Redactioneel
Er is veel dat ontzag wekt, maar niets wekt meer ontzag dan de mens,’ zingt het koor in Antigone van Sophokles, waarbij je, gezien de vele connotaties van het Griekse woord deinos, ‘ontzag’ misschien ook door ‘vrees’ of ‘verwondering’ mag vervangen. Na een opsomming van menselijke vaardigheden op het terrein van scheepvaart, landbouw, jacht en visvangst prijst het koor de taal en het denken, dat ‘waait als de wind’, en de vindingrijkheid die het mogelijk maakte stedelijke gemeenschappen te stichten. Maar ‘begiftigd met een technologische inventiviteit die getuigt van een bijna onvoorstelbare intelligentie, kruipt hij nu eens in de richting van het kwaad, dan weer in de richting van het goede’. Hij is, aldus het koor, op zijn best als hij de normen en wetten van zijn land respecteert.
Sophokles heeft het goed gezien. We zijn slim, ongelooflijk ingenieus, we leven in gemeenschappen die vaak behoorlijk gereguleerd zijn, maar in moreel opzicht zijn we verre van onfeilbaar. Gelukkig, als dat het goede woord is, beschikken we over spraak en het denken ‘dat waait als de wind’. In Antigone kiest de protagoniste, een opstandig meisje van een jaar of vijftien, ervoor tegen de wetten van haar stad in te denken en te handelen, in naam van een — overigens niet erg helder beargumenteerd — normbesef, in de wetenschap dat ze deze keuze met de dood zal moeten bekopen. Haar morele superioriteit heeft iets hautains, misschien is Antigone in de eerste plaats een irritante puber, maar dat doet niets af aan de authenticiteit waarmee zij staat voor haar zaak. Haar broer Polyneikes mag Thebe hebben aangevallen en dus formeel een vijand zijn, het blijft wel haar broer, dus moet ze hem begraven.
De tragedie van Antigone roept vele vragen op, waarvan de belangrijkste misschien deze twee zijn. Ten eerste, aan wie ben je, als het er echt op aankomt, het meest loyaal: aan je familie, aan je politieke gemeenschap, aan de goden of aan jezelf? Ten tweede: is die loyaliteit absoluut, in die mate dat je bereid bent ervoor te sterven? Dat zijn onmogelijke dilemma’s. Toch kunnen zich omstandigheden voordoen waaronder je gedwongen bent een knoop door te hakken, met als onvermijdelijk resultaat dat je handelen tegelijkertijd goed en slecht is.
In de zomer van 1975 werd ik, vlak voordat ik zeventien zou worden, opgeroepen om, samen met tientallen andere jongens, gekeurd te worden voor militaire dienst. Ik kan me die dag in Deventer nog goed herinneren, vooral de verbijstering om het feit dat we behandeld werden als onmondige dieren die zo snel mogelijk afgericht moesten worden. Ik zag meteen wat het leger met je doet: je individualiteit wordt je afgenomen, alleen het collectief telt en je moet blindelings opvolgen wat je wordt toegesnauwd. Ik werd goedgekeurd en kreeg uitstel van eerste oefening tot het einde van mijn studie. In maart 1982 deed ik een beroep op de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en na een behoorlijk indringende sessie bij een commissie die zonder succes probeerde mij in de hoek te praten, kreeg ik bericht dat mijn bezwaren waren erkend. Een jaar later begon mijn vervangende dienst. De krachtmeting met de commissie had ik als bevredigend ervaren. Ik had en heb weinig waardering voor mannen die zich bewust lieten afkeuren om aan de krijgsdienst te ontkomen. Je staat, vind ik, voor je principes, en doet dat in alle openheid.
