honderdeenentachtigste jaargang
12 juli 2018

Ode aan het zout


Dit zout
uit het zoutvaatje
heb ik zelf gezien in de zoutmijnen.
Ik weet dat
niemand
me zal geloven,
maar
het zingt,
het zout zingt, de huid
van de zoutmijnen zingt,
zingt
met een mond gesmoord
door de aarde.
Ik huiverde in die
afgelegenheden
toen ik de stem
van
het zout
hoorde
in de woestijn.
In de buurt van Antofagasta
weerklinkt
heel
de salpeterhoudende pampa:
gebroken
is de stem
droevig
het gezang.


Vervolgens, in haar holten,
kermt het zout, een berg
van begraven licht,
transparante kathedraal,
kristal van de zee, vergetelheid
van de golven.


En vervolgens, op elke tafel
van deze wereld
strooit
jouw dartele
substantie,
zout,
het licht van het leven
over
de spijzen uit.
Bewaarder
van de scheepsruimen
van weleer,
ontdekker
was je
in de oceaan,
een stof
die vooropging
langs de onbekende, halfopen
paden van het schuim.


Zeestof, de tong
krijgt door jou een kus
van de mariene nacht:
de smaak grondvest in elk
gekruid gerecht jouw oceanië
en zo leert de nietige,
de piepkleine
golf uit de zoutstrooier
ons
niet alleen zijn huiselijke witheid
maar ook de kernsmaak van het oneindige.



Vertaling: Catharina Blaauwendraad