Jemen. Adar verruilde het voor haar beklemmende Israël voor Berlijn. Mathis verbaast zich over de maandagprotesten van neonazi’s in zijn geboortestad Dresden. Daris heeft het politiegeweld gevoeld tijdens de protesten tegen het regime van Erdogan. Vivianne zat bij de politieke vergaderingen waar ultrarechtse Jair Bolsonaro zijn misogynie oefende. Krisztina onderzoekt de eugenetische gezinsplanning van het Orbán-regime in haar Hongarije.

Hoe kunnen zij getuigen van onze tijd? Zijn zij de volledige of onvolledige getuigen van ónze tijd? Waarvan getuigt de door extreemrechts gehate intellectueel, student, vrouw, migrant, etnische minderheid, lesbienne of homo in onze tijd? Hoe te getuigen van de politicus die meent dat de Nederlandse bevolking ‘homeopathisch zal verdunnen’ en zijn collega die de ‘fiere neger’ prijst. Racisme is niet slechts een ideologie, het is met name een gewoonte. 

De Franse filosoof Michel Foucault meende dat als een verandering in denken nodig is, die alleen bereikt kan worden door een permanente staat van kritiek. Echter, waarschuwt hij, kritiek is niet een zaak van zeggen dat dingen niet goed zijn zoals ze zijn. De kunst is aan te wijzen hoe wij onbewezen aannamen of ondoordachte denkstructuren en het onrecht waarvan we getuige zijn, accepteren. Het beoefenen van kritiek is een zaak van het moeilijk maken van makkelijke gebaren. Of zoals Amerikaanse filosoof Donna Haraway Kértesz aanvult: ‘Verzet je tegen elke simplificatie, altijd.’ In Buchenwald lag Kertész verbaasd in een zonnige ziekenhuiskamer, voorzien van kolenkachel en bedden met schone rode dekens en kussens. Het deed hem niet alleen beseffen dat in het dodenkamp alles mogelijk was, maar ook dat het dodenkamp elke dag mogelijk is.