honderdeenentachtigste jaargang
5 november 2018

100 pinnen in Parijs




Meisje met kort Levi’s-broekje


1. Een onbedaarlijk huilend meisje.
Ze zit tegen een lantaarnpaal aan terwijl een vriendin – of is het haar moeder, de vrouw lijkt leeftijdloos – er onhandig naast staat, twijfelend of een aanraking zal troosten of juist iets onbedaarlijkers in gang zal zetten.


2. Een taximenner
Een harde, rauwe mannenstem schalt tussen de chaotisch geparkeerde taxi’s door. Twee seconden was hij van zijn wachtpost af en het is een zooitje. Iedereen schreeuwt, iedereen gebaart, iedereen is ontevreden.


3. Een danser
Achter een dubbele rij zwarte, grijze en witte auto’s, achter de zwaar bepakte reizigers die zich het station uit worstelen en zich de rij met wachtenden induwen waardoor de mensen vooraan met enkele seconden vertraging moeite hebben op het trottoir te blijven staan, danst een jongen.


4. Een handpalm
Geopend, alsof hij met de grootst mogelijke tederheid lucht probeert te verplaatsen.




Massage by Man


Na de pauze staat er behalve een zes meter hoge stalen constructie die een stier voor moet stellen, ook een naakte matador op het toneel. De man, gespierd maar klein, loopt in een steeds sneller tempo rondjes rondom de stier, die minachtend op hem neerkijkt, machtig, maar van staal. De man draagt enkel een hoed van stro. Wanneer zijn lopen in rennen overgaat beweegt zijn geslacht wild en ongecontroleerd heen en weer. Er is commotie in de zaal, geroezemoes stijgt op, het klinkt verontwaardigd. Een paar rijen voor mij wendt een vrouw haar hoofd af.

Niet veel later is de man verdwenen. Helpers in zwarte pakken gestoken trekken pinnen uit de stalen, roestkleurige stier zodat hij steeds wankeler komt te staan. Hij wiebelt vervaarlijk heen en weer, en het duurt niet lang voordat het publiek doorheeft wat de bedoeling is: de stier zal omvallen, getemd door de matador en zijn beweeglijke onderlijf.

Wanneer de zwaartekracht het wankele beest te pakken heeft en zijn kop – als eerste over het zwaartepunt heen – naar beneden trekt, haalt de zaal, gevuld met meer dan twaalfhonderd bezoekers, één gezamenlijke teug adem. We zetten ons schrap voor de oorverdovende klap, maar wanneer het beest neerkomt horen we niets anders dan een zachte plof. De stier was gemaakt van staal en het staal was gemaakt van karton. Het neerkomen van de constructie stuurt een zucht lucht de zaal in die over onze hoofden aait. We openen onze ogen en zijn er nog.




Vreemd gebouw met gouden koepels


‘Kijk!’ Zegt Bruno. Hij wijst met de hand waarmee hij ook een literfles Evian vasthoudt. Daar loopt hij al het hele uur dat hij mij rondleidt mee te worstelen: de fles en de aktetas van zacht bruin leer die hij telkens van hand naar hand laat overgaan. De fles water steekt hij een keer in de zoveel tijd onder een oksel, maar daar glijdt hij steeds weg in de zachte stof van zijn maatpak.


Bruno is de zoveelste Parijzenaar die me te hulp schiet als ik op een willekeurige straathoek hopeloos verloren met het stratenplan sta te worstelen. Hoewel ik redelijk roekeloos begon met mijn wandelingen, zijn er naarmate de dagen verstreken harde wetten in mijn onderzoeksmethode geslopen waarvan ik de herkomst niet meer kan reconstrueren, maar die ik misschien juist daarom consequent en zonder uitzonderingen in acht neem. Een van de regels is dat ik geen gebruik mag maken van een telefoon. Mijn richting en routes mag ik uitsluitend bepalen aan de hand van een gedetailleerde kaart en een stratenplanboekje die ik op de eerste dag voor € 16 bij een kiosk kocht.

Een goede kaartlezer blijk ik niet te zijn. Kruispunten die ik onder mijn vingertop heb zijn vijf minuten later plots van het stratenplan verdwenen. Meerdere malen per dag moet ik een rustige plek zoeken om de kaart helemaal uit te kunnen vouwen. Op die momenten zie ik mezelf zoals voorbijgangers mij zien; afwisselend het gekreukelde papier en de hoekgebouwen afspeurend naar straatnamen die overeenkomen. Geïrriteerd, maar misschien vaker nog ontredderd.


