Redactioneel
Op 19 september 1914 nam Stefan Zweig afscheid van zijn buitenlandse vrienden. Dat deed hij in een lang krantenartikel, waarin hij aankondigde dat het gemeenschapsgevoel dat hij met hen had gedeeld — liefde noemde hij het zelfs — nu voorbij was. ‘Ik ben niet vergeten wat jullie voor mij betekend hebben, en nog steeds in diepste zin voor mij betekenen, maar ik ben in deze dagen niet meer de persoon die ik was toen ik met jullie samen was. Mijn wezen is omgedraaid, om het maar zo te zeggen, en datgene in mij wat Duits is, overspoelt mijn hele bewustzijn.’
Dit was werkelijk zoals Zweig, een van Europa’s meest fijnbesnaarde romanciers, het voelde, vanaf het moment dat de Eerste Wereldoorlog was uitgebroken, anderhalve maand daarvoor. Zweig had toen in België gezeten, waar hij vaker verbleef in de zomer. Vóór de oorlog was hij sowieso een driftig reiziger geweest. Hij had zich altijd een Europeaan gevoeld, een kosmopoliet die zich graag aan de landsgrenzen onttrok en spottend neerkeek op het gehits van nationalistische politici. Maar in de zomer van 1914, toen het nieuws van de oorlog hem bereikte, veranderde er iets in hem. Tijdens de treinreis terug naar huis, die hij meteen diezelfde dag boekte, zag hij, toen de trein de grens met Duitsland passeerde, vanuit de coupé het landschap aan hem voorbijtrekken: de huizen, blinkend in de zon, ‘helder, sterk en schoon, de fabrieken in trotse bedrijvigheid […] het hele uitgestrekte vruchtbare land, de kracht en de vastbeslotenheid van de natie’.
In zijn artikelen gebruikte Zweig ineens typisch nationalistische beeldspraak. Hij had het over de ‘spieren’ van Duitslands ‘heerlijke volkskracht’ die ‘tot het uiterste gespannen waren’. Hij verheerlijkte de Duits-Oostenrijkse oorlogsmachine die nu op gang kwam als de ‘wil van het ras’, een samenballing van menselijke krachten, ‘omdat hier de algehele wil in constante harmonie is met de innerlijke individuele wil’.
In de greep van dit koortsige oorlogsnationalisme kwam hij tot het schrijven van zijn afscheidsartikel, gericht aan zijn buitenlandse vrienden. Ergens op de achtergrond klonk er een duidelijk gevoel van spijt in door, naast de hoop dat het afscheid slechts tijdelijk zou zijn. Maar wat overheerste was Zweigs oorlogsnationalisme, dat hij heel letterlijk omschreef als een kracht die volledig bezit van hem had genomen: ‘Mijn eigen zaak is niet langer de mijne, ik ken geen vriendschap, ik mag geen vriendschap meer kennen, behalve die voor het volk. Mijn liefde en mijn haat behoren mij niet langer toe. […] de meest onaanzienlijke plat-Duitse boer, die nauwelijks een woord begrijpt van mijn taal en al helemaal niet van mijn hart, gaat mij meer aan het hart dan jullie, mijn liefsten, aan wie ik me zo vaak overgaf met mijn diepste gevoelens, altijd omringd door begrip, altijd omarmd door vertrouwen. […] Niet jullie, en mijn liefde voor jullie, moet ik verloochenen, maar mezelf; elke gedachte die niet vanuit het grote Duitse zaad ontspruit, moet ik kapotknakken.’ Zweig was niet de enige die met het uitbreken van de oorlog zich plotsklaps tot het nationalisme bekeerde. Vele duizenden Europese schrijvers, journalisten, kunstenaars en wetenschappers — juist degenen bij wie je kritische distantie zou verwachten — gaven zich over aan eenzelfde soort oorlogsroes, in bewoordingen die zo extatisch waren dat ze achteraf onwerkelijk aandoen. Dat vonden ze zelf trouwens ook: toen het voor iedereen duidelijk was wat het ware gezicht van deze oorlog was, een nietsontziende uitputtingsslag, een massaslachting die elke zweem van heroïek of romantiek onder de loopgraafmodder had bedolven, kwamen velen op hun aanvankelijke enthousiasme terug. En na afloop, in de jaren twintig, konden zij zich al helemaal niet meer voorstellen dat ze er ooit door waren meegesleept. Ook Zweig had in 1922 zijn oorlogsenthousiasme van acht jaar eerder verdrongen, en beweerde zelfs dat ‘ik vanaf het eerste uur de rampzalige zinloosheid van de Europese zelfmoord erkend had en me met alle geestelijke kracht tegen de oorlog keerde’.