Ik wil benadrukken dat mijn weigering in dienst te gaan weliswaar enige eigenzinnigheid vereiste, maar geen moed, want in ons democratisch bestel ging je als regulier gewetensbezwaarde in die jaren niet de gevangenis in. Ik kon gewoon mijn studie afmaken, werd voor anderhalf jaar tewerkgesteld als leraar (tegen een wedde van achthonderd gulden per maand, geloof ik), en mijn omgeving respecteerde mijn keuze, al ben ik ook weleens uitgemaakt voor deserteur.
Daar komt bij dat we, ondanks of misschien juist dankzij de Koude Oorlog, in vrede leefden en ervan uitgingen dat het uitermate onwaarschijnlijk was dat op ons grondgebied een gewapend conflict zou uitbreken. Maar daar ging het niet om. Het ging om het principe van geweldloosheid. Ik wilde, en wil nog steeds niet, onder welke omstandigheden dan ook, in een situatie verzeild raken waarin ik medemensen moet doden. Hoe ik zal reageren als er iemand met een geweer mijn huis binnendringt weet ik niet, de impuls waait immers nog sneller dan de wind van het denken, maar vooralsnog houd ik vast aan de gedachte dat gedood worden in morele zin de voorkeur verdient boven doden.
Is er dan niets veranderd sinds 1982? Misschien niet in die zin dat er nu meer oorlog wordt gevoerd dan destijds, ik houd dat niet bij, maar we kunnen wel zeggen dat er op dit moment enkele oorlogen worden uitgevochten door mensen met wie velen van ons denken zich te kunnen vereenzelvigen. De oorlog is dichterbij gekomen. Een ander verschil met toen is de technologische vooruitgang, als dat in dit geval geen belachelijk woord is, die ervoor zorgt dat we steeds efficiënter kunnen doden, uitschakelen en vernietigen. Nog even en er komt geen levende mens meer aan te pas om hele gemeenschappen weg te vagen. Dat is de ‘technologische inventiviteit die getuigt van een bijna onvoorstelbare intelligentie’, om opnieuw Sophokles aan te halen.
Nee, ik wil natuurlijk ook niet dat Poetin wint, maar ik ben werkelijk verbijsterd over de honderden miljarden dollars die aan weerskanten worden gespendeerd om dood en verderf te zaaien en hele steden met de grond gelijk te maken. Wat een zinloze drang tot vernietiging, wat een verspilling van geld en wetenschappelijk onderzoek! Kan al die energie niet beter in diplomatie en armoedebestrijding gestoken worden? Is dit de meest voor de hand liggende methode om te voorkomen dat er schade wordt toegebracht aan natuur en milieu? Los van die rationele overwegingen zien we, en ik denk bijvoorbeeld aan Rwanda, Israël en Darfur, hoe groepen mensen in een conflictsituatie elkaar kunnen opjuinen tot een collectieve gemoedstoestand van totale haat en agressie, waarbij blijkbaar elke vorm van redelijk denken wordt uitgeschakeld. Oorlog maakt het slechtste in ons los en onontkoombaar roept geweld geweld op. Mogelijk is dat een consequentie van onze neurologische en hormonale bedrading, maar dat betekent niet dat we met ons denken niet op zijn minst kunnen proberen een dam op te werpen tegen dergelijke regressie.
Of is dat een illusie? In Why War (2024) onderzoekt de Britse historicus Richard Overy de oorzaken van oorlog, waarbij hij begint met een beroemde discussie tussen Albert Einstein en Sigmund Freud uit 1932 over de vraag of gewapende conflicten onvermijdelijk zijn. Tot Einsteins teleurstelling betoogde Freud dat aan doodsdrift niet valt te ontkomen. Had hij gelijk? Overy benadert de kwestie vanuit diverse disciplines, van biologie en psychologie tot economie en machtspolitiek, waarbij hij de totale geschiedenis, inclusief prehistorie, van de mensheid probeert te overzien. Geen van de wetenschappen heeft het complete, laat staan het definitieve antwoord op de vraag waarom we oorlog voeren, maar op grond van een overweldigende hoeveelheid archeologisch en historisch bewijs stelt Overy vast dat rooftochten, massale moordpartijen en veldslagen er altijd zijn geweest. Dat geldt dus ook voor de jagers en verzamelaars uit het paleolithicum, die in de antropologische literatuur nog vaak worden afgeschilderd als vreedzame en nobele wilden. Helaas is die hoopgevende visie niet houdbaar. Mensen maken elkaar op gezette tijden af, en vaak op gruwelijke wijze.
