Rave

steven lenoir

Even was het ongemakkelijk, maar we herkenden elkaar wel degelijk. We droegen meer kleding dan we van elkaar gewend waren – ik had een lange donsjas aan – en bleken beiden een bril nodig te hebben. Blij omhelsden we elkaar. Ook al kenden we elkaar niet goed, tijdens de lange nachten waarin we ons in dezelfde ruimte hadden bewogen, was innig fysiek contact de enige vorm van contact die we ooit hadden gedeeld. Terwijl we korte vragen uitwisselden – wat doe jij hier, ga je ook weer volgende week – zag ik vanuit mijn ooghoek meer bekenden opduiken in de grote hal van het Stedelijk Museum in Amsterdam. In het matte licht van een onbeduidende zondagmiddag zagen mijn nachtvrienden er evengoed herkenbaar uit, met hun zwarte bomberjacks, hooligansjaals, petjes en trainingsbroeken – parafernalia van een proletarische jeugdcultuur in de jaren negentig, die de laatste jaren ineens een heel ander imago hadden gekregen, dat van de voorhoede.


De garderobemedewerker nam mijn jas aan. In de Audizaal begon er een aarzelende soundtrack. Lorenzo Senni, wist ik, de Italiaanse producer van een nieuw, deftig soort trance die hij zelf ‘pointillistisch’ noemt (trance, ooit een toegankelijk subgenre van dance, heeft hetzelfde lot ondergaan als de hooligansjaal). De performance Higher xtn. van choreograaf en beeldend kunstenaar Michele Rizzo, daar kwam ik voor, want Rizzo kom ik ook wel eens tegen in de nacht. Higher xtn., onderdeel van de groepstentoonstelling Freedom of Movement, is een minimalistische dansvoorstelling waarin Rizzo samen met andere performers repetitieve bewegingen maakt op al even repetitieve muziek.

Ik nam mijn nummertje in ontvangst en ineens kriebelde het, ik voelde me uitgelaten en vol verwachting, alsof ik was vergeten dat ik in een museum was en werkelijk dacht dat ik aan het begin stond van een nacht (en soms een deel van de dag) dansen in een club.

Ligt het aan mij of is clubcultuur de laatste tijd een bovengemiddeld geliefd thema in de kunsten? Niet in de zin van een club als groepje (herenclubs, academische clubs), maar specifiek dance, gabber, rave, en techno – genres en subculturen die historisch verbonden zijn, waarbij je rave, dat eind jaren tachtig Europa op zijn kop zette met een second summer of love, de moeder zou kunnen noemen. ‘Europa’s laatste jeugdbeweging’, volgens Nav Haq in Rave and Its Influence on Art and Culture (2016, Black Dog Publishing). Het zou interessant zijn om eens een stamboom van rave te maken, want er zijn ontelbaar veel subsubsubgenres uit ontstaan, de Europese kerkgeschiedenis is er niets bij.


Een paar voorbeelden. Op het Holland Festival deze zomer zag ik de dansvoorstelling Crowd van Gisèle Vienne, waarin de Franse choreograaf dertig jaar rave onder de loep neemt en bijna tot op het bot uitpluist, op muziek van een icoon uit de elektronische muziekgeschiedenis, Peter Reh­berg. Een groep dansers beweegt ruim anderhalf uur alsof ze in een club staan, elk op een andere snelheid, van uiterst traag tot hypersnel. Een zeer treffende uitbeelding van de dubbele, subjectieve beleving van tijd die je tijdens zo’n clubnacht kunt ervaren. En de manier waarop een raver soms individueel en in zichzelf gekeerd is, en soms euforisch in een groep denkt op te gaan, dat zag ik ook in Crowd. De voorstelling was natuurlijk veel serieuzer bedoeld dan alleen als feest van herkenning voor mede-ravers, want volgens de begeleidende tekst moet die gezien worden als een metafoor voor collectiviteit.

