De criticus en literatuurwetenschapper Kees Fens (Amsterdam, 1929) heeft over tal van onderwerpen geschreven, ook buiten zijn vakgebied. Een van de constanten in zijn grote oeuvre is de belangstelling voor godsdienst, voor theologie, voor religieuze kunst. Hij is daarin wars van iedere mode, van de verflauwende of weer opbloeiende belangstelling voor religie. Jaar in jaar uit schreef en schrijft hij in de ooit katholieke maar nu zeer seculiere omgeving van de Volkskrant stukken over dogma’s, traktaten, kerkmuziek, heiligenlevens en andere godsdienstige kwesties – vaak naar aanleiding van boeken die slechts door specialisten worden gelezen en dan ook nergens anders in ons taalgebied worden besproken. Het lijkt daardoor soms of hij in zijn eentje de taak op zich heeft genomen de kennis hierover te behoeden voor het wegzinken in een poel van profaniteit.

De vraag in hoeverre religieuze kunst verstaan kan worden zonder kennis en begrip van religie was de aanleiding voor een gesprek met Fens. Op persoonlijk vlak kwam daarbij de nieuwsgierigheid naar hoe hij zichzelf zou omschrijven: als de meest katholieke atheïst van Nederland? Of toch als een gelovige pur sang? Daar begon het gesprek, dat een goed deel van twee middagen duurde, en waarin het persoonlijke en het wetenschappelijke of literaire voortdurend door elkaar heen liepen. Fens spreekt tegelijkertijd analytisch en gepassioneerd. In de manier waarop hij een gemeenschappelijk vertoog houdt klinkt af en toe, althans zo leek het zijn gesprekspartners, ook nog even het straatjongetje uit Amsterdam Oud-West door dat ook weleens een ruit ingooide – ‘maar ook weer niet zo heel vaak’.

De hieronder afgedrukte tekst gebruikt de woorden en de redeneringen van Kees Fens, maar uiteraard niet zijn stijl. De weergave is dus uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de auteurs. Had Fens zijn gedachten zelf opgeschreven, dan had het er anders uitgezien, zoals bijvoorbeeld blijkt uit zijn Amsterdamse jeugdherinneringen, die dit voorjaar gebundeld werden onder de titel Het geluk van de brug. Het gesprek werd gevoerd door Rachel Visscher en H.M. van den Brink.

1. Hemel
‘In mijn kinderjaren heb ik het geloof als een toestand van geluk beleefd. Mijn vader heb ik niet veel gezien. Hij was stuurman op de grote vaart. Toen ik zes jaar oud was kwam hij thuis, ernstig ziek. Hij werd naar een sanatorium gebracht en overleed een paar jaar later. In geloofszaken was hij een ruimdenkende man, dat meen ik me wel te herinneren. Die ruimdenkendheid én zijn afwezigheid hebben mijn geloofsopvattingen mee bepaald. Mijn Brabantse moeder was vroom, zeer vroom zelfs, maar al evenmin erg streng. En ook op de lagere school, bij de Broeders van Maastricht, heerste er een vriendelijk geloof. Er werd bijvoorbeeld met geen woord over het gevaar van onkuisheid gerept – dat kwam later pas, in de veel minder prettige omgeving van het Ignatius College. Mijn zusjes en ik zijn met veel ruimte opgegroeid, zonder angsten of nadruk op geboden en verboden. Er werd gebeden, thuis en op school. Dat hoorde erbij. Het was iets natuurlijks.

