Taalmonumenten

I

1975 was door de Zuid-Afrikaanse regering tot Taaljaar uitgeroepen. Om de honderdste verjaardag van het Genootskap van Regte Afrikaners te herdenken, was 14 augustus tot openbare feestdag verklaard, zodat ‘mense in die hele land die verjaardag van Afrikaans kan vier’.1 De festiviteiten begonnen die dag bij het Voortrekkermonument in Pretoria. Ter herinnering aan de acht stichtersleden van het Genootskap van Regte Afrikaners vertrokken acht ‘taalfakkels’ van het Voortrekkermonument naar alle uithoeken van de Republiek en naar Zuidwest-Afrika (Namibië). Afrikaanstalige kranten gaven de volgende maanden geregeld aandacht aan het ‘Wonder van Afrikaans’, met berichten over plaatselijke festiviteiten en artikelen over de geschiedenis van het Genootskap. Een blijvende vrucht van deze geestdrift is bijvoorbeeld een weinig bekend taalmonument dat op 19 september in Oos-Londen onthuld is tijdens een plaatselijk taalfeest. Het draagt de woorden van een derderangs Afrikaanse dichter, C.F. Visser: ‘O, Moedertaal/ O, soetste taal,/ Jou het ek lief/ bo alles’. De inwijding van het grote taalmonument buiten Paarl was om praktische redenen vastgesteld op 10 oktober, op Krugerdag, omdat het weer in oktober beter was dat in augustus, midden in de regenachtige Kaapse winter.

De oprichting van een taalmonument in Paarl werd al sinds de jaren veertig voorbereid. In 1965 keurde een ‘Monument-comité’ een ontwerp goed voor het Taalmonument van de Pretoriase architect Jan van Wijk. Het moest een modernistische betonstructuur worden, in de stijl van Le Corbusier, die volgens de opdracht van het comité vanaf de hoofdweg zichtbaar moest zijn en aangepast aan het landschap. Dat laatste werd bereikt door vergruisde Paarlgraniet door het beton te mengen. Het verslag van de commissie van experts beschrijft de visuele ervaring van het monument in termen van een nog toekomstige ‘promenade architecturale’ (Le Corbusier):

Die ontwerper laat die besoeker trappe klim om op die drumpel van die ingang te kom [...]. Die besoeker bereik [die] fontein, en nadat hy hom in die klank van die vallende water verlustig het, draai hy regs en gaan uit in die buitelug op die Binneplein, wat, na ons mening, een van die mooiste gedagtes in die hele ontwerp is. Daarvandaan sal daar ’n treffende terugblik wees op die hoofsuil en muur wat dit steun, ’n geleentheid om ’n rukkie te gaan sit op die granietbanke wat voorsien word, en die kans om van die vergesigte in die verskillende windrigtinge te geniet. [...] Langs die hoofsuil, met die uitsig op wat die ontwerper die ‘magiese invloede van Afrika’ noem, staan die kleinere suil wat ons republiekwording moet versinnebeeld. [...] ’n Waterpoel onder beide suile verbind hulle op [...] ’n doeltreffende wyse [...]. Ook die drie koepels op die Binneplein om aan die invloede van nie-blanke elemente te herinner, vind ons baie treffend. Die skuins stutmuur van die Binneplein herinner aan ’n ander Afrika-motief, Zimbabwe, en die nabymekaarplasing van hierdie simbole van Afrika vind ons besonder geslaagd.2*

De iconografie van het monument is in hoofdtrekken gebaseerd op uitspraken van twee belangrijke Afrikaanse schrijvers. De opvallende hoofdzuil is gebaseerd op een uitspraak van C.J. Langenhoven in een rede die hij in 1914 in Bloemfontein heeft gehouden voor de Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns. Langenhoven omschrijft de ontwikkeling van het Afrikaans hierin als een lijn die naar de hemel reikt, een parabool van taalkundige hoogconjunctuur. De horizontale dimensie moet in navolging van de dichter N.P. van Wyk Louw de verbinding uitbeelden van het Afrikaans, dat zijn oorsprong te danken heeft aan het ‘heldere Westen’, en een ‘magisch Afrika’. De ‘niet-blanke’ oorsprongen van het Afrikaans komen ook nog aan bod in een zuiltje voor het Maleis dat op de trap naar het monument staat. Voor sommige Afrikaners, zoals de stichter van het Monument-comité, Loots, waren deze symbolen een ongeoorloofde overschrijding van rassengrenzen. Volgens hem was deze verwijzing naar de niet-blanke bijdrage aan het Afrikaans ‘onnodig’. Uit protest heeft hij zelfs gedreigd om de festiviteiten te ontwrichten met gewelddadige sabotageacties.3

