honderdeenentachtigste jaargang
3 juli 2018

In de kazerne

door Armando

We liepen recht op de kazerne af.
Mooie kastanjebomen onderweg. Hier en daar een vogeltje. Een enkele voorbijganger, die ons aangaapte: wij waren immers de koning en de koningin.

‘Gegroet, majesteit,’ riep de wachter.

‘Heb jij, heb jij?’ vroeg ik. De koningin aan mijn linkerzijde begon meteen te stampvoeten, ze werd ongeduldig.

‘Alles heb ik,’ antwoordde de wachter.

‘Goed zo, man,’ zei ik.

De man, ik zal de man beschrijven. Hij droeg een rode, wijde broek, met ritssluitingen opzij, geheel volgens de overlevering. Zijn muts liet twee grote oren onbedekt. Grote oren had iedereen in mijn land, liever gezegd, moest iedereen hebben, want o, men moest zo op zijn hoede zijn. Alles horen en zien. O ja, daarom had hij ook nog een dikke bril op. Ik legde mijn hand op z'n schouder.

‘Ben je trouw, man,’ vroeg ik.

Maar was z'n glimlach niet een volwaardig antwoord? Moest de man daar nog iets aan toevoegen? Nee, hij was zo trouw als het maar kon.

‘Gaan we nog,’ zei mijn vrouw, de koningin, ‘als u zo lang blijft kletsen heeft iedereen het hoog en breed door dat we er zijn.’

Natuurlijk, daar had ze gelijk in. We zouden onverwachts de kazerne bezoeken om te kijken of iedereen paraat en trouw was; ja, we wilden zelfs proberen om gesprekken af te luisteren, maar dat zou niet meevallen.

Ik zal verder vertellen.

We betraden het kazernegebouw. De grote deur was dicht, mooi zo. Ik begon hem open te duwen, maar dat viel niet mee. Ik had de grootste moeite, hoor. Nou moet ik er nog bij zeggen dat ik zeer dik was, veel te dik, dientengevolge nogal slap. Het kwam er eigenlijk op neer, laat ik er maar niet omheen draaien, dat ik de deur niet in beweging kreeg.
‘Laat mij maar es,’ gromde m'n vrouw, de koningin. Ze stak haar armen recht naar voren, ze sloot haar ogen en liep op de deur af. Deksels, tegen zoveel kracht was zelfs de grote deur niet bestand.

‘O, wat beschikt u toch over krachtige armbewegingen, lieve vrouw,’ sprak ik en lachte haar bewonderend toe. Ik had haar bijna geaaid, maar durfde niet. Ze kon opvliegend zijn, je wist het nooit, ze gaf je zo een klap, bij voorkeur waar iedereen bij stond.

‘Heel krachtig,’ fluisterde ik nog.

‘Ik krijg u wel,’ mompelde de koningin.

Ja, wat nu weer, ik was toch niet onbeleefd geweest of zo. Ach, had ik vanochtend maar m'n japon aangetrokken. De koningin was eigenlijk heel wat beminnelijker tegen me als ik m'n japon aan had. Maar als ik m'n broeken droeg, o, dan was ze zo kwaadaardig. Ik weet niet hoe dat komt, maar in een japon kun je als man en als koning nu eenmaal niet naar de kazerne. Dat wist de koningin toch ook wel.

‘Dag allemaal,’ riep ik vrolijk, maar er was niemand. Jammer.

‘Als u niet ophoudt met roepen, ga ik weer terug naar het kasteel. Op die manier valt er niet te regeren.’ De koningin was kwaad, dat begreep ik.

‘Ja maar,’ lachte ik, ‘we moeten de mannen toch op z'n minst groeten, dacht ik. Goed, we moeten ze straks misschien beetnemen, als ze hun plicht verzuimen, alles goed en wel, maar groeten moet. Daar hebben de onderdanen recht op. Vind ik tenminste.’


We slopen door de gangen.

O, de gangen van kazernes! Iets mooiers weet ik niet te noemen, echt niet. Nergens galmen de barse bevelen zo hard en daveren de laarzen zo luid tegen de kale muren op, kortom, het klinkt en het ruikt. Bovendien brandt er steeds licht.

Het spreekt vanzelf dat alle deuren op de gang even groot zijn. Maar de deur waar de gang op uitkomt is hoger en breder, en zwart van kleur. ‘Daarachter vindt het plaats,’ fluisterde ik en greep het handje van de koningin, ‘daar krijgen ze onderricht, daar leren ze van alles, daar zullen ze zich bevinden, let op, het gaat gebeuren, bent u klaar?’

