Propeller

De wereld, gezien door de ogen van Mariëtte Baarda, blijkt een meeslepende plek te zijn waarin haveloze mensen de V&D bevolken en een aarzelende, maar stemvaste klusjesman achter de piano kruipt.

In de zevendelige serie 'Ondertussen', plaatst Baarda het bestaan op een bescheiden voetstuk. Vandaag deel 3: De bolletjeslijn van het Sportfondsenbad blijkt een enorm obstakel te zijn.



Als kind zat ik op de padvinderij. Onze vereniging deed mee aan een clubwedstrijd in de regio. Er waren drie onderdelen; enteren, zwemmen en knopen leggen. De jongen uit onze groep die ons zou vertegenwoordigen met het onderdeel zwemmen, brak twee dagen voor de wedstrijd een been. Ineens waren alle ogen op mij gericht. Ik lag toch iedere dag in het zwembad? Dat ik daar speelde dat ik een zeemeermin was en me oefende in zwemmen als De man van Atlantis, durfde ik niet te zeggen.

De volgende dag zat ik langs de kant van het bad en observeerde een man die met hoge snelheid op zijn rug door het water ploegde. Een voor een bewogen de armen langs zijn lichaam. Zijn voeten dienden daarbij als een soort buitenboordmotor. Hadden gewone baantjestrekker altijd de grootste last van kinderen die bommetje deden vanaf de kant, de kinderen keken wel uit om in de baan van deze torpedo terecht te komen.

Nadat hij zich op de kant had gehesen en het water tot rust was gekomen, ging ik het bad in en concentreerde me op het beeld van de zwemmende man. Als vanzelf vonden mijn armen en benen de cadans. Ik schoot door het zwembad heen en wist: de schoolslag was voor baby’s. Dit was het echte werk.

Twee dagen later stond ik in mijn badpakje te wachten op fluitsignaal van de scheidsrechter. Vanaf het moment dat ik het water raakte en mezelf tot propeller maakte, wist ik dat ik ging winnen. Toen ik de wand aan de overzijde aantikte, duurde het seconden voor de andere zwemmers arriveerden. De clubeer was gered. Dat ik door moest naar een wedstrijd ergens in het land, was iets waarop ik niet had gerekend.

Anderhalve maand later zat ik met mijn moeder in de trein. Op weg naar het Sportfondsenbad in Amersfoort. In mijn zwemtas een nieuw badpakje. Tevreden leunde ik achterover. Ik zou gewoon precies hetzelfde doen. Succes verzekerd.

Bij binnenkomst schrok ik van de grootte van het zwembad. Er waren tribunes naast de zijkanten en er schenen felle lampen. Het bad leek in de verste niet op ons eigen zwembad met het grote en kleine bad en de waterval. Toen het startschot klonk, sloeg ik zo hard ik kon met mijn armen en benen. Het water spoot omhoog. Ik schampte tegen de bolletjeslijn, worstelde me los en botste tegen de jongen in de baan naast me. In blinde paniek vocht ik me door een bad vol obstructies.

Midden in bad keek ik om me heen. Vanaf de tribunes klonk gelach en gejoel. Ik was diagonaal door het zwembad gezwommen. Het blauwgroene water was leeg. De kinderen waren gefinisht. Onder water zocht ik de uitgang.