honderdtachtigste jaargang
3 december 2017

Brief van een Romeins veldheer

Wij vechten in een land, waar
het water sterk is als een draak.
Er woont een vreemd ras: batavieren.
Zij kennen weinig wapens
en verbergen hun vrouwen.
Zij aanbidden germaanse dieren
uit hetzelfde hout gesneden
als de laaghoofdige krijgslui.


Vanmorgen zei ik tegen Claudius:
zie de mannen, zij leven als padden
aan de waterkant of schuilen
kwakend op een holle boomstam.
Zij aanbidden hun afgodsbeelden
die bijna wegzinken in het moeras.


Vaak denk ik aan Rome, ons huis,
aan de koele muziek die je speelt
voordat je lenig en naakt
de nacht van kleur doet verschieten.
Ik denk aan ons bed met vleugels
van goden die zaaien en oogsten.


Ik schrijf je dit op mijn speelbord
waarop ik ook onze veldtochten teken
en alles schrijf wat mij hoog zit:
ik hou van de vuurstenen rede
en de helderheid van ons recht.
Ik haat de dood zoals ik hem hier zie:


een voddige schets met vlekken,
een slecht begrepen betekenis
van het lichaam dat ademen doet.