De koningin knikte, ze beefde. Het was de eerste keer dat ze de kazerne bezocht en zoiets valt nooit mee. Haar wangetjes waren nat.

Ik duwde de deur open en daar stonden we, in vol ornaat, vurig, misschien zelfs een beetje krijgshaftig.

Maar wat was dat?

Hier was geen sprake van enig onderricht, hier was sprake van verveling. De soldaten lagen of zaten op de vloer, ze rookten en dronken, maar wat nog erger was, ze vloekten toen ze ons zagen. Een bende.

‘Dag allemaal,’ probeerde ik te zeggen, maar mijn stem sloeg over.

‘Waar is jullie generaal,’ donderde de koningin.

‘Hahaha, de generaal.’ De soldaten lieten hun ruwe lach horen en ik zag dat menig soldaat geen voortanden meer had. ‘Hahaha, we weten nauwelijks hoe de generaal eruitziet, hij ligt altijd op bed, z'n roes uit te slapen, hahaha, de generaal.’ Dit kregen we te horen.

De kranige generaal met z'n wapperende grijze haren, met z'n strikte voornemens, een ongenaakbare man met strenge oogopslag onder z'n te grote maar sierlijke pet, een man ook vol koddige hoffelijkheid jegens zijn koning en koningin, jegens ons dus, een man kortom van branie en afkomst, en dan dit.

Z'n roes?

Ik schrok, de koningin kneep in m'n zij. Ze bracht haar mond dicht bij m'n oor.

‘Wacht even, soldaten,’ zei ik, ‘de koningin gaat iets tegen me zeggen. Een mooi moment.’

‘Het zijn schoften,’ klonk het in m'n oor, ‘schoften.’

Ik slikte en probeerde te glimlachen. ‘Ach, heren,’ zei ik, ‘de koningin kan soms zo grappig zijn, begrijp dat toch, mijne heren.’

Ik nam me voor om nooit meer een bezoek af te leggen in de kazerne.

De koningin, mijn vrouw dus, keerde zich met een ruk om en liep weg. ‘Schoften,’ we konden haar duidelijk in de verte horen roepen, ‘schoften!’

Dit was laf, eigenlijk. Nu moest ik in mijn eentje een dikke koning zijnde, de soldaten op hun ongemanierde gedrag wijzen. Misschien hakken ze me wel in stukken als ik de goede toon niet kan vinden, of binden ze me vast en draaien ze me een arm uit. Je weet het nooit met soldaten. Zijn zeer onberekenbaar. En een koning verdedigt zich niet, dat weet iedereen.

‘Heren soldaten,’ begon ik, ‘althans...’

‘Woorden, woorden, daar komen ze weer aan, de woorden, daar hebben we toch niets aan, koning,’ brulden de soldaten. Ze waren oud geworden.

Ik sloot m'n ogen en telde tot drie. ‘Ik weet wat,’ riep ik, ‘ik heb een vraag, en dat is deze: hebben jullie de koningin, mijn vrouw, hè, hebben jullie haar nog lief?’

De soldaten gingen tekeer en schreeuwden door elkaar. Geen duidelijk antwoord dus.

Ik zei: ‘Goed, dan zal ik jullie vertellen hoe ons huwelijk tot stand kwam, hè, hebben jullie recht op. Onze ouders... het was geen pretje...’

Maar ik kon niet verder, ze waren immers dronken. De soldaten begonnen hard te zingen, zoals alleen soldaten dat kunnen.

Vroeger? O, vroeger, toen de koningin nog jong was, vroeger. Ik herinner me dat ik meteen al niet te spreken was over het postuur van de koningin, daar deugde werkelijk niets van. Maar onze ouders wilden van geen wijken weten. Het moest en het zou. Nu, daar waren we dan. Een loom koninkrijk, met veel dennenbossen, dat wel, maar geen enkel ontzag bij de soldaten, dat was vandaag wel gebleken, maar waarom hadden we dat nooit geweten? Geen hoveling die ons op de hoogte hield.

Intussen was ik gaan huilen, maar de soldaten kenden geen mededogen en dat hoort ook niet. Er bleef mij niets anders over dan weg te gaan, me terug te trekken naar m'n uitkijktoren in het kasteel, waar ik best wat in de melk te brokkelen had.

En de koningin? Had het brullen en blazen van de soldaten indruk op haar gemaakt? Zou ze het bezoek aan de kazerne ooit kunnen vergeten? Ik trok zachtjes de zwarte deur achter me dicht.