Op zevenjarige leeftijd werd ik gevraagd om misdienaar te worden in de kerk van Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand, in de Chasséstraat. Ik veronderstel dat ik er aanleg voor had, dat ik gevoelig was voor de grote gebaren van de katholieke kerk. Ik raakte in iedere geval meteen gefascineerd – en die fascinatie werd beloond, met inzicht en kennis. Ik leerde er wat wierook was, wat licht was, wat muziek was. En wat taal was. Het systeem nam mij op. De pastoor, Herman Awink, was aalmoezenier bij de marine geweest. Hij hechtte er zeer aan dat alles er goed uitzag en dat er een koor was dat goed zong. Als misdienaar mocht ik dicht bij het altaar komen, bij het mysterie van de godsdienst, en doordat ik zo dichtbij was, had ik de kans om mijn leergierigheid te bevredigen. Ik zag het ook als een prestigezaak. Ik denk dat ik de enige van de jongens was die de weg wist in het Missale Romanum. Dat bestudeerde ik in de sacristie. Op iets latere leeftijd, zo rond mijn twaalfde, ging ik elke week naar de openbare bibliotheek en leende ik op mijn eigen niveau boekjes om meer te leren. Niet alleen over religie, over alles eigenlijk. Maar alleen in de kerk kwamen kennis en theater samen.

Het kerkelijk jaar geeft structuur aan het leven. Als alles is geweest, dan begint wéér de Advent met vier zondagen, dan wéér de kersttijd. In die cyclische voortgang lijkt het of de tijd wordt opgeheven. Het kerkelijk jaar opent het perspectief op de eeuwigheid. Zo verschijnt de hemel in het aardse. Niet alleen de kerkdiensten zijn daar de uitdrukking van. Ook het leven van alledag hoort voor een goede katholiek in het teken te staan van wat er later komt. De mens is enkel op aarde om een doortocht te maken van de geboorte naar de dood.

De voorstelling die ik mij in mijn jeugd van de hemel maakte, was een soort verheviging van wat ik in de kerk hoorde en zag. Zo gek was dat niet, want het kerkgebouw is ook volgens de leer een afbeelding van het hemels Jeruzalem. Bij de inwijding van een kerk wordt daarom de mooie hymne “Urbs Jerusalem Beata” gezongen. De uren die ik als kind in de kerk doorbracht, was ik in een andere tijd en kon ik me iets van de eeuwigheid verbeelden.

Ik herinner me een moment van openbaring. Ik ben tien jaar en ik zit in de vierde klas van de lagere school, we hebben geschiedenisles. De broeder hangt een plaat op. Op de plaat staat “Het leven in een Middeleeuws klooster”. Ik zie links bovenaan een stel jongetjes met van die kale kruintjes en in een pijtje – daar stond bij: “de koorschool”. Onmiddellijk zei ik tegen de jongen die naast me zat: als ik toen geleefd had, dan had ik op die school willen zitten.

Op diezelfde schoolplaat was een scriptorium afgebeeld, een ruimte waar monniken boeken overschreven. Het zien van die plaat is een Paulus-moment voor mij geweest. Het raakte me diep. Ik werd geconfronteerd met een compleet afgezonderde, een gesloten, ideale wereld. De wereld van de Middeleeuwen op die plaat, en die van het oude christendom waarover ik later leerde, gaven het gevoel dat ik er thuis was gekomen.

Pas na de lagere school, op het Ignatius College bij de jezuïeten, werd ik voor het eerst geconfronteerd met de schaduwkanten van het systeem, met een geloof dat iets van me wilde. Daar werd mij de zonde aangepraat. De jezuïeten waren heel opdringerig. De wereld moest bekeerd worden en als leerlingen hadden wij daarin ook een taak. Hun belevingswereld was absoluut en totaal. Wat ik vooral gemist heb op die school is een gevoel van geborgenheid. De troost van het geloof was daar geheel afwezig. Men was hard, praktisch en afstandelijk. Onzinnelijk ook. Terwijl het katholieke geloof juist ook op de zintuigen gericht is. Zelfs, of misschien wel juist, als er een beroep op kuisheid wordt gedaan. De zes jaar op die school hebben bij mij de eerste vervreemding van de kerk veroorzaakt. Het is het begin geweest van een breuk in mijn leven.

Dat ik mij niet thuis voelde bij de jezuïeten, was ook een sociale kwestie. Zij gedroegen zich als een elite. De normen van de rijke katholieken uit Amsterdam-Zuid werden op die school gehanteerd. Ik kwam uit een keurige armoedebuurt in West. Mijn moeder had enkel lagere school gedaan. Onder die elitaire sfeer op het Ignatius College heb ik geleden. Ik heb het de jezuïeten altijd hoogst kwalijk genomen. Dat doe ik nog.