Zo waren er meer intellectuelen en kunstenaars die hun eigen oorlogsenthousiasme uit de geschiedenis schreven: de avant-gardistische en modernistische kunststromingen begonnen zich halverwege de oorlog, en in de jaren daarna, als antioorlogsbewegingen te profileren, terwijl ze toch echt bij monde van voormannen als Hugo Ball, Franz Marc, Wassily Kandinsky, Filippo Marinetti, Guillaume Apollinaire, Jean Cocteau, Kazimir Malevitsj en Vladimir Majakovski (een lijst waar ik nog eindeloos mee kan doorgaan) in 1914 en 1915 de oorlog bejubeld hadden als de grote aardschok waaruit een nieuwe wereld geboren zou worden. Dat gold ook voor literaire grootheden als Thomas Mann, Hermann Hesse, André Gide, Rainer Maria Rilke en Hugo von Hofmannsthal. En dan waren er nog de honderden academici uit Duitsland en Frankrijk die pamfletten publiceerden waarin ze beweerden dat hun land vocht voor hoogstaande idealen. De befaamde Franse filosoof Henri Bergson verheerlijkte de vitaliteit die de oorlog losmaakte, grondleggers van de sociologie Max Weber en Ferdinand Tönnies bejubelden de terugkeer van het gemeenschapsgevoel.
Oorlogsenthousiasme’: dat woord dekt de lading van wat zich in het najaar van 1914 voltrok binnen de culturele elites van Europa — en wat zich daarna via de propaganda over de rest van de bevolking verspreidde. En zo noemde ik het boek dat ik erover schreef. Ik moet er de laatste tijd geregeld aan terugdenken, aan die tijd dat dat boek uitkwam, tien jaar geleden, en ik bij allerlei gelegenheden vertelde over al die intellectuelen en kunstenaars die ineens oorlogsenthousiast werden. Aan de reacties op mijn verhaal kon ik merken dat de meeste mensen het zich eigenlijk nauwelijks konden voorstellen; dat al die duizenden slimme, vooruitstrevende vrijdenkers zich van het ene moment op het andere konden ontpoppen tot nationalistische dwepers en geweldsverheerlijkende radicalen.
Ik weet nog dat ik het daarom tijdens lezingen vaak nog eens extra benadrukte: dit lijkt misschien ver van ons af te staan, maar het is dichterbij dan we denken. Als het eenmaal zover is, als de mobilisatie wordt afgekondigd, als de jonge soldaten worden opgeroepen, de algemene dienstplicht weer wordt ingevoerd, als iedereen wel íémand kent die naar het front is uitgezonden — misschien wel je eigen kind, je vader of je moeder of je oom, je geliefde — dan is het niet zozeer de vraag wie gegrepen wordt door het oorlogsnationalisme, als wel wie erin slaagt om er weerstand aan te bieden.
In de zomer van 1914 waren dat er, in de oorlogvoerende landen, schrikbarend weinig. Zelfs onder de uitgesproken pacifisten bleken er maar enkelen op het moment suprême, augustus en september 1914, standvastig genoeg om trouw te blijven aan hun vredesideaal. In de jaren ervoor waren er juist behoorlijk veel pacifisten geweest — en na 1918 wemelde het er al helemaal van. Maar juist op het moment dat het er echt op aankwam, lieten ze verstek gaan, of spraken ze zich zelfs uit vóór de oorlog, voor het vaderland, het leger, het hele pakket — precies zoals Stefan Zweig deed.
En dat terwijl de socialistische partijen van Europa nog niet eens zo lang daarvoor hadden afgesproken dat ze zich collectief zouden verzetten als er een oorlog uit zou breken. In alle verschillende landen zouden de socialisten een algehele staking uitroepen, waardoor de hele oorlogsmachinerie — van álle vechtende partijen — meteen spaak zou lopen.