II

Vroeg in de ochtend op vrijdag 10 oktober, op Krugerdag, begonnen veertigduizend Afrikaners zich rond het monument op een berg buiten het stadje Paarl te verzamelen. Volgens berichten in het Kaapse dagblad Die Burger heerste er een vrolijke stemming, gestimuleerd door het blaasorkest van het Departement Gevangeniswezen en de militaire kapel van het Kaapse Kleurlingkorps. Er waren speciale voorzieningen getroffen voor bruinmense. Hoewel de terrassen die voor hen ‘gereserveerd’ waren niet helemaal gevuld waren, hadden ze toch een rol in de verrichtingen. Vooral het Primrose Maleierkoor was een groot succes in het openluchttheater aan de voet van het monument. Het koor trad er op met basviool, gitaar en ukelele. Negen straaljagers van de luchtmacht trokken een oranje-wit-blauw rookspoor – de kleuren van de vlag – op het moment dat twee padvinders de vlag hesen. Het hoogtepunt van de plechtigheid was toen om tien uur in de avond de taalfakkels arriveerden:

Daar was ’n roering in die skare toe honderde Voortrekkers met brandende fakkels teen die steilte van die nagdonker Paarlberg na die amfiteater begin beweeg. Kontingente van agt met vlae het die roete-fakkels in ’n netjiese operasie aan die Premier [Vorster] oorhandig [...]. Vir elke fakkel het die Vlootorkes ’n fanfare gespeel wat spesiaal gekomponeer is [...]. Ná die fakkelplegtigheid het mnr. Vorster sy rede gelewer, waarna die nasate [van die lede van die gra] gehelp het om die hooffakkel aan die brand te steek en die monument as amptelik onthul te verklaar.4*

Tot slot schoten acht kanonnen nog een salvo. De acht taalfakkels en acht kanonnen refereerden aan de acht mannen die het Genootskap van Regte Afrikaners gesticht hadden. Als gevolg van de aanhoudende stroom artikelen in de pers en de aandacht ervoor op Afrikaanstalige scholen, zullen de aanwezigen dit vermoedelijk wel geweten hebben.

Het Taalmonument was het laatste in een reeks Afrikaanse monumenten die vanaf het einde van de negentiende eeuw de politieke positie van Afrikaners in het land gemarkeerd hebben. 10 oktober 1975 was ook de laatste keer dat de hegemonie van Afrikaners in Zuid-Afrika gevierd werd.


III

De reeks Afrikaanse monumenten nam min of meer zijn aanvang in 1893 met de inwijding van het eerste Taalmonument in Burgersdorp in de Oostkaap. Het werd er neergezet voor het Nederlands. Het was zelfs een wereldprimeur: in Burgersdorp is voor het eerst een stenen gedenkteken voor een taal opgericht. Gebruikelijker als eerbetoon is een reeks met klassieke werken of een groot woordenboek zoals het Woordenboek der Nederlandsche Taal.

Het Burgersdorpse taalmonument markeert de vroege fase in de taalstrijd van Afrikaners voor de erkenning van het Nederlands of ‘Hoog-Hollands’ als juniorvennoot naast het Engels. De acties voor het ‘Patriots’, de variant van de Kaaps-Hollandse spreektaal die door het Genootskap van Regte Afrikaners als officiële taal gepropageerd werd, kwamen nog op de tweede plaats. Deze acties stagneerden bovendien tijdens de Anglo-Boerenoorlog (1899-1902).

De festiviteiten in Burgersdorp waren van een andere aard dan die in 1975, die onder de strakke regie stonden van een kolonel van de Zuid-Afrikaanse politie. Het soms chaotische Burgersdorpse feest nam vijf dagen in beslag. Er waren optochten van bereden boeren, picknicks, ambtelijke diners en eindeloze toespraken. Het was een soort dorpskermis. De spil van alle activiteiten was oom Daantjie van den Heever. Hij was een gezellige man die een ‘wapenschouw’ afnam zonder uniform, maar met een helm van de Vrijstaatse artillerie op zijn hoofd. Na de parade nam hij deel aan een wedloop tegen ‘enkele dames’, van wie hij verloor. Voor predikanten was er een afzonderlijke wedstrijd.