Er was op die school maar één leraar die veel voor mij heeft betekend. Dat was Jan van Kilsdonk, een zeer ongewone man. In feite heeft hij me voor die school gered, bijvoorbeeld door mij boeken aan te bevelen die daar niet waren te vinden. Over kunst bijvoorbeeld. Daar waren de jezuïeten namelijk volstrekt niet in geïnteresseerd. Ook dat was een groot gemis. Een jaar of tien geleden sprak ik er nog eens over met Van Kilsdonk. Hij zei: “Er was wel degelijk één boek over kunst in de schoolbibliotheek te vinden; dat heette De kunst om een beter mens te worden.”

Als ik terugkijk, zie ik dat mijn wereldbeeld en mijn geloof tot mijn achttiende werden bepaald door een sterke gerichtheid op de hemel. Daar zou het allemaal nog schitterender zijn dan ik het hier al beleefde. Het was het geluk van een besloten wereld, waar een bedwelmende kracht van uitging. Daarna ben ik begonnen me daartegen te verzetten. Het was niet goed voor me, het was te sterk. Ik heb toen besloten geen opium meer te nemen. Om een beetje goed te kunnen functioneren moest ik mij niet te veel met het geloof inlaten. Ik nam bewust afstand, om zo weerstand te bieden aan de verslaving en het verlangen om altijd in de kerk te zijn. Vanaf dat moment ben ik veel meer in mijn vak, in de studie Nederlands, opgegaan. De hemel moest de hemel zijn en de aarde meer de aarde.’

2. Aarde
‘De liefde voor de literatuur is begonnen toen ik een jaar of dertien was. Eerst waren er de boeken van Anton Coolen, Dorp aan de rivier en Peelwerkers. In de vijfde klas van het gymnasium ontdekte ik Slauerhoff. Ook dat moment staat me nog zeer goed bij. Wij hadden een zeer slechte leraar, ik verveelde me altijd mateloos tijdens zijn lessen en bladerde dan wat in Nederlands na 1600, de bloemlezing van Karsemeijer en Kazemier. Daarin ontdekte ik op een dag “Chlotarius”. Dat was een sensatie, een ervaring zoals ik die nog nooit bij een gedicht had gehad en die mijn hele leven is blijven nawerken. Het zal geen toeval zijn dat het een gedicht over de Middeleeuwen was dat me zo raakte.

Een ander belangrijk boek is De catechismus van Frits van der Meer geweest. Van der Meer was priester en kunsthistoricus. Hij behandelt de geloofsleer, de leerstellingen op een manier die duidelijk maakt dat hij de hele westerse beschaving overziet. Hij citeert met evenveel gemak de kerkvaders als Franse mystici uit de achttiende eeuw. Het boek is daardoor een complete cultuurgeschiedenis. Compleet, in de zin van samenhangend en dus in zekere zin gesloten, maar tegelijk ook met de weidsheid van eeuwen. Bij het lezen dacht ik opnieuw: dit is mijn wereld. Besloten en ruim tegelijkertijd.

