honderdtachtigste jaargang
28 januari 2017

Steencirkels

Beeld: Roland Schimmel


Kaal en niet hoog zijn de bergen maar verbluffend fris groen de altoos vochtige dalen. Mager en kalm het hoornvee. Taling smient en zwaan op rimpelspiegels. Vleugen jodiumgeur van turfvuur. Struikgewas gestroomlijnd naar het Oosten. Twee zwarte wouwen speurend naar kikkers en slangen. Maar slangen zijn hier niet. Ooit heeft de monnik ze het zout in gedreven.


Na je aankomst op het eiland heeft een dieseltrein je een eind op weg naar het Westen gebracht. Bij de goeddeels verlaten eindhalte slaagde je erin een automobilist aan te houden die bereid was je naar de kust te rijden. Hij had blijkbaar niets te doen zoals de meeste mensen hier niets te doen hebben of besloten hebben dat wat hun te doen stond in het perspectief van de vergankelijkheid net zo goed of beter nagelaten zou kunnen worden. Een stugge maar niet onvriendelijke veearts met een drankprobleem die op de smalle kronkelende weggetjes desondanks feilloos muurtjes hagen schapen en tegenliggers wist te ontwijken hoewel hij veel te hard reed. Jullie passeerden een desolaat gebied waar mensen gesteld dat het mensen waren en geen goden of onbegrepen wetten tientallen eeuwen geleden enorme stenen rechtop hebben gezet en op elkaar gestapeld als om tegen elke prijs duidelijk te maken dat zwaartekracht nooit het laatste woord mag hebben.


Zwaarte is duister en volhardend. Maar ontbrak zij werd alle verband opgeheven. Dan was alles mogelijk nog erger.


De laatste kilometers loop je. Meeuwen van velerlei snit kondigen zeilend de komst van de zee aan. Je kunt haar al enige tijd ruiken. Het licht verandert van dichtheid. Er heeft de hele tijd een straffe bries gestaan die wolken voortjoeg dekgrauw open scheurde en weer toe deed. Soms regende het kort en fel maar nooit voldoende om je te doordrenken gekleed als je bent op het Westen. Echt koud is het niet voor eind maart. Als het ooit nog koud wordt zoals vroerger. Maar hier is het nooit echt koud geweest. De oceaan stond dat niet toe.


In plaats van te dalen klim je alsof het land nog een laatste poging gedaan heeft haar suprematie op zwalpende diepten te bevechten. Maar aan bevechten komt altijd een einde. Een van de twee wordt moe of oud of ziet er de zin niet meer van in. Waarom zij wilde winnen is ontschoten.


Je nadert de rand van het land. Het klimmen heeft je warm gemaakt je hebt je jas al ademt die goed geopend. Dan zie je de zee. Eerst slechts wazige kim dan wat zich tussen hier en daar bevindt. Sta je op de rand waar een smal pad is ontdek je pas hoe hoog je bent gekomen. Honderden voeten boven het water de rotswand strak verticaal ver onder je vogels die over de formidabele branding zweven. Het zou niet moeilijk zijn te vallen nog een tijdje na te denken te genieten van het uitzicht en dan uiteen te spatten op de klippen.


Haar kleur eerst blauw dan groen dan wit soms geel - da capo. Nu blauw omdat de wolken zijn verdwenen. Een blauw van kom hier is het veilig en koud. Je besluit vooralsnog niet te springen maar in noordelijke of zuidelijke richting de kustlijn te volgen totdat het avond is. Is het beter de zee links of rechts van je hebben. Je kiest zonder doorslag gevende reden voor links en loopt naar het Noorden. Of dat de juiste keuze is geweest valt nooit meer na te gaan.


Die middag heb je stevig doorgelopen. Zon en buien wisselden elkaar af maar het wolkendek was geen moment geheel gesloten. Witregels tussen de buien. Of tussen de opklaringen. Het onderscheid tussen tekst en achtergrond is een kwestie van perspectief. Dat tussen nat en droog valt daarentegen domweg te ervaren. Het is de vraag of dat de voorkeur verdient.