Het is precies dat thema dat club en rave zo populair maakt, het is een manier om het collectieve lichaam op te zoeken en centraal te stellen. Zo ook in Mechanical Ecstacy, de voorstelling waarmee Club Guy & Roni momenteel door het land toert (al heb ik die nog niet gezien). Het gezelschap liet zich inspireren door de Amsterdamse jarennegentigclub RoxY. ‘Gezamenlijk maken we een nieuw soort high waarin feest en voorstelling dwars door elkaar heen lopen,’ staat er in de aankondiging. Hieruit spreekt een verlangen naar het opheffen van grenzen, tussen publiek en toneel, en tussen al die afgesloten individuen die we zijn geworden.

Een uitzondering vormt de solovoorstelling SOFTCOREa hardcore encounter van de Vlaamse Lisa Vereertbrugghen, die ik afgelopen najaar op het Bâtard Festival in Veem House for Performance zag. Met haar haar in een strak gabbervlechtje danste Vereertbrugghen op snoeiharde hardcore techno, volgens de gabberdansstijl ‘hakken’. Van dat hakken zelf was ik niet zo onder de indruk, het was te simpel. Het was haar namelijk niet om de historische versie van gabbercultuur te doen, noch om de folkloristische elementen die een socioloog misschien eens zou moeten catalogiseren; zij stelde juist niet de gemeenschap, maar het individueel dansende lichaam centraal. De ademhaling, de zachtheid, de erotiek ervan. Daarmee kreeg ze me wel volledig in haar greep. Traag lispelde ze een lyrische tekst, die me hypnotiseerde. En zo, denk ik nu, ontstond er misschien toch een soort gemeenschap tussen performer en publiek.


Waar ik over nadacht in het Stedelijk Museum is in hoeverre ik de opvoeringen van rave als de uitgelezen plek voor het bereiken van de zo begeerde collectiviteit eigenlijk geloof. Iets in al deze voorstellingen lijkt de rave- en clubcultuur te idealiseren – de politieke potentie van de club als subversieve ruimte; de plaats waar diversiteit en marginale culturen gevierd worden; waar het door de markt opgelegde mandaat van individualiteit wordt doorbroken, enzovoort. Dat academische taalregister bezigen de kunstenaars doorgaans zelf. Rizzo citeert op zijn website Julia Kristeva: ‘As to be human it means to embrace political, sexual, religious, familiar identity, we are undergoing a time of major identity crises. We need to find a language that transcends the human in order to overcome such crises and awake a new Renaissance. This language can be dance.’ Daarover zegt hij: ‘I interpret this cathartic power of dance, as it being a form of prayer and celebration of existence, and I found in the club a place for such transcending activity, which entirely matches the often used association of clubs to churches, however obscured by the most common understanding of clubbing as a mere recreational activity.’

Dans als catharsis, de club als kerk. Het trekt me sterk aan, zowel deze manier van denken, als de belofte van al deze gevoelens in een club zelf. Elke keer sta ik daar weer op de dansvloer, in een transparant zwarte outfit die uitstraalt hoe onburgerlijk, vrij, queer en cool ik ben. Maar ben ik het ook echt? Onderga ik een catharsis?

Ik heb me vaak geweldig goed gevoeld, maar dat ideaal van een grenzeloze gemeenschap heb ik nooit echt werkelijk ervaren. Misschien is dat ook waarom ik terug blijf komen, hoop ik dat het de volgende keer wel echt lukt, de overgave, de transcendentie. Voorlopig is het voor mij toch nog een ‘recreatieve activiteit’, vrees ik. Ik moet nog meer oefenen.

Het verraste me daarom dat ik me tijdens Higher in toenemende mate uitgelaten, bijna uitzinnig voelde. Ik danste niet zelf, ik keek alleen naar die hypnotiserend herhalende patronen, die steeds complexer werden. In het museum was het uitgebreide lichtplan afwezig dat Rizzo eerder in een theatrale setting had gebruikt, evenals een degelijke geluidsinstallatie. Het maakte niets uit, hij bracht me in vervoering. Alsof hij, in het daglicht, iets had weten te abstraheren van een club, iets waar ik met mijn gedachten niet bij kon.