Literatuur en religie zijn niet hetzelfde, maar er zijn theologische werken die dezelfde kwaliteiten hebben als grote literatuur. De preken van de heilige Bernardus, die ik las toen ik een jaar of twintig was, hebben die grootsheid bijvoorbeeld. Bij Jhieronimus, Gregorius en Augustinus tref je iets dergelijks aan. In de paasmis zingt men: “Ik ben opgestaan en ik ben bij u.” Eigenlijk staat daar niet veel en tegelijk staat er alles. Er wordt verwezen naar de opstanding van Christus en naar de mogelijkheid om zelf naar de hemel te gaan. In die paar woorden komt een hele wereld samen. Die gelaagdheid en dubbelzinnigheid bewonder ik mateloos. Mijn voorliefde voor literatuur met dezelfde kenmerken komt ongetwijfeld voort uit mijn vroege fascinatie voor de formuleringen van de kerkgebeden. De huidige paus Benedictus xvi, Joseph Ratzinger, is een groot kenner van de oude theologie. In een van zijn paaspreken spreekt hij bijvoorbeeld over “God die Hem weer tot leven heeft gewekt” en verwijst dan tegelijkertijd naar Jezus en Adam, naar de opstanding en de schepping. Dat zijn natuurlijke moeilijke kunststukjes. De doorsnee gelovige snapt er niks van. Dat hoeft ook niet. En je hoeft het ook niet met hem eens te zijn om er bewondering voor te hebben. Dat geldt wat mij betreft ook voor literatuur. Ik zie niets in literatuurkritiek die een roman of gedicht aan de hand van een wereldbeeld de maat wil nemen of daar voortdurend naar verwijst.

In de afgelopen vijftig jaar heeft het christendom in West-Europa zijn centrale rol verloren. Door die ontwikkeling is de gedaante van onze cultuur veranderd. De westerse cultuur is haar tweeduizend jaar oude perspectief kwijtgeraakt, een perspectief dat als bindmiddel diende. Het wezen van godsdienst is dat het mensen bij elkaar brengt en bij elkaar houdt. Geloof kun je alleen maar in gemeenschap ondergaan. Het is geen privézaak. De eerste christenen waren ervan overtuigd dat Christus snel zou terugkomen op aarde. Dat is niet gebeurd en het zal ook niet meer gebeuren. In het jaar 1000 was er nog even die hoop én natuurlijk de vrees voor het Laatste Oordeel. Het was een maatschappelijk fenomeen; er deden zich allerlei excessen voor die hoorden bij de laatste dagen. Bij de recente millenniumwisseling was dat niet meer zo. Wij geloven niet meer dat wij in een eindtijd leven, we rekenen niet meer met de al zo vaak uitgestelde terugkeer van de Heer. Het verhaal is afgelopen. De tijd heeft gewonnen van de eeuwigheid. Veel mensen die nog wel zeggen te geloven doen dat in een aardse variant. Men is goed voor elkaar, men dient niet God maar de medemens. En na dit leven is het afgelopen. Daarmee is de kern uit het christendom gehaald. Er is geen hemel meer, de toekomst ligt op aarde.

Het katholieke geloof is een prachtig systeem, het mooiste ooit door de mens gemaakt. Ik ben er nog steeds niet op uitgekeken. Het belangrijkste nadeel ervan is de absolute pretentie. Met het absolute is niet te leven. De grote brandhaarden in de wereld getuigen ervan; ze hebben tenslotte allemaal met religie te maken. Het christendom, de islam en het jodendom vinden hun oorsprong in de woestijn. Waar niks is behalve lucht en zand kan zo’n absoluut geloof bestaan, maar in onze gecompliceerde wereld is de erfenis van de woestijn gevaarlijk. Ik twijfel er niet aan dat de wereld slecht is. Als er een duivel bestaat, dan is hij mens geworden. Wat mensen elkaar aandoen, dat doen alleen duivels elkaar aan. Het christendom wilde vrede op aarde brengen en is daar niet in geslaagd. Op dat punt kun je rustig spreken van een moreel faillissement. De maatschappelijke geschiedenis van het katholicisme is voor een groot deel een geschiedenis van geweld. In naam van de kerk zijn mensen uitgeroeid, onderdrukt, dom en arm gehouden. En toch geloof ik niet dat de wereld ervan opknapt als we morgen allemaal heidenen worden.

De grote verhalen van het christendom moeten doorgegeven worden, ook nu nog. Het gaat dan niet meer om geloof, maar vooral om cultuur. Om kennis. Daar moeten we misschien maar rond voor uitkomen, hoewel het me moeite kost. Maar alles is beter dan vaagheid. Niets afschuwelijker dan het zogenaamde “ietsisme”. Ik gruw van mensen die de Bijbel lezen als een soort new-age-spreekwoordenboek.