Een goed plan, in theorie, maar niemand hield zich eraan. In Duitsland, in Frankrijk en in Rusland stemden de socialistische partijen op het cruciale moment allemaal voor de oorlog. Vanuit het toen nog neutrale Italië concludeerde de hoofdredacteur van het socialistische tijdschrift Avanti! dat het socialisme zijn internationale idealen niet waar had weten te maken: ‘De Internationale is dood — onder de voet gelopen door de actuele gebeurtenissen.’ Het oude marxistische idee van internationale solidariteit was niet bestand tegen de werkelijkheid. ‘Het sentiment van nationalisme bestaat en kan niet ontkend worden. Het oude antipatriottisme is uitgespeeld.’ Deze teleurgestelde socialist — zijn naam was Benito Mussolini — besloot een nieuw tijdschrift en een nieuwe actiegroep op te richten: de Fasci d’Azione Rivoluzionaria. De leden noemden zich ‘fascisti’.
Er zijn momenten waarop de geschiedenis met een overrompelende kracht een wending lijkt te nemen, alsof het een natuurverschijnsel is, een overstroming, een aardbeving. Als enkeling kun je dan al snel overweldigd worden door het gevoel dat er niets is wat jij kunt doen om het tegen te houden, net zomin als je een vloedgolf kunt keren door je hand te heffen en halt te roepen.
Maar oorlogen zijn geen natuurgeweld. Ze zijn het gevolg van keuzes van regeringsleiders. Dat valt — helemaal achteraf — bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog duidelijk te zien: het was een keuze van de Oostenrijks-Hongaarse regering om Servië binnen te vallen na de moord op kroonprins Frans Ferdinand, ze hadden ook anders kunnen beslissen. De Russische tsaar had er makkelijk voor kunnen kiezen om niet te mobiliseren. De Duitse regering had ervoor kunnen kiezen om het Von Schlieffenplan niet uit te voeren.
Politici houden ervan hun beslissingen, als ze die eenmaal genomen hebben, als onvermijdelijk te presenteren; alsof het inderdaad om natuurgeweld gaat, waarop ze zelf geen invloed konden uitoefenen. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werden ze daarbij — zonder dat dat de opzet was — geholpen door alle spontane lyrische gevoelsuitbarstingen waarmee Europa’s intellectuelen de oorlog mystificeerden, als een storm, de gloed van een nieuwe dageraad, de kringloop van het leven, waarin het oude afsterft om het nieuwe geboren te doen worden. Taal die suggereerde dat weerstand bieden zinloos was.
Bij elke nieuwe oorlog die uitbarst, wordt mystificerende taal gebruikt. De woorden waarmee dat gebeurt veranderen door de jaren heen, maar ze hebben dezelfde uitwerking: mensen gaan geloven in de noodzaak van een oorlog, de onvermijdelijkheid ervan, het hoge doel waarvoor gestreden moet worden. Soms zelfs met recht: de bevrijding van Europa door de geallieerden in 1944 en 1945 werd bevochten onder het vaandel van vrijheid, democratie en mensenrechten; waarden die in de daaropvolgende decennia ook werkelijk betekenis kregen — een periode die nu aan haar eind lijkt te komen. De woorden ‘vrijheid’ en ‘democratie’ werden ook van stal gehaald in oorlogen die daar moeilijk mee te rijmen waren, zoals in Vietnam, of de Amerikaanse inval in Irak. Het vechten voor ‘democratie’ en ‘vrijheid’ begon als een holle frase te klinken.
Dat viel des te meer op toen drie jaar geleden de oorlog in Oekraïne in volle hevigheid losbarstte — een invasie van een soeverein land waar je zonder twijfel een inbreuk op de internationale democratische rechtsorde in kon zien. En toch, toen ik de westerse regeringsleiders allemaal dezelfde platitude hoorde herhalen, op dezelfde plechtstatige toon, ‘dit is een oorlog tussen democratie en autocratie’, klonk dat in mijn oren niet oprecht, maar als een leuze die al te vaak had geklonken. Het hielp ook niet dat deze woorden in Nederland werden uitgesproken door Wopke Hoekstra en Mark Rutte, beiden zichtbaar opgelucht dat ze het even niet hoefden te hebben over het Toeslagenschandaal en alle andere zaken die ze voor het parlement verborgen hadden proberen te houden.