Buiten stond de wachter te lachen. ‘Waarom lach je toch?’ vroeg ik, ‘is het binnen niet vrolijk genoeg. Ze zingen en ze drinken!’ Ik wees in de richting van het gebouw.

‘Omdat ik bang ben, meneer,’ zei de wachter en hij nam z'n bril af, ‘ik ben bang dat de kazerne binnenkort in vlammen zal opgaan. Ik voorspel u dat alle manschappen onbekommerd zullen omkomen. Er zal sprake zijn van een grote ramp. En toch kan vuur zo aantrekkelijk zijn.’

‘Natuurlijk, wachter, natuurlijk,’ meer kon ik niet zeggen, er was op dat moment ook niets meer te zeggen: wachters spreken meestal de waarheid.

Hé, een vrouwenstem. ‘Kom je?’ Ik holde naar haar toe.

De koningin keek me bezorgd aan. ‘Ziet u dat ik een kuif heb,’ begon ik. Ze streek m'n haar glad en zei: ‘Het is bijna afgelopen, hoor, bijna.’

Ik keek omhoog, ik zag aan de hemel dat ze gelijk had. De hemel zag er verheven uit, maar ook broos, heel broos.

Ja, ze had gelijk, het was bijna afgelopen.


De koningin had me meteen naar bed gebracht en ze was aan m'n hoofdeinde gaan zitten. ‘Bent u teruggekomen,’ vroeg ze, toen ik m'n ogen opsloeg. Ik knikte haar toe en zei: ‘Ondanks dat de wachter de waarheid sprak voel ik me toch een stuk beter. Dat kan dus samengaan.’

‘Natuurlijk kan dat samengaan, dat lijkt me zelfs heel verklaarbaar,’ antwoordde de koningin.

‘Ja,’ zei ik en wreef in m'n ogen.

De koningin liep naar het raam en keek naar buiten. ‘Komen ze al?’ vroeg ik.

‘Bijna,’ antwoordde ze.

‘Zouden ze in de verte te horen zijn?’

‘Dat denk ik niet. Ik neem aan dat ze in alle stilte komen.’

‘Hoort u geen geratel of zo.’

‘Nee, ik hoor niets.’

‘En getrommel, hoort u getrommel.’

‘Ook niet.’

De koningin kwam weer bij me zitten en greep m'n hand. Ik kreeg een hevig verlangen om haar voor de laatste maal aan het lachen te maken. Onder het mompelen van ‘misschien kunt u nog lachen, lieve koningin’ frommelde ik het kussen onder m'n nachtgewaad, zodat ik er als een bultenaar uitzag. Ik ging op het bed staan en spreidde beide armen uit.

‘Héhé,’ riep ik, ‘héhé, wie ben ik. Een levende. En wie zijn jullie? Rechtoppers. Ja, krijg het maar niet te kwaad! Hier is het hogere leven nog, hier, in mijn heuvelrug. Hier broeit en gist het. Rekken jullie je maar uit. Ben ik geen overlevende? Pssst, wie mij helpen wil krijgt een schop. Te laat, mensen, ik ben al krom.’

‘O,’ hijgde de koningin, ‘ik lach.’

‘Ziet u wel,’ riep ik uit, ‘ziet u wel?’ Ik legde het kussen weer op z'n plaats.

De koningin liep lachend naar het raam. Ze greep de spijlen vast, tuurde even naar buiten en fluisterde: ‘Daar heb je 'm.’

‘De vijand?’

‘Ja.’

‘Gek is dat. Ik wist dat het zou gebeuren en toch schrok ik.’

‘Ja, dat is vreemd.’

‘Wat zal ik doen, lieve koningin. Zal ik me in m'n japon laten overmeesteren of in m'n broeken?’

‘Nee,’ antwoordde de koningin, ‘zeker niet in uw japon. Laat de vijand zien wie u was. Hij zal het zich nog eeuwenlang herinneren.’

‘Brandt de kazerne al,’ vroeg ik.

‘Ja.’

Ik vond nog net de tijd om m'n mooiste broeken aan te schieten, het kon nog, ik kon nog naar m'n leunstoel komen. Want de vijand moest en zou zien dat ik, de koning, waardig op hem wachtte. Hé, waar was m'n kroon eigenlijk, ik was m'n kroon kwijt.

En ja, daar verscheen de vijand. Hij kon niet praten, dat had hij nog niet geleerd, maar het was hem aan te zien dat hij wist wat hij wilde. Hij snoof als een dier. Hij kwam op ons af om z'n plicht te doen.

Vaarwel, vermolmd en wankel vaderland, vaarwel.