Van de zee

1

Wij rolbollen ruisdonder over het platzand
en strekken ons belletjeswit tot ziltlik.
Als plofstap van tweepoot vertroebelt ons zicht,
wij trekken ons terug in het deinende licht.


Soms zwellen wij op na schuddende diepte,
stormen het land op, het goudgele tandvlees
van zandrand een lachertje voor ons gebeuk
dat hem eeuwen geleden al tandeloos maakte,


en nemen hoekschelpen in, slokken het straatsel,
spuwen de glimkarren ondersteboven, wrikken
het roodsteen van tweepoot zijn bidplaats
en zetten het leeg op zijn bangkop.


En soms schuimbekken wij van de kwaadwind,
geen zonspat ons kietelt of lichtstreelt, geen
laaggrauw bedrukt ons, wij tranen wat af want
de stem van de zee is de stem van het kind.


Veel wonder schuilt in ons, veel eng ook.
Koudoog met dubbele rij kromme bijters,
zijn rugstulp als feestvaantje boven ons uit,
of reusdril met veellange losse bedrading


die knettert en zieksteekt de kleintjes in ons.
Toch zijn wij kalm ook de spiegel van dampvlucht
hoog tegen het leeg dat ons blauw maakt
en dragen wij ijzeren dozen geduldig.


Wij lieven het meest de laaglandse luchtlijn,
het hurkende nieuwzand belakend met groensel
in zijn omlijsting van kaarsrechte zwartsteen
koelblakend in stamvaders mildlicht.


Daar boven het ondiep waar ooit wij omspoelden
de kust van het eiland dat in ons verdronk
kalmeren wij meestal van diepere onrust
die ver van land ons soms duizelen doet –


wij vrezen ons eigene onderste donker
waar platbeest oogloos de bodem beheerst.
Maar hier bij de laaglanden soezen wij graag
en laten het dreumesgespeel ongemoeid.


Vooral als de dagbol groots in ons verzinkt
en ons zijn scharlaken uitvloeisel besjerpt
als de keizer van alleding onder de koelschijf
die net aan zijn geelgroene nachtreis begint,


zijn wij voor tweepoot het zuchtzalig uitzicht
en voor onszelf de opwindende fluister
waar boven ons elk fonkelstipje naar luistert
want immers hoe zachter hoe minder verhulling –


de stem van de zee is de stem van het kind.


2

De stem van het kind is de stem van de zee dus
gemakkelijk is onze reden. Wij worden gevreesd
en geliefd alle twee, wij volgen op en vererven ons,
gelijken wat was maar dat nooit helemaal.


Wij zijn de ander, de nieuwe, het vreemde,
het niet goed te peilen, het welkom, het einde.
Verjaagde blauwschub terugkeert waar wij willen,
de coelacanth voortleeft in onzichtbaar diep.


Worden wij warmer wij wekken de draaiwind
en daarin het kale gevoelloze oog. Koelen wij af
dan steken wij keiharde witspies in landflank. Wij zijn
amoreel, gewelddadig, en wij zijn de voeders en wakers.


Wanneer onze einder betrild wordt met langblad
en steenkegels hoog boven ons staan te roken
vermoeden wij onder ons zandhart en lichtbloed
dat kolkt door wieraders, en weten wij leven


in onze atomen, eenvoudig, compact en al
zo lang geschakeld dat alles wat weetbaar is
reeds werd gedeeld – wij weten, geheel
op onszelf sinds de schepping, wij zijn


het wetende leven. Maar elke nacht zwijgt
op het land de gevederde, hij weet nog niets
en is niet nieuwsgierig, gebruikt zijn stem om te
schelden of lokken maar nooit een lied als het onze.


Wij sparen het hier, wij komen hier graag,
dit rustige ondiep is goed voor vakantie
wanneer de hoogbol zijn witgouden hitsel
over ons lomend geglinster uitstrooit.


Dan loeren wij graag de hoogbenige wijfjes,
vooral waar het platzand geen hulsel toestaat.
Hun zitwelving smaakt ons, hun voedbollendeining,
het glimmende kaalspleetje onder hun laagbuik.


O, hoe wij vergeilen als zij in ons glijden
en wij hen likken tot in elke plooi, en hoe
zij bewegen, hun spreidbeens moment,
en dan weer gesloten, en dan weer uiteen,


het pompt onze slavende volgzucht terwijl
wij in sierlijke belletjeswolken hen dragen.
En 's avonds wanneer zij hun boomvuren stoken
waarrond zij veel drinken en opgewekt galmen,


komt altijd wel één het groen lichtspatsel wekken
dat wij op vakantie vaak in ons ontdekken,
en dat zij tot haar enkels in ons te dans
jaloersmakend doet stralen voor alles wat straalt.


Wij kwaad vaak na even om geil onbevredigd
en mokken de killere regentijd in en jagen
hen weg van hier! terug in je hoekschelp!
en richten ons steeds vaker bruisbekkend op.


Wij happen dan hard waar zij glommen en sliepen
en op elkaar stotend nazaten verwekten, wij
proeven verkoling, de as van hun zangvuur,
het glas dat zij leegden, de resten kadavers


waaraan zij knaagden nadat zij ze hadden geblakerd.
Wij rukken grootlappen platzand en sleuren die
naar onze diepte. Wij haten hen soms maar wij
missen hen ook en snappen nog altijd maar niet


waarom zij uit ons om nooit meer terug,
waarom zij ons achterlieten.