Die witste strand

Die witste strand*

Mens kan sien hoe die rivierloop
sedertdien verander het;
die skeidslyn tussen hier en daar.
Die oewer waar ek nou staan,
was vroeër aan die ander kant.
Na weerskante strek die witste strand.

Nie ver hiervandaan, op die oopsee,
het ’n storm in vyftien honderd
Bartolomeus Dias se skip van glas
– tot vandag toe nog totaal deurskynend –
te pletter geslaan,
die rinkelende seetrollie met sy klein bolwerk
van gekruisigde doilies,
ten gronde.
Die wind het gehuil
soos geskinkte wolwe.

Die ‘hier’ en die ‘daar’.
Die strandlopers al, het dit gesien.

En later: Watter kusstrook was nié so verdeel nie?
Hier: Slegs Blankes. Dáár (iewers, uitgestoot): Nie-blankes.
Die eerste kaplyne was getrek op die strande:
koloniste wat getinfoeliede stokke rondswaai
wat poeierdampe poep aan die een kant;
en aan die ander kant, die skarrelendes, die strandkwartels,
húlle: die bewegende sand.


Die potskerwe.
Die erwe van die vaders. Ánder
se geliefde kusvakansies.

En tog. Hoe verlê die oewers.

Vir jare kon ek terugdink
aan ’n seer insident tussen my en my pa,
hy, wat soos gesê word, nou reeds ‘oorgesteek het’ –
met wraak, met haat selfs,
met eiegeregtheid.
Maar op ’n dag word ek wakker.
Proe-proe, weer. Probeer.
Die bloed onthou.
Maar al wat nou oorbly is
’n sagtheid, ’n motreën-sagtheid,
van oerbegrip. Wat alles deurweek.

Dis dán wat
jy staan aan die ander kant.
En terselfdertyd, steeds aan hierdie kant.
Net soos die dooies.
Op ’n eindelose, deurlopende, verblindende wit strand.

En miskien is dit
vergifnis.


* Gedurende apartheid was mense van kleur die ‘blanke’ strandgebiede in Suid-Afrika belet.

Het witste strand*

Je kunt zien hoe de rivierloop
sedertdien veranderd is;
de scheidslijn tussen hier en daar.
De oever waaraan ik nu sta,
was vroeger aan de andere kant.
Naar weerskanten strekt zich het witste strand uit.

Niet ver hiervandaan, op open zee,
is door een storm in vijftienhonderd
het glazen schip van Bartolomeus Diaz
– tot op de dag van heden totaal doorschijnend –
te pletter geslagen,
de rinkelende zeetheeboy met zijn kleine bolwerk
van gekruisigde onderleggertjes,
te gronde.
De wind huilde als
uitgeschonken wolven.

Het ‘hier’ en het ‘daar’.
De strandlopers** hebben het allemaal gezien.

En later: Welke kuststrook was niet zo verdeeld?
Hier: Alleen voor Blanken. Dáár (elders, verstoten): Niet-blanken.
De eerste scheidslijnen werden op de stranden getrokken:
aan de ene kant kolonisten
zwaaiend met in aluminiumfolie gewikkelde
stokken die poederdampen uitscheten;
en aan de andere kant, de scharrelaars, de strandkwartels,
zíj: het bewegende zand.

De potscherven.
Het erfdeel van de vaderen. De geliefde
vakantie aan zee van anderen.

En toch. Wat zijn de oevers verschoven.

Jarenlang dacht ik terug
aan een pijnlijk incident tussen mij en mijn vader,
hij die, zoals dat heet, nu reeds ‘is overgegaan’ –
vol wraak, vol haat zelfs,
zelfingenomen.
Maar op een dag werd ik wakker.
Proefde opnieuw. Probeerde.
Me het bloed te herinneren.
En al wat nu resteert is
een zachtheid, een motregen-zachtheid,
van oerbegrip. Die alles doorweekt.

Dan sta je
aan de andere kant.
En tegelijkertijd steeds aan deze kant.
Net als de doden.
Op een eindeloos, doorlopend, verblindend wit strand.

En misschien is dat
vergeving.



vertaling: Robert Dorsman


* Tijdens apartheid waren ‘blanke’ stranden in Zuid-Afrika voor zwarten en kleurlingen verboden.
** strandlopers: de oorspronkelijke bewoners van de westkust van Zuid-Afrika. Tegenwoordig Khoikhoi en San genoemd.