honderdeenentachtigste jaargang
23 juli 2018

De favorieten

door Pete Wu

Pete Wu kijkt naar de favorieten in zijn browser en ziet een digitale stoet aan romantische veroveringen aan zijn ogen voorbij trekken.



Als een onverzorgde begraafplaats ligt hij erbij, de rij aan bookmarks bovenin mijn Chrome-browser, overwoekerd met gebroken hyperlinks, ondergesneeuwde vergeet-me-nietjes in diepe mapjes met schots en scheve afkortingen die ik ooit voor ze bedacht, vage herinneringen uit een vormend verleden als vormloze twintiger. Ze bloeiden en tierelierden in de nacht, mijn favorieten, maar ze groeiden en tierden alleen maar omdat iemand ze al die tijd de ruimte gaf.


Een bezoek voelt dan ook als een serie van flashbacks aan vergeten romantische veroveringen. Zo waad ik vandaag door websites die ik bezocht omdat ik jaren geleden op H. was. Ik oefende destijds dagenlang het alfabet in gebarentaal via Nederlands met Gebaren op Wikipedia, om indruk op hem te maken. H. werkte met jongeren met verstandelijke beperkingen en gebaarde de hele dag in stilte met ze, in bungalows ergens ver weg van de stad. H. woonde in Oost, was dun en antikapitalistisch; we pasten niet bij elkaar en als ik boos was, appte ik hem ‘een baard maakt nog geen man’. De laatste keer dat ik H. zag, bij een concert in de Trouw in Amsterdam jaren geleden, droeg hij geen baard meer – het enige gebaar dat hij me toonde die avond was er één in stilte.


Ik denk bij een mapje met Franse nieuwslinks vol weemoed terug aan mijn tijd met de oer-Hollandse en jongere S., die de assistent was van een bekende trendforecaster en daarom steeds in een of andere wereldstad moest zijn, maar altijd terugkeerde naar Nederland – tot hij op een dag in de Grote Snelle Trein stapte en mijn leven uitreed. Hij woonde voortaan in Parijs, had grote handen en ik wilde hem bellen om te zeggen dat ik toch (eigenlijk) niet met blonde jongens datete. Ik probeerde me nog even voor te stellen hoe het zou zijn om als journalist elke dag Le Monde en France 24 bij te houden op de terrassen van Le Marais, maar S. nam de telefoon niet meer op.


Dan was er nog de jonge Fransman G. Hij had groene ogen, een dun snorretje en een dik accent, en hij bracht zes dagen in de week in een warenhuis door, waar hij te dure kleding voor een Frans merk verkocht. G. wilde altijd wild door de slaapkamer worden gegooid, maar ik wilde eigenlijk niets met hem, omdat hij geen ambities had en naar eigen zeggen van drama en Aziaten hield. In de tijd dat ik G. leerde kennen, begon ik daarom te lezen over yellow fever, het idee dat iemand ‘Aziatisch’ als seksuele voorkeur had. Pas op de allerlaatste avond dat ik hem ooit zag, vroeg hij me verkering. De volgende ochtend gooide ik hem weg, de kamer door, en nam ik hem niet meer terug.


Toen ik opgroeide en in de kast zat, had ik veel aan de persoonlijke LiveJournal van een blonde jongen uit een kleine stad in de Verenigde Staten. Hij was half Deens, droeg iets te veel babykilo’s met zich mee en hij vertelde op vaak poëtische wijze over hoe het is om op te groeien als homo. Zijn blog leerde mij hoe het ging als college student, over romantische ontmoetingen, drama met vrienden, de druk om te gaan studeren of steeds weer uit de kast komen bij nieuwe mensen – en dat allemaal met naam en toenaam. Op een dag wiste hij zijn hele blog – het enige wat overbleef was één post, een jeugdfoto van hem, met eronder ‘All in all you're just another brick in the wall’. Jaren later vond ik hem op LinkedIn om hem te bedanken, maar ik kreeg nooit antwoord en nu is ook de link naar zijn profiel dood. Misschien date ik door hem (eigenlijk) niet meer met blonde jongens.

~

En nu, elke ochtend wanneer ik, inmiddels een vormloze dertiger, mijn browser weer open, word ik eraan herinnerd dat mijn geschiedenis van vluchtige interesses nooit dement zal worden: mijn Chrome slaat ze automatisch op in de cloud. En dus zie ik ze, steeds weer, de jongens, en neem ik ze mee van laptop naar laptop, terwijl ze zich langzaam en nooit verontschuldigend voor mijn ogen blijven vermenigvuldigen. Ik probeer ze te vergeten, mijn favorieten, maar ze blijven bloeien en ze blijven tieren op hun digitale graf.