Soms is er iemand die me aanspreekt. Iemand die behulpzaam wil zijn, al is het alleen maar door aan te wijzen waar op de kaart ik me op dat moment bevind. Er zijn ook Parijzenaren die me lang of kort op sleeptouw nemen, trots vertellend over de historie van de stad, of hun eigen historie en welke plekken daar precies in figureren. Bruno vroeg of ik de Kathedraal van de Heilige Drie-eenheid al had gezien, of, zoals hij het zelf verwoordde: ‘Dat gebouw met die gekke, gouden koepels’, en ik zei nee, en hij zei kom, vriendelijk maar ook kordaat, alsof hij geen tegenspraak zou dulden en ik twijfelde, even, zoals ik de hele tijd twijfel bij iedere vreemde die ik ontmoet of de voorstellen die ze doen eenduidig vriendelijk zijn of dat er iets anders onder hun woorden schuilgaat. Ik keek heel goed naar Bruno’s gezicht, de diepte van zijn kraaienpoten, de kleur van zijn irissen, de staat van zijn gebit. In zijn mondhoeken ontdekte ik niets kwaadaardigs. En nu ik naast hem sta en de inderdaad gekke, veel te glimmende gouden koepels bekijk, gerustgesteld door zijn enthousiaste manier van vertellen, het gehannes met de aktetas en de waterfles, vraag ik me af wat ik in zijn gezicht had moeten zien om te zeggen: nee, ik loop niet mee. Of kwaadaardigheid zich in gelaatstrekken op kan houden.




Geboortehuis Balzac


Er is geen spiegel in Parijs waarin ik mezelf niet bekijk. Geen winkel- of kantoorraam, geen bushokje, geen waterplas waarin ik niet even, al is het alleen maar in het voorbijlopen, een blik werp op mijn eigen reflectie. Gewoon om te weten dat ik er nog ben. Dat er een fysiek bestaat naast dat hoofd, waarin het hele leven zich tijdens mijn wandelingen probeert samen te persen.

Het is een ritueel. Telkens wanneer ik kijk, weet ik dat dat hoofd het eerste zal zijn wat me opvalt: hoe het een klein beetje scheef op mijn nek staat. Het neigt naar voren, alsof iemand tegen me fluistert en ik onopvallend moeite doe te horen wat diegene zegt. Om het hellende gewicht te kunnen ondersteunen, staan ook mijn schouders vreemd gekromd en zo zie ik in iedere weerspiegeling de kiem van een oude, gebochelde vrouw.


Dat is Marcs schuld. Marc schoot me te hulp toen ik een aantal dagen geleden midden op een druk kruispunt besefte dat ik verdwaald was. Het uur daarna leidde hij me enthousiast rond. Langs een aantal Art Deco-huizen, de Passage des Eaux en het geboortehuis van Honoré de Balzac – een smalle bungalow die ooit twee uitgangen had, waar door de grote, Franse schrijver jarenlang als een laf molletje zijn schuldeisers ontvluchtte. Vlak voordat Marc me afzette bij metrostation Balard trok hij midden op straat ineens zachtjes mijn schouders naar achter. Met een aaitje over mijn voorhoofd dwong hij mijn bovenlichaam rechtop.

‘Tension,’ zei hij. ‘It tells a lot about people.’

Zijn aanraking was liefdevol, vaderlijk bijna. Ik schrok van de handen van een vreemde ineens zo dichtbij.

‘What does this tension tell you?’ vroeg ik voorzichtig.

Hij bekeek me uitvoerig, zag hoe ik stijf en onwennig mijn schouders en hoofd rechtop probeerde te houden, alsof ik me klaarmaakte voor een staatsieportret. Hij glimlachte kalm.

‘It tells me that you’re not proud.’




Het hotel


In een krappe hotelkamer vouwt een man zijn kleren op voordat hij naakt naast het meisje gaat liggen. Ze heeft net voor hem gedanst in de smalle ruimte tussen het bed en het raamkozijn. Haar eigen kleren trok ze langzaam en onhandig uit. Ze sloeg haar ogen neer en keek op zoals ze dacht dat hij dat opwindend vond. Echt goed inschatten kon ze dat niet. Ze ziet hem niet vaak genoeg om te weten wat die schuine frons in zijn voorhoofd betekent: begeerte of ongeduld. Het tapijt kietelde aan haar voetzolen.


Ze kijkt naar de ruwe haren die platgedrukt zijn op de plek waar ze net nog stond, haar billen draaiend, haar handen traag langs het kippenvel op haar bovenbenen, de donshaartjes onder haar navel. Nu voelt ze zijn handen op al die plekken. Ze eindigen op haar heupen, hij omklemt ze strak, alsof hij zijn vingers op haar botten wil breken, ze telt de stoten.

‘Tu m’excites, ma belle.’

Zijn handen zijn hoger nu, reiken naar haar schouders. Ze voelt hoe zijn knieën dieper in het matras verzinken, de stoten krachtiger worden.

‘Tu m’as manqué. Tu m’as manqué. Tu m’as manqué.’

Niet ik miste je, nee, je mankeerde me.





Lotte Lentes bewandelde in twee weken tijd alle arrondissementen van Parijs om de stad als een lichaam te onderzoeken. In samenwerking met De Internet Gids zijn haar voetstappen in kaart gebracht op de speciale site '100 pinnen in Parijs'. Ga samen met haar op weg en verlies je in de wirwar van aantekeningen, krabbels en pinnen over het leven in de Lichtstad.


'100 pinnen in Parijs' is het resultaat van Lotte Lentes' Parijsresidentie van Vlaams-Nederlands Huis deBuren in 2017. Tevens is ze onderdeel van het literaire agentschap van De Nieuwe Oost | Wintertuin.