Er was zelfs een publiciteitsfiasco. Een paar dagen voor het begin van het eigenlijke feest was er in Venterstad een ‘schandaal- en kluchtspel’. Dit voorfeest was bedoeld om geld in te zamelen voor het officiële feest in Burgersdorp. De kinderen werden er feestelijk onthaald in de Nederduits Gereformeerde Kerk en beloond met Engelse prijsboeken. ’s Avonds was er een ‘Amateur Entertainment, in aid of the Taal Festival Fund’, onder voorzitterschap van oom Daantjie. Drie uur lang werden de toehoorden ‘ge-entertain’ met Engelse stukken. De kinderen van oom Daantjie traden ook op. Het laatste nummer op het feestprogramma was weliswaar de voorlezing van ‘Het Noord-Brabantsche Meisjen’ van Nicolaas Beets, maar na het lied van de nationalistische Afrikanerbond werd de avond afgesloten met het zingen van ‘God Save the King’. Die Patriot en De Zuid-Afrikaan spraken er schande van.5

Het Burgersdorpse Taalmonument is een paar dagen later ingehuldigd in aanwezigheid van de leiders van het Afrikaner nationalisme, de Kaapse politicus ‘Onze Jan’ Hofmeyr en de schrijver-journalist S.J. du Toit. In overeenstemming met de classicistische traditie om abstracte begrippen een vrouwelijke gedaante te geven, was dit Taalmonument een welgeschapen jonge vrouw waarvan gefluisterd werd dat de dochter van oom Daantjie ervoor model gestaan had. In haar linkerarm droeg het standbeeld een tablet met de inscriptie: ‘Vrijheid voor de Hollandsche Taal’. Helaas stond dit elegante beeld niet lang op zijn sokkel. In 1901 is het door Engelse troepen vernield en werden de brokstukken gedeporteerd naar King William’s Town, een paar honderd kilometer van Burgersdorp. Na de oorlog, in 1908, schonk de Engelse koloniale overheid een kopie van het standbeeld die op de lege sokkel geplaatst werd. Toen het onthoofde en ontarmde beeld in de jaren dertig op een vuilnisbelt werd teruggevonden, werd het schuin achter de kopie opgesteld.

De Afrikaner nationalisten waren in 1893 nog een politiek ondergeschikte en, ten opzichte van de Engelse heersers, kwetsbare groep van weinig ontwikkelde plattelandsbewoners die zich schoorvoetend begonnen te organiseren. Aanvankelijk was er geen overeenstemming over de taal die als volkstaal moest dienen. Pas gedurende de Tweede Taalbeweging, na 1905, begon de ijver voor de erkenning van het Afrikaans die van het Nederlands te overheersen. De Eerste en Tweede Taalbeweging hadden het Afrikaans gepropageerd als kenmerk van een Afrikaner identiteit en wilden het een centrale plaats geven in de strijd om politieke macht. ‘Afrikaans is in Suid-Afrika gemaak om te pas by ons Afrikaanse toestande en lewenswys; hy het saamgegroei met ons volkskarakter; hy is die enigste band wat ons als ’n aparte nasie aanmekaar bind; ons enigste volkskenmerk,’ zei Langenhoven.6 Taal vormde het uitgangspunt om volwaardig burgerschap te verwezenlijken. Taalactivisme beoogde ook economische voordelen. Wanneer een betere positie voor het Afrikaans verkregen kon worden, zou er voor blanke Afrikaanstaligen ook meer werkgelegenheid zijn in de ambtenarij en de pers, meende generaal Hertzog.7

In 1925 werd Afrikaans als officiële taal van de Unie van Zuid-Afrika erkend. Dit Afrikaans was nog een taal in wording. Het was gebaseerd op de Paarlse variëteit van de Kaaps-Hollandse spreektaal. Om de taal aanvaardbaar te maken voor de burgersalon, werd ze opgekalefaterd met Nederlandse ontleningen. Niet iedereen was tevreden met het resultaat. De Transvaalse taalstrijders Eugène Marais en Gustav Preller vonden dit Afrikaans te Kaaps en hadden gehoopt dat het nog dichter tegen meer Nederlandse variëteiten van het Kaaps-Hollands zou aanleunen. Ze betreurden het bijvoorbeeld dat imperfectumvormen bijna helemaal aan het nieuwe Standaardafrikaans ontbraken. Er moest ook gewerkt worden aan de opbouw van een letterkunde.8 Voor Van Wyk Louw vormde een kwalitatief hoogstaande letterkunde de rechtvaardiging voor nationale onafhankelijkheid. Goede poëzie was een zaak van nationale politiek.9 Tot in de jaren veertig waren taalgebruikers nog onzeker over de taalnormen van het Afrikaans.10