Maar zodra er geen kwezelende Nederlandse regeringsleiders in beeld waren, wekten de nieuwsberichten over platgebombardeerde Oekraïense steden en brute moordpartijen in dorpen in de Donbas dagelijks woede en wraakgevoelens in mij op. Ik werd overvallen door fantasieën over goedgetrainde black-ops units die, langs kabels naar beneden roetsjend, midden op die lange tafel in het Kremlin zouden landen en Poetin met een ijskoude kogel door het voorhoofd onschadelijk zouden maken. Dat krijg je ervan, klootzak.
Domme, puberale clichébeelden, in mijn brein geprogrammeerd door honderden Amerikaanse actiefilms, maar ze drongen zich telkens op als ik beelden of nieuwsberichten over die oorlog zag. Spieren in mijn nek en schouders spanden zich aan, adrenaline begon rond te gieren; een staat van opwinding waarin mijn lijf spontaan terecht leek te komen.
Was dit hoe het voelde? Oorlogsenthousiasme?
Niet lang nadat Stefan Zweig op 19 september 1914 zijn buitenlandse vrienden in de krant vaarwel had gezegd, ontving hij een brief van zijn Franse vriend Romain Rolland: ‘Ik ben ons Europa trouwer dan jij, lieve Stefan Zweig, en ik verloochen geen van mijn vrienden.’
Zweig was geraakt. Binnen een paar dagen tijd vertrouwden hij en Rolland in wederzijdse brieven hun meeste persoonlijke gedachten en twijfels aan elkaar toe. Het voelde voor Zweig als een openbaring. Rollands brieven maakten hem duidelijk dat ‘de werkelijke wereld niet wordt bepaald door de meningen van het moment; de zuivere, op eenheid en verbondenheid gerichte krachten heb ik nooit sterker ervaren dan in deze tijd.’
Romain Rolland was in veel opzichten een geestverwant van Zweig: een romancier die was verknocht aan het idee van een gemeenschappelijke Europese cultuur: Rollands beroemde romancyclus Jean Christophe gaat over de vriendschap tussen een Duitse componist en een Franse dichter.
Rollands reactie op het uitbreken van de oorlog was totaal anders dan die van Zweig geweest. ‘Ik wou dat ik dood was,’ schreef hij op 3 augustus in zijn dagboek. ‘Deze Europese oorlog is de grootste catastrofe in de geschiedenis sinds eeuwen, de ondergang van onze heiligste hoop op menselijke broederschap.’
Rolland weigerde partij te kiezen in het conflict. In de stukken die hij tijdens de zomer en het najaar van 1914 schreef, bekritiseerde hij het nationalistische vijanddenken dat in alle oorlogvoerende landen heerste, inclusief zijn eigen Frankrijk. Als een van de weinigen weigerde Rolland mee te gaan in de mystificatie van de oorlog, en wees hij op de verantwoordelijkheid die de regeringsleiders droegen: ’Ik weet het: de staatshoofden die de criminele auteurs van dit soort oorlog zijn, durven er de verantwoordelijkheid niet voor te dragen; iedereen probeert stiekem de last op de tegenstander af te schuiven. En de mensen die dociel volgen, leggen zich erbij neer door te zeggen dat er een bovenmenselijke macht is die dit alles veroorzaakt.’
Het kwam hem op haat vanuit álle oorlogvoerende landen te staan. ‘Je kunt je niet voorstellen hoeveel vijanden ik heb,’ schreef Rolland aan Zweig. Vooral de reacties vanuit zijn eigen land maakten indruk. ‘Ik voel de haat tegen mij in Frankrijk toenemen. Toch heb ik niets anders gedaan dan woorden van menselijkheid uitspreken.’
Af en toe werd het hem te veel. ‘Ik ben alleen,’ constateerde hij in zijn dagboek. ‘Dit zijn de droevigste dagen van mijn leven […] Op sommige momenten lukt het me niet meer om vol te houden. Ik stort neer op de bank, bedek mijn gezicht, en ik probeer de smaak van de dood te proeven.’