Kennis speelt bijvoorbeeld een rol bij de ervaring van religieuze muziek. Als je naar de Matthäus Passion gaat of naar de Maria Vespers van Monteverdi luistert, dan moet je daar iets van wéten. In de Mat-thäus klinkt doorleefde traditie mee. Een uitvoering van de Matthäus onderga ik als een religieuze ervaring. Daarin hoor ik de vroomheid van het achttiende-eeuwse protestantisme. Bij het vers “Wir setzen uns mit Tränen nieder” denk ik altijd aan de stilte die vroeger optrad in de lijdensweek, op vrijdagmiddag rond vier uur. Die stilte duurde tot zaterdagmiddag. Een treurige stilte. Een stilte waarin God ons heeft verlaten. Wie met die kennis en dat gevoel luistert, ervaart een pauze in de uitvoering van de Matthäus als een ongekende wreedheid. Jezus verlaten om koffie te gaan drinken… voor mij blijft dat toch heiligschennis.

Muziek heeft echter daarnaast het vermogen om haar oorspronkelijke, tijdgebonden betekenis te overleven. De vorm is zo sterk dat ze steeds iets nieuws voortbrengt. Paul Valéry noemde dit “het vermogen tot metamorfose”. De Matthäus Passion hoeft niet in de oorspronkelijke bezetting uit de achttiende eeuw in een kerk in Leipzig uitgevoerd te worden. Het stuk is met ons meegegroeid, het is hetzelfde gebleven en tegelijkertijd een ander stuk geworden. Er is ook literatuur die dit vermogen bezit. Maar die is zeldzamer.

Schrijven over muzikale ervaringen is even moeilijk als schrijven over religieuze ervaringen. Als er één kunst is die dicht bij het onuitsprekelijke van religie komt, dan is het de muziek. Dat betekent echter niet dat religie kunst is of kunst religie. Het zijn twee aparte werelden die allebei grote indruk kunnen maken, doordat ze een kern in jezelf raken. In die kern komen religie en kunst heel dicht bij elkaar.

Wat voorbij is, is voorbij. Er is een religieuze orde in België, de Bollandisten, die sinds de zeventiende eeuw van generatie op generatie werkt aan een grote encyclopedie van alle heiligen. Hun werk was een poging om orde in de chaos te brengen, om alle woekerplanten weg te snijden die rond de verhalen over de heiligen gegroeid waren. Maar de orde sterft uit en het grote werk zal niet meer afgemaakt worden. Ik berust daarin. Wat ik verschrikkelijk vind, is dat zoiets ook kennelijk niemand meer interesseert. Ik heb ook moeite met de afbraak of de herbestemming van kerkgebouwen. Het is onvermijdelijk, dat weet ik. De hemel is naar beneden gekomen en ligt om ons heen, in scherven op de aarde. Die resten van wat zo veel betekenis voor ons heeft gehad verdienen op zijn minst aandacht en respect.’

3. Hemel
‘De kerk heeft mij gevormd. Gevangen, denk ik soms. Los van de vraag of ik nu wel of niet geloof in een leven na de dood, staat het daarom voor mij vast dat ik alleen maar in en door de kerk afscheid kan nemen van alles. Ik vind dat ik dat verplicht ben. Natuurlijk ben ik bang voor de dood. Vooral voor het wegglijden terwijl je je ervan bewust bent en niet weet waar het eindigt. De gedachte aan een verdwijnen in het donker maakt me angstig.

Mijn uitvaart heb ik al geregeld. Die stel ik me vooral sober voor. Een Gregoriaanse mis in de Krijtberg. De jezuïetenkerk, ja. Geen preek. Niets over mij, niets persoonlijks. Ik lig niet in die kist in die kerk omdat ik zo veel stukjes heb geschreven. Dat doet niet ter zake. Ik lig daar, omdat ik bij de kerk wil horen. Die kerk hoort onverbrekelijk bij mij, al is er een periode van twintig jaar geweest dat ik niet meer naar de mis ben gegaan.