Het volgende doel in de taalstrijd van de Afrikaners was gelijkwaardigheid met het Engels. Dit werd pas mogelijk toen de Nasionale Party in 1948 aan het bewind kwam en taalgelijkheid binnen het staatsapparaat verplicht stelde en Afrikaanstalig onderwijs voor Afrikaanstalige witte en bruine mensen invoerde. Buiten deze terreinen was de achterstand van het Afrikaans ten opzichte van het Engels te groot. Engels bleef ook na 1948 de voorkeurstaal in de steden, de zakenwereld en vooral van zwarte mensen. Dat zwarte mensen de voorkeur gaven aan Engels, was enerzijds een gevolg van het feit dat ze onder het Engelse koloniale bewind sinds de negentiende eeuw bijna uitsluitend Engelstalig onderwijs gevolgd hadden en ook (mede als resultaat van deze onderwijspolitiek) omdat Engels door zwarte mensen gezien werd als de belangrijkste toegang tot westerse kennis, macht en economische vooruitgang. In dit opzicht had Afrikaans minder betekenis en droeg het bovendien het stigma dat het door blanke ambtenaren werd gebruikt om de apartheidspolitiek mee uit te voeren. Het Afrikaans kon zijn aanspraken op gelijkheid met het Engels daarom slechts zolang handhaven als zwarte mensen uitgesloten bleven van politieke macht en Afrikaners binnen de blanke politiek de meerderheid vormden.


IV

Het Taalmonument in Paarl werd opgericht om de stichting te herdenken van een genootschap dat zich beijverde voor de erkenning van een variëteit van de Kaaps-Hollandse spreektaal en de vestiging van een Afrikaner natiebesef waarin taal een belangrijk teken van identiteit was. Vanaf het begin was dit Afrikaner nationalistische sentiment aanwezig in de plannen van het Monument-comité. Het monument moest volgens de prijsvraag van 1965 ‘die wonder van ons kulturele en staatkundige opbloei versinnebeeld. [...] Die Eerste Afrikaanse Taalbeweging wat hier in die Paarl begin het, was dus veel meer as enkel taalbeweging; dit was ’n beweging vir die kulturele, staatkundige en godsdienstige bevryding van die Afrikaanse volksdeel.’11 De Republiekzuil die met de Taalzuil het bassin deelde, verleende uitdrukking aan deze sentimenten. In de iconografie van het monument wordt de herkomst van het Afrikaans toegeschreven aan de rationele krachten van het ‘helder Westen’. Het ‘magiese Afrika’ is in het monument een continent dat door het Afrikaans en de Republiek geleid moet worden. In het verslag van de commissie van experts van de prijsvraag wordt gewag gemaakt van ‘die leidende maar hulpgewende rol wat ons land op die vasteland moet speel’.12 De Taalzuil en Republiekzuil zijn in het Paarlse monument opgesteld binnen een koloniale oppositie tegenover de horizontale delen die Afrika moeten verbeelden. Volgens deze symboliek willen een van oorsprong rationele Afrikaanse taal en een natie van Europese oorsprong leiding geven aan het irrationele en passieve Afrika.

Tien jaar later, op het moment van de inhuldiging, was deze wensdroom uit 1965 allang een illusie. In 1975 was vrijwel heel Afrika gedekoloniseerd. Angola en Mozambique hadden als laatste, in 1974, onafhankelijkheid verkregen. Een paar maanden voor de inwijding van het monument waren Zuid-Afrikaanse troepen begonnen aan een later mislukte veldtocht tegen de marxistische mpla die op het punt stond het bewind in Angola over te nemen. Internationaal was Zuid-Afrika toenemend geïsoleerd vanwege het apartheidsbeleid, terwijl de zwarte bevolking ook steeds minder bereid was het blanke minderheidsbewind te tolereren.