De brieven die Romain Rolland en Stefan Zweig elkaar tijdens de Eerste Wereldoorlog stuurden, waren voor hen beiden van enorme betekenis. Ze genazen Zweig van zijn nationalistische oorlogsbevlieging. ‘Jij bent in deze periode voor mij dé gids geweest,’ schreef Zweig aan Rolland. ‘Er is niemand onder de levenden wiens morele voorbeeld voor mij zo noodzakelijk en weldadig is geweest.’
En voor Rolland betekende het contact met zijn oude geestverwant — en ongetwijfeld ook het feit dat hij Zweig van zijn oorlogsromantische wanen had kunnen redden — een bevestiging dat zijn principiële verzet toch niet volledig futiel was, — en waarschijnlijk nog belangrijker: dat hij niet alleen was.
In elke oorlog worden niet alleen soldaten gemobiliseerd; ook de taal wordt ingezet om het conflict naar hogere ideële sferen te leiden, betekenis te geven aan het geweld, aan het leed, de angst en de rouw. Dat werkt in de meeste gevallen niet eindeloos: naarmate het geweld aanhoudt, wordt het steeds lastiger de rauwe realiteit van de oorlog goed te praten.
Maar in elke oorlog zijn er ook groepen die halsstarrig blijven vasthouden aan de romantiek van een grootse strijd tegen een duivelse vijand, en zelfs na het einde van de strijd niet loskomen van hun gestaalde fanatisme. De veteranen voor wie het ná 1918 oorlog bleef, verenigden zich in knokploegen en politieke partijen — een beweging die in het Duitsland van de jaren twintig uitmondde in Hitlers nsdap.
Romain Rolland was historicus, hij wist hoe verstrekkend en destructief oorlogsenthousiasme kon zijn. En hij zag het als de taak van schrijvers en intellectuelen om de taal tegen de dienstbaarstelling aan de oorlog te beschermen. Dat er mensen waren die wilden vechten om hun vaderland te beschermen, snapte hij heel goed. Maar, zo benadrukte hij, er waren ook mensen nodig die vochten om de taal en de cultuur te beschermen tegen de ‘hallucinaties, onrechtvaardigheid en bezetenheid die oorlog ontketent’. Niet alleen uit liefde voor de taal en de cultuur, maar ook omdat je daarmee kans zou hebben om te voorkomen dat een oorlog ontspoorde door haat en collectieve vijandbeelden die hele bevolkingsgroepen ontmenselijken.
Dat was een realistische visie op oorlog en pacifisme, waarbij Rolland onderscheid maakte tussen oorlogen die gerechtvaardigd waren, en oorlogen die alleen nog maar om blinde haat en genocidale waan draaiden. Zulke escalaties kunnen alleen plaatsvinden als de taal van haar kritische functie wordt ontheven, en volop wordt ingezet om van de vijand een volk van beesten te maken.
‘Menselijke beesten’, zo noemde de Israëlische minister van Defensie Yoav Gallant de Palestijnen. Omgekeerd heerst onder aanhangers van Hamas en andere extremistische groepen in de Arabische wereld virulent antisemitisme en streeft de Iraanse regering naar de vernietiging van de staat Israël. De oorlog in Gaza werd ontketend door een gruwelijke aanval van Hamas op onschuldige Israëlische burgers, waarna de Israëlische vergeldingsacties escaleerden tot een vernietigende oorlog waarbij er niet of nauwelijks meer onderscheid tussen Hamasleden en burgers werd gemaakt. De propaganda van de regering-Netanyahu maakte van de gehele Palestijnse bevolking een intrinsiek antisemitische vijand — oorlogsretoriek die de Nederlandse regeringspartijen pvv, vvd en bbb klakkeloos hebben overgenomen. Zij bestempelden bovendien álle protestacties tegen het geweld in Gaza zonder enig onderscheid als ‘antisemitisch’, en zetten die term zo opzichtig in voor hun eigen politieke gewin dat het onherroepelijk ten koste ging van de oorspronkelijke beladen betekenis van het woord — tragisch genoeg, want daarmee werd ook de geschiedenis van de Holocaust bezoedeld.