Ik vrees dat dit essay een kant op gaat waartegen ik me hartstochtelijk wil verzetten. Maar laten we nog even volhouden.
De Europese literatuur begint met epische poëzie waarin oorlog eenvoudig een gegeven is. In de Ilias worden beschrijvingen van gevechten vaak uitbundig geïllustreerd met vergelijkingen die suggereren dat strijd een natuurverschijnsel is. Gevechten doen zich voor als de golfslag van de zee of als vuur in een graanveld, krijgers zitten elkaar achterna zoals haviken duiven opjagen, een held stort zich op de vijand zoals een leeuw tekeergaat in een schaapskooi, manschappen worden geveld als dennen. Het is evident dat de dichter zich met name bij de gevechtsscènes enthousiast heeft uitgeleefd in kleurrijke vergelijkingen. Blijkbaar was dat wat zijn publiek waardeerde: heroïsche moed, bovenmenselijke kracht, door de goden in gang gezette special effects, en uiteraard het opbouwen van spanning rond de vraag wie er zou winnen, ook al kenden de toehoorders in de meeste gevallen de afloop al. Wat dat betreft verschilt Homeros’ publiek niet wezenlijk van moderne bioscoopbezoekers.
Dit betekent geenszins dat de dichter geweld verheerlijkt. Zeker, de homerische held beschouwt het als vanzelfsprekend en zelfs als een aristocratische verplichting om eer en roem te verwerven door zich een onverzettelijke, desnoods roekeloze vechtjas te betonen. Agamemnon, Diomedes en vooral Achilleus ontpoppen zich tot meedogenloze moordmachines. Maar Homeros laat ook het perspectief van de verliezers zien, met name in het laatste boek van de Ilias, waar de oude Priamos bij Achilleus het lijk van zijn zoon Hektor komt loskopen. Achilleus realiseert zich op dat moment terdege dat uiteindelijk iedereen verliest. Het leven bestaat nu eenmaal uit een hopeloze mengeling van voorspoed en rampen, en het zijn de goden die, tamelijk arbitrair, bepalen wanneer je voor ellende aan de beurt bent. Niemand ontkomt eraan. De Ilias eindigt, verre van optimistisch, met de klaagzangen van de Trojanen om Hektor en zijn begrafenis. De gedachte dat men ook had kunnen besluiten géén oorlog te voeren, komt bij de dichter niet op.
Die onvermijdelijkheid hangt ook als een schaduw over de handeling van Perzen, de oudste tragedie die is overgeleverd. Aischylos schreef het stuk nog geen tien jaar nadat het reusachtige Perzische leger onder leiding van Xerxes in 480–479 v. Chr. door de Grieken was verslagen. Hoewel het Atheense publiek, natuurlijk tot volle tevredenheid, te horen krijgt dat een democratische vrijheidsdrang aan de basis heeft gestaan van de eclatante overwinning, ontbreekt in Perzen iedere vorm van triomfalisme. De focus ligt geheel op het verdriet van de verliezers. De jonge Xerxes heeft zich fataal laten meeslepen door blinde hoogmoed, zo vindt ook de schim van zijn vader, Dareios. Dat oorlog iets fundamenteel verkeerds zou zijn, gaat er echter niet in, ook niet bij de oude Perzen die het koor vormen. Vol weemoed kijken zij terug op de tijd waarin zijzelf de onverbiddelijke winnaars waren. In de vertaling van Patrick Lateur:
Om te beginnen toonden wij
de wereld roemrijke legers,
verwoestten alle steden met torens versterkt.