In de jaren zestig werd de Romeinse liturgie afgeschaft en door een dienst in de volkstaal vervangen. Maar ik had niks met de liederen van Huub Oosterhuis. Mijn kinderen memoreren nog weleens een nachtmis van Pasen, ergens in die tijd. Op het plechtige moment dat alle kaarsen ontstoken waren zei de pastoor tegen zijn kapelaan: “Zalig Pasen, Piet.” Zijn co-celebrant antwoordde: “Zalig Pasen, Toon.” En ik, in mijn kerkbank, omringd door mijn gezin, zei hardop: “Godverdomme.” Daarna ben ik twee decennia niet meer naar de kerk gegaan. Omdat mijn geloof was teruggebracht tot het niveau van de stamtafel en de huiskamer. Daar wilde ik niets meer mee te maken hebben. Je zet De Nachtwacht toch ook niet op straat om in plaats daarvan kindertekeningen in het Rijksmuseum te hangen?

In die jaren dat ik niet naar de kerk ging, is er geen dag geweest dat ik er niet aan heb gedacht. Mijn hele leven ben ik met God bezig geweest, of Hij nu bestaat of niet. Op mijn achttiende dacht ik er serieus over na om monnik te worden. Dat was geen roeping, ook geen romantiek. Het was eenvoudig de behoefte om altijd bij de kerk te zijn. Ik was niet zo gezond, ook om die reden ging dat niet door. Maar als ik monnik had kunnen worden, dan had ik trappist willen zijn. Hoe strenger, hoe beter. De benedictijnen bijvoorbeeld, met hun prachtige bouwwerken en gezangen, spreken mij uiteindelijk minder aan. Ze zijn me te mooi, te Frans. Trappisten zijn eenvoudig, mannelijk ook. Als ik bij de trappisten kom, ben ik meteen thuis. Laatst droomde ik ineens dat ik in een gang liep. In de droom was ik monnik geworden. Ik droeg een pij. De droom duurde een seconde, langer niet. Het is vreemd, maar kennelijk denk ik er toch over na hoe het afgelopen zou zijn als ik dat pad had bewandeld.

Heel mijn leven heb ik voor de geest geleefd. Ik heb een saai, zittend leven gehad. Mijn moeder zei altijd dat ik eerder praatte dan dat ik liep. Ik ben niet meer gezond. Mijn lichaam is een bouwval geworden, net als het grote lichaam van de kerk in stukken ligt. Maar die resten vormen toch nog steeds de bevestiging van wat je je leven lang bent geweest. Dat kun je niet loslaten en het laat jou niet los.

Ik had een graf voor mezelf op de begraafplaats Sint-Barbara gereserveerd. De rekening was al betaald. Maar toen ik er met mijn dochter ging kijken, bleek dat ik tussen een Albanese crimineel aan de ene kant en de heer Sam Klepper aan de andere kant zou komen te liggen. Ik wil best naar de onderwereld, maar niet naar deze. Die plek heb ik dus weer afgestaan. Ik hoop dat ik nu op de Nieuwe Ooster kom te liggen, in de buurt Breitner en… Dat lijkt me mooi.

Voor wie zijn verstand gebruikt, kan er geen hiernamaals zijn. Wie betoogt dat het na onze dood helemaal afgelopen is, vindt mij niet op zijn weg. Ik zal dat standpunt niet aanvechten. Maar alles wat ik aan het geloof beleefd heb, heeft wel zijn sporen achtergelaten in mijn denken over de mogelijkheid. Soms hoop ik weleens dat er met de dood een overgang is naar het licht. In het licht zou ik graag opgenomen willen worden. Geloven gaat om de vereniging met het eeuwige of absolute. Over de wens om voor altijd in Gods nabijheid te zijn. De mooiste woorden uit de Bijbel zijn voor mij daarom die van Gabriël die bij Zacharias komt en zegt: “Ik ben Gabriël, die in Gods nabijheid verkeert.” Die nabijheid. Dat is de essentie.’