Uiteindelijk althans voorlopig uiteindelijk heb je een smal door rotsblokken omzoomd strandje bereikt waar uitrusten betrekkelijk comfortabel leek. Ook op het strand steken uit de bodem hier en daar steenmassa's naar boven die gegeven de macht van wind en golfslag ooit veel hoger moeten zijn geweest maar nu nog indrukwekkend genoeg zijn om een man van gemiddeld postuur gelegenheid te bieden een uurtje voor de wind te schuilen.


Je telefoon is dood. Goede gelegenheid om er afscheid van te nemen.


Net voorbij de vloedlijn ligt een zeehond. Wat doet hij daar. Bijkomen van de jacht. Even afstand nemen van zijn dierbaren. Of is hij alles kwijt en slaapt hij stil. Je gaat op enkele meters afstand van het dier zitten met je rug tegen een van de bredere stenen. Je eet en drinkt wat uit je min of meer vocht werende rugzak. Bepaalde vochten dienen geweerd andere toegelaten. Het is zaak het juiste evenwicht te bewaren.


Waarschijnlijk ben je een ogenblik ingedommeld want je schrikt op van de haperende kreet van wat een middelgrote zeevogel zou kunnen zijn. Dit is geen kreet van blijdschap of triomf. Dit is nood of afscheid of neerlegging bij verlies. Waar de zeehond sliep zit nu een zwart verfrommeld dier dat inderdaad voor vogel zou kunnen doorgaan. Heeft het zoogdier soms een volgend stadium bereikt. Het krijt en krijt zwak maar slaagt niet meer in lopen laat staan dat vliegen tot de mogelijkheden zou behoren gesteld dat dit voordat het werd besmeurd geen drijf- of loop- maar een vliegvogel was. Dat is niet meer te zien. Misschien moet het een duikvogel worden. Je zou het dier moeten doden maar verkrijgt dat niet over je hart. Je bent niet opgeleid om af te maken. Je staat op en merkt dat ook jouw handen zwart en vet zijn geworden. Het geldt ook voor je kleren en je rugzak. En in het licht van de dalende zon blijkt de zee bedekt met een regenboogtapijt van trage fonkelende olie. Nooit eerder zag je zo iets moois en stervends.



Zon schenkt haar stralen uit
  in smachtende wieren en algen
  in monden van bladgroene cellen
  in ogen van varens en vissen
    doet ademen sterven en zinken.


Een jonge dag zal alle stof doen rijzen.


Daar liggen zij goed.
Hen dekt straks een moedergesteente
  verplettert hen met liefde en gewicht.
Zij broeien zich tot brij van zwarte bellen
  waarin hun zonkracht rijpt totdat de tijd –


Een dag van oordeel zal de stoffen scheiden.


Dan loost zich spanning in dichte fonteinen
  van dampende bloei.
Dan stroomt een rijkheid uit die salamanders voedt
  locomotieven mobielen en maakfabrieken
    die warmte schenkt en vaart aan wie verkleumden.


Richt monumenten op voor pijplijn en tanker
  en pomp zing bombastisch de lof der raffinage.


Schoorsteenpluimen groeten witte wolken.
Aan ozonvrij azuur schrijft stalen tuig
  in wollen letters boodschap van vooruitgang.
Beschaving is gezellig comfortabel.


Licht nu van mammoetschepen plechtig de ankers
  en dompel zee en aarde in lekkage.


Nu vloeit een milde olie op de golven.
Nu kaatst zij kleuren terug die zij ontving.
Nu spiegelt zich een zon in wat zij gaf.



Dit is een fragment uit Steencirkels, een erotisch–ecologisch epos in vijf delen van Gidsredacteur Piet Gerbrandy. Klik hier voor meer informatie.