Ongebroken, ongedeerd
kwamen onze mannen terug uit de oorlog
naar hun welvarende huizen.
Xerxes, kapot en wanhopig, is zich ten volle bewust van wat er is misgegaan, maar dat het allemaal zijn eigen schuld is, dringt niet tot hem door. De ramp is hem overkomen:
Óóh! Óóh!
Ellendig. Mij trof dit afschuwelijke lot,
nooit ofte nimmer te voorzien.
Hoe wreed stampte een god
op het ras van de Perzen.
Welk leed wacht mij, ongelukkige!
Weg is de kracht uit mijn leden
bij het zien van de grijsaards van mijn stad.
Ach, Zeus, had het uur van de dood
ook mij maar omhuld
samen met de mannen
die daar zijn heengegaan.
Verantwoordelijk is hij natuurlijk niet. De goden, of de omstandigheden, hebben hem een loer gedraaid. Wat we bij Homeros en Aischylos lezen, is niet uniek. Wereldwijd, van Japan tot Mexico, in de Edda en de Mahabharata, in het Chanson de Roland en het lied van de Nibelungen, ontlenen sterke mannen hun status aan oorlog. En alsof Tolstoj zijn ontluisterende Oorlog en vrede (1869) nooit had geschreven, of Dalton Trumbo zijn Johnny Got His Gun (1938), wordt er ook over de Tweede Wereldoorlog nog geregeld gesproken in termen van ronkende heroïek. Er schuilt immers een duistere logica in de confrontatie tussen erkende gruwelen en het optreden van de koene krijger: hoe verschrikkelijker het oorlogsleed, des te meer eer valt er met heldenmoed te behalen. Ongeacht de vraag of we genetisch voorbestemd zijn om elkaar over de kling te jagen, is het duidelijk dat er een tamelijk onuitroeibaar discours bestaat waarin de combinatie van fysieke kracht, strategisch inzicht en genadeloze onverschrokkenheid in ere wordt gehouden. Aan onze aanleg valt vooralsnog weinig te sleutelen, maar misschien zou het al helpen als we de verhalen aanpassen. Zou principiële geweldloosheid geen beter uitgangspunt kunnen zijn voor het goede leven op lange termijn dan de glans van de triomf, die altijd tijdelijk is?
Ik hoor mijzelf nu fluisteren. Luistert er nog iemand?
Ik weet dat een pacifistische opstelling onzinnig is. Is het wel opportuun afzijdig te blijven wanneer de vijand, of de zogenaamde vijand, je land binnenvalt of op je deur klopt? Levert geweldloosheid dan niet extra ellende op? Op de korte termijn is deze tegenwerping moeilijk weerlegbaar. Met een handvol gebroken geweertjes breng je een colonne tanks niet tot staan. Maar dat het in het hier en nu niet zou werken, maakt het nog niet tot een verkeerd beginsel. Nut en pragmatiek staan tegenover een principe dat gebaseerd is op een utopisch ideaal, zoals het verwoord is door Jesaja: ‘wolf en lam zullen samen weiden, een leeuw en een rund eten beide stro, en een slang zal zich voeden met stof’. Eenzelfde verlangen naar een idyllische wereld wordt in de Latijnse literatuur tot uitdrukking gebracht met het verhaal van een lang vervlogen gouden tijdperk, de paradijselijke tijd van Saturnus, die misschien een tweede kans krijgt wanneer Augustus of Nero keizer is geworden; het is overigens niet ondenkbaar dat Vergilius het boek Jesaja heeft gekend. Helaas moeten we vaststellen dat beide concepties verre van zuiver en inclusief zijn, want Jesaja denkt bij zijn visioen vooral aan Jeruzalem, terwijl de door burgeroorlogen getraumatiseerde Romeinen impliciet uitgaan van een economie die gegrondvest is op imperialisme. Dit maakt het verlangen naar