Ik bespeurde de afgelopen maanden bij mezelf hoe kwaad ik me maakte over het politieke misbruik van die term ‘antisemitisme’, zoals ik me een paar jaar geleden ook opwond als ik regeringsleiders het over een ‘oorlog tussen democratie en autocratie’ hoorde hebben. Dat voelde soms vreemd: maakte ik me nu echt boos over een paar woorden? Kon ik mijn woede niet beter op het werkelijke oorlogsgeweld richten?
Alleen is het ‘werkelijke oorlogsgeweld’ in de praktijk meestal onontwarbaar vervlochten met de propaganda van de verschillende strijdende partijen, die elk een totaal andere inkleuring geven van wat er is gebeurd: wat volgens de één een gebombardeerd ziekenhuis is, vol onschuldige slachtoffers, is volgens de ander een geheim wapendepot. Hoe meer ik mijn best doe de feiten te achterhalen, hoe meer ik verstrikt raak in alle beweringen die over en weer worden betwist. Dan helpt het om de focus te leggen op de ontmanteling van de oorlogstaal, om op die manier te proberen onderscheid te maken tussen propaganda en het ware gezicht van de oorlog.
Wat stelde Romain Rolland in staat om als een van de weinigen trouw te blijven aan zijn pacifistische idealen? Hoe lukte het hem om het oorlogsfanatisme, dat zowat de hele culturele elite in de greep had, het hoofd te bieden?
Rolland hield het simpel en bleef dicht bij zichzelf. Hij baseerde zijn pacifisme op het idee dat schrijvers en kunstenaars het aan zichzelf en hun werk verplicht zijn om de taal en de cultuur te beschermen tegen het misbruik van oorlogspropaganda. Niet alleen vanwege liefde voor hun taal, voor hun cultuur, maar ook omdat ze zo tegenwicht boden aan de mystificaties van de oorlogsretoriek. Verzet tegen oorlogstaal is automatisch verzet tegen de oorlog die ermee wordt gelegitimeerd.
Scherp onderscheid maken tussen mystificaties van de oorlog en de oorlog zoals hij werkelijk is, helpt bovendien om kritisch te blijven op de politici die verantwoordelijk zijn voor de keuzes die in oorlogen worden gemaakt — die niet zijn toe te schrijven aan een of ander natuurfenomeen — én om tegenwicht te bieden aan de allergevaarlijkste escalaties in oorlogen, die plaatsvinden als vijanden niet meer als mensen worden gezien.
Dáár lag voor Romain Rolland de werkelijke waarde van de verdediging van de literatuur en van de cultuur in oorlogstijd: omdat die de menselijkheid van álle mensen laat zien — en alleen daarom al de tegenpool is van vijanddenken en oorlogsretoriek.
En dan was er nog iets waardoor het Romain Rolland, en dankzij hem Stefan Zweig, lukte om weerstand te bieden aan de oorlogswaan: hun vriendschap, de halsstarrige weigering om afscheid te nemen van elkaar, de moed om elkaar terecht te wijzen, de simpele, vastberaden woorden die Romain Rolland aan Stefan Zweig had geschreven: ‘Ik verloochen mijn vrienden niet.’ ¶
Essay
Gewetensbezwaren.
Beeld
Ik denk dat ik in zekere zin idealistisch ben
Poëzie
Jij was het, deze, naar ons vernoemde
Open oproep: Waarom ben ik pacifist?
Rubberhamer
Essay
Voetafdruk van een wrokkige god
Open oproep: Waarom ben ik pacifist?
Capuchon
Essay
Dieser Krieg ist nicht unser Krieg
Poëzie
De onaantastbaren
Open oproep: Waarom ben ik pacifist?
Twee beschuitjes als diner
Essay
Een vergeten vrede. Drie beelden
Beeld
Pacifisme
Eenzame avonturen
Het danshuis
Polarisatie, oorlog en samenleven
Als het regent in Noord is dat de schuld van Femke
Poëzie
Laatste Woorden
Essay
De stralende kracht van een visioen.
Poëzie
Gedichten
Surinaamse dagen
Mentale luiheid, innerlijke weerstand of toch meertaligheid?
Lettertype
POINTER (PEACE)
Open oproep: Waarom ben ik pacifist?
Twee gedichten
Open oproep: Waarom ben ik pacifist?