Advocatenjas

In de zevendelige serie 'Ondertussen', plaatst Mariëtte Baarda het bestaan op een bescheiden voetstuk. Vandaag deel 4: Een nieuwe look door de mooiste jas die nooit gedragen wordt. Lees hier ook de eerdere delen.



Ik had ooit een prachtige jas die tot aan mijn enkels viel. Getailleerd en aan de mouwen en onderkant afgezet met subtiel borduurwerk. De mooiste jas die ik ooit heb gehad. Ik had hem alleen nooit aan.

De eerste en laatste keer dat ik hem droeg was op een zonnige septemberdag. Ik voelde me als een Russische prinses toen ik de zijden jasvoering over mijn schouders liet glijden. Ruisend schreed ik door de Plantagebuurt. Plotseling klonk een kreet uit een bovenraam. Een man in pak stormde het pand naast het Verzetsmuseum uit.

‘Elise...!’

Hij had me omhelsd als ik niet uitgeroepen had: ‘Je vergist je! Ik ben iemand anders!’ Teleurstelling spoelde over zijn gezicht.

‘Maar we hebben elkaar toch op de borrel van Floris ontmoet? Jij was toch advocate?’

Advocate...?? De jas!

Er gebeurde die dag van alles dat me uit mijn dagelijkse routine haalde. In de drogist werd ik beloerd door ogen die ternauwernood onder een wollen muts vandaan kwamen. Nu word je als vrouw wel vaker aangestaard, maar deze blik kon ik niet thuisbrengen. Tot ik me realiseerde dat ik er in deze jas een stuk koopkrachtiger uit moest zien dan anders. Meestal draag ik een bij elkaar gescharrelde mix van vintage en uitverkoop. Met sneakers eronder. En een linnen rugzakje. ‘Arty’, van het wat armere soort, zeg maar. Maar voor de jas had ik mijn gympjes verruild voor hoge hakken en een handtas van mijn moeder geleend. In de blik van de man lag begerigheid, geen begeerte. Ik verstevigde de greep om mijn tas. Een vreemde sensatie. Nooit eerder had ik me bezig gehouden met mijn beroofbaarheid.

Niet alleen ongure types merkten mij op. Overal waar ik kwam werd ik toegeknikt en werden er deuren voor me opengehouden. In een lunchroom gaf een zakenvrouw haar opengeslagen laptop bij mij in bewaring om vervolgens een uur weg te blijven. Ineens werd mijn nieuwe look me teveel. Ik wilde naar huis.

‘Van een afstand lijkt het precies suède’, zei een vriendin bewonderend, terwijl ze haar hand liefkozend langs het ribfluweel liet glijden.

‘Het is een advocatenjas’, sprak ik somber. ‘Ik verdien ineens bovenmodaal’. Haar lach schalde door de kamer. ‘Joh...! Een paar sneakers eronder, je haar een beetje door de war en je bent weer helemaal jij’. Maar toen ik even later met woest kapsel en rode gympen voor haar stond, ontging haar aarzeling me niet. Tegen deze jas kon ik niet op.

Het is het Diderot-effect, de glijdende schaal waarin je terecht komt wanneer je een luxeartikel aanschaft. Bij Diderot dreigde een identiteitscrisis nadat een vriendin hem een zijden kamerjas schonk. ‘Ik zie er uit als een vadsige rijke’, klaagde hij. Met de oude jaspanden had hij boeken afgestoft en als het moest zijn neus afgeveegd. Het versleten meubilair en de slordig opgehangen prenten in zijn werkkamer waren hem ineens gaan tegenstaan. Alles moest anders. ‘Ik was heer en meester over mijn oude kamerjas’, schreef hij in een brief, ‘van de nieuwe ben ik een slaaf geworden’, om af te sluiten met: ‘Laat mijn voorbeeld u tot lering strekken. De armoede heeft haar vrijheden, de weelde haar beperking’.

Ik had dus een jas. Nu moest ik ook een nieuwe baan en een nieuw huis. Misschien dat ze door het dragen van de jas vanzelf naar me toe zouden komen. Maar omdat ik tevreden was met mijn leven, gaf ik de jas aan de vriendin. Die daarop prompt de man van haar leven tegenkwam.