vrede en duurzaam geluk echter niet minder oprecht. Waarom zouden de mythe en de profetie geen leidraad kunnen vormen, niet omdat ze waar zijn, maar omdat ze de juiste richting aangeven? Tegen de klippen op blijf ik hopen dat ooit, in de verre toekomst, achter de horizon, alle mensen broeders zullen worden. De laatste jaren hoef ik slechts enkele maten uit het slotdeel van Beethovens negende symfonie te horen om in tranen uit te barsten. Ja, het ideaal lijkt, hoe rationeel het ook onderbouwd kan worden, krankzinnig, maar als we er niet naar streven verandert er nooit iets. Ik realiseer me uiteraard terdege dat het in onze — nu, maar hoelang nog? — open rechtsstaat gemakkelijker is tegendraads te zijn dan onder een dictatuur of in een situatie van totale rechteloosheid. We wonen hier niet in Moskou, Gaza, Pyongyang of Darfur. Daarbij heb ikzelf in zoverre gemakkelijk praten dat ik in geval van een oorlog inmiddels te oud ben om opgeroepen te worden. Het principe staat echter recht overeind. Zoals ik in 1982 al schreef, met de romantische bezieling van een adolescent, is stoppen met oorlog voeren de enige manier om te stoppen met oorlog voeren. Ergens moet dat beginnen.
Hoe rond ik dit roepen af, in deze woestijn? Het lijkt me het beste het dilemma aan te scherpen.
Behalve met denken zijn we begiftigd met een onwillekeurige overlevingsdrang, die al naar gelang de situatie kan worden ingezet om ons uit de voeten te maken of onze naasten te verdedigen. Zo’n reflex onttrekt zich aan morele maatstaven. Zodra we het denken echter een kans geven, staan twee categorische imperatieven (om de terminologie van Kant te gebruiken) recht tegenover elkaar: enerzijds de plicht je naasten te beschermen, anderzijds de eis van volstrekte geweldloosheid, in de veronderstelling dat de groep van je naasten de gehele mensheid omvat. Elke concrete keuze die je maakt is de verkeerde, want laat je je dierbaren in de steek, dan ben je een harteloze lafaard, maar maai je de vijand neer, dan vernietig je niet alleen een mensenleven maar houd je bovendien de eeuwige dialectiek van trauma en vergelding in stand. Waarschijnlijk zijn beide opstellingen fout. Maar de mens is een ontzagwekkend wezen, dat het vermogen heeft te kiezen voor moreel onverdedigbaar gedrag omdat het tegenovergestelde al even onverdedigbaar is. Niet kiezen is geen optie. Met het oog op een op zijn minst denkbare toekomst waarin alle mensen zich als elkaars broeders beschouwen, blijf ik pacifist. ¶
Beeld
Ik denk dat ik in zekere zin idealistisch ben
Poëzie
Jij was het, deze, naar ons vernoemde
Essay
Verzet tegen de oorlogsretoriek
Open oproep: Waarom ben ik pacifist?
Rubberhamer
Essay
Voetafdruk van een wrokkige god
Open oproep: Waarom ben ik pacifist?
Capuchon
Essay
Dieser Krieg ist nicht unser Krieg
Poëzie
De onaantastbaren
Open oproep: Waarom ben ik pacifist?
Twee beschuitjes als diner
Essay
Een vergeten vrede. Drie beelden
Beeld
Pacifisme
Eenzame avonturen
Het danshuis
Polarisatie, oorlog en samenleven
Als het regent in Noord is dat de schuld van Femke
Poëzie
Laatste Woorden
Essay
De stralende kracht van een visioen.
Poëzie
Gedichten
Surinaamse dagen
Mentale luiheid, innerlijke weerstand of toch meertaligheid?
Lettertype
POINTER (PEACE)
Open oproep: Waarom ben ik pacifist?
Twee gedichten
Open oproep: Waarom ben ik pacifist?