*Iemand die zich vanwege liefde door zijn hoofd wil schieten neemt het ernstig en dat is
belangrijk**

Ik denk niet dat ik naar jullie kan kijken als jullie, de
toneelspelers, niet kunnen toegeven dat het grappig is.

Er gaat iemand dood, maar dat is halverwege, en iemand aan het einde, maar die zei steeds dat hij wilde dat hij dood was.

Niet dat iedereen alles krijgt waarom hij vraagt, maar niemand overkomt waarom hij niet ook ten minste één keer gevraagd heeft

Als in een toneelstuk met te veel rollen als ik het lees, maar het wordt makkelijk als het opgevoerd wordt.

Het wordt nog makkelijker als alle rollen voor één toneelspeler
zijn, in haast en spijt dat hij haar zo laat in de nacht ontmoet heeft.

Huil alsjeblieft niet om wat jullie moeten zeggen, anders geef ik
jullie strafregels, mogen jullie honderd keer opschrijven: dit is zo belangrijk dat iemand er niet om kan vragen.

Laat mij de loterij winnen en ik geef tien procent aan de armen, en als je mij niet gelooft mag je die tien procent meteen inhouden

Als ik een meneer was die op straat stond alsof hij
omlaaggevallen was ging ik van huis naar huis, en nee, ik wil
niets verkopen.

Honden worden stil als zij mij zien, ik maak ze niet aan het
schrikken, soms aai ik ze over hun kop.

Als ik binnen mag komen houd ik mijn jas aan en gevraagd wat ik wil drinken zeg ik een glas water, want dat is voor iedereen makkelijk.

Iemand wacht totdat ik opnieuw op bezoek kom, zij heeft
niemand meer die haar dit uit haar hoofd kan praten.

Aan het einde van een nacht loop ik langs de tuin, ik vraag hardop of wie daar woonde er nog steeds woont.

Iemand blijft toch niet in een huis als dit, behalve om te wachten
tot iemand terugkomt.

Als ik voor het raam sta komt zij naast mij staan en wij kijken
naar de tuin.

Ik zeg dat zij goed rechtop staat, zij zegt dat de kleinste wind haar omver kan blazen.

Alstublieft, ik ben niet erg dapper meer, laat mij een deel hiervan vergeten.

Ik herinner mij dat ik een keer bij haar kwam toen de nacht al
voorbij was.

Ik heb wekenlang gereisd om hier te komen en nu ik hier ben is
het in een nacht voorbij.

Het was al voorbij toen ik aankwam, maar ik moest een nacht
blijven voordat ik weer terug kon gaan.

Na hoeveel tijd ik kan zeggen dat de rest van mij is, als ik langer wegblijf, als ik een dag terug ben.

Is dit wat verlaten worden is, dat alles wat niet meer anders kan steeds daarheen verandert.

Als ik geen geld heb kan ik niet, als ik wel geld heb mag ik niet in een duur hotel slapen, wanneer moet ik dan?

Nee, ik ben niet de laatste man op aarde, alleen de enige die nog dood gaat, iedereen noemt mij jongen.

Ik ben geen hond, maar vandaag wil ik als een grote hond zijn die achtergelaten is in een park.

Ik ren door het water in de vijver die zo ondiep is dat het lijkt
alsof ik over het water ren.

Nachoem M. Wijnberg (1961) publiceerde achttien gedichtenbundels – laatstverschenen Om mee te geven aan een engel (Uitgeverij Pluim, 2018) – en vijf romans. Najaar 2019 verschijnt zijn negentiende bundel, Afscheidswedstrijd. Hij is hoogleraar aan de faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Universiteit van Amsterdam. In 2018 ontving hij de P.C. Hooftprijs.

Meer van deze auteur