I think I’m going back / to the things that I learned so well in my youth / I think I’m returning to /those days when I was young enough to know the truth. Het zijn de beginregels van een song van Carole King en Gerry Goffin, zoals die in 1966 tot leven kwam in de versie van Dusty Springfield en een jaar later zijn bestemming vond in die van The Byrds, die met het lyrische carillon van hun gitaren en de bijna lichaamloos ijl zwevende harmonie van hun stemmen net iets beter de hoopvolle belofte verklankten die de weemoed hier zijn bijzondere kleur en diepte verleent. Het intro hoeft maar even te wenken en ik zeil direct al af – niet naar het verleden, daar was ik net nog, maar naar die mysterieuze plek waar tijd geen rol speelt, elke ervaring instant herinnering wordt en omgekeerd. Een plek, net onder je hart maar groter dan jezelf, waar je iets kunt gaan missen wat je nog niet kwijt bent, waar de pijn van het verlies de bijsmaak kent van vers verlangen, en waar alles wat er in je leven als water door je vingers is geglipt in alle onschuld bewaard blijkt in de grote stroom zelf. John Lennon kende het als ‘Strawberry Fields’, Neil Young noemde het ‘Sugar Mountain’, en het is dé plek als je toe bent aan een paar nieuwe ogen. Alleen lastig soms om uit te vogelen hoe je er precies moet komen wanneer The Byrds of Lennon of Young even niet in de buurt zijn.

Het gebeurt niet vaak, maar misschien dat Freud kan helpen. Die kwam tot de ontdekking dat de herinneringen die dagelijks vanaf de bank in zijn spreekkamer naar het plafond opstegen grotendeels gebaseerd waren op fantasie – en niet zomaar in het wilde weg, die fantasie, maar volgens heel bepaalde, het individu overstijgende mythopoëtische patronen die, wisten ze al in de oudheid, in hun visionaire samenhang het fundament vormen van ons bewustzijn. Niks rommelzolderachtige opslagplaats voor feitelijke gebeurtenissen dus, dat geheugen van ons, maar deep down een en al verfijnde beweging en verbeeldingskracht.

Op de bank bij Freud sprak het geheugen opeens weer met de taal van de ziel – zo kun je het ook zeggen. Een taal die wij, als horigen van het verlichtingsdenken in termen van rede en wil, net als de schatkamers van Memoria waar ze uit voortkomt, een beetje waren vergeten, en nog. En dat terwijl we geen stap kunnen zetten zonder dat er van alle kanten pijlen van de verbeelding door ons heen schieten, en we ook als we klaarwakker zijn niet op kunnen houden hardop te dromen.Maar hoe ver we door moedwil en misverstand ook mogen zijn afgedwaald van het aardbeienveld van Lennon en de suikerberg van Young, er is altijd – vlak om de hoek, volg de borden van je herinnering maar – een weg terug, de diepte in, waar ergens in onze jeugd de toekomst op verlossing wacht. A little bit of courage is all we lack / So catch me if you can… I’m going back.

Roel Bentz van den Berg (1949) studeerde filosofie, maakte gedurende 25 jaar programma’s voor de vpro, en is redacteur van De Gids. Eerder verscheen van hem de essaybundels De luchtgitaar, De overdaad, Zapdansen en Engelen in regenjas, en in 2004 de roman Dagen van vertrek, die evenals De overdaad de longlist van de AKO-literatuurprijs haalde. Voor Zapdansen ontving hij in 2007 de Jan Hanlo Essayprijs Groot. Begin februari 2016 verschijnt zijn nieuwe roman Het naderen van een brug.

Meer van deze auteur