Intussen bleef de regering streven naar gelijkheid tussen Afrikaans en Engels in het onderwijs. Dat had pas laat gevolgen voor de zwarte scholen. Hoewel in 1955 bepaald was dat Afrikaans op de zwarte scholen buiten de thuislanden vanaf het laatste jaar van de lagere school op gelijke basis met het Engels als onderwijstaal gebruikt zou worden, is dat besluit bijvoorbeeld nooit uitgevoerd in Soweto. Daar werd pas in 1974 mee begonnen. Zwarte schoolbesturen in Transvaal gaven echter in 1975 opdracht aan hun scholen om dit beleid naast zich neer te leggen. Een belangrijk motief voor de weerstand was dat een grotere rol voor het Afrikaans als onderwijstaal beschouwd werd als een te grote belasting voor de schoolkinderen die toch al moeite hadden met Engelstalig onderwijs. In plaats van inhoudelijke kennis te verwerven, zouden ze nog meer tijd kwijt zijn aan het aanleren van een extra onderwijstaal. De onderminister van Bantoe-onderwijs, Andries Treurnicht, bleef echter onwrikbaar: ‘In die blanke gebied van Suid-Afrika, waar die regering die geboue verskaf, die subsidies gee en die onderwysers betaal, is dit sekerlik ons reg om te bepaal wat die taalbedeling moet wees.’* Lang voor 16 juni 1976, toen de zwarte scholieren in Soweto in opstand kwamen, waren er al spanningen rond het Afrikaans in Soweto.13

In de toespraak van John Vorster bij de inhuldiging van het Taalmonument is een gevoel van bedreiging en isolatie te bespeuren. In het begin van zijn toespraak keerde hij zich tegen critici in Afrika, Europa en Amerika die beweerden dat de Afrikaners alleen tijdelijke bewoners in Zuid-Afrika waren, restanten van het kolonialisme. Het bestaan van het Afrikaans bewees volgens hem juist dat Afrikaners het recht hadden om in Zuid-Afrika te zijn, omdat het Afrikaans in Afrika ontstaan was. ‘Alle verantwoordelike mense in die wêreld en in Afrika aanvaar onherroeplik dat ons reg het in Suid-Afrika en deel het aan Afrika. [...] Ons kan vanaand feesvier in die wete dat ons erken word en dat ons kaart en transport om hier te wees in Afrikaans geskryf is.’14*

(Het tweede deel van de artikelen in Die Burger waarin verslag gedaan werd van de inwijding van het Taalmonument en de toespraak van Vorster is afgedrukt naast een foto waarop acht (!) blanke mannen knielen voor de Ugandese dictator Idi Amin. Tegen de achtergrond van de symbolische overbelading van de plechtigheid krijg je de indruk dat deze juxtapositie niet toevallig is.)15

Het rassenbeleid van de np-regering was in belangrijke mate verantwoordelijk voor de isolatie van het geïnstitutionaliseerde Afrikaans. Afrikaanstalige universiteiten waren niet toegankelijk voor gekleurde sprekers van de taal. De Afrikaanse media presenteerden Afrikaans hoofdzakelijk als ‘witmanstaal’ en verdedigden het apartheidsbewind. De speciale bijlages van Die Burger en de Paarl Post die ter gelegenheid van de inwijding van het monument verschenen, bevatten bijvoorbeeld nauwelijks verwijzingen naar gekleurde sprekers van het Afrikaans die bijna de helft van het totale aantal moedertaalsprekers vormden, maar wel een artikel over de heel wat kleinere ‘Joodse by-drae tot Afrikaans’.16 De regering ging ook niet zachtzinnig met kritische schrijvers om. In het Taaljaar, kort voor de onthulling van het monument, werd Breyten Breytenbach op verdenking van terrorisme gearresteerd. Op 13 oktober, twee dagen na de grote dag in Paarl, delen een bericht over het Taalmonument en een over de vrouw van Breytenbach, die in Parijs een aanvraag had ingediend voor een visum om haar gevangen man te kunnen bezoeken, de voorpagina van Die Burger.

V

Na 1994 is het Taalmonument aanvankelijk het doelwit geworden van afkeer van het machtsmisbruik door Afrikaners. De betiteling van het monument door Breytenbach als een penis van beton in The True Confessions of an Albino Terrorist is met variaties herhaald. Sommige critici menen zelfs een urinestank aan de voet van de taalpilaar te ruiken. De rondingen op het horizontale deel van het monument die Afrika moeten symboliseren werden als ‘drolletjies’ beschreven.17 Door de nieuwe regering werd een voorstel gedaan om het Taalmonument uit te roepen tot een monument voor alle talen in Zuid-Afrika. De pogingen om het monument te profaneren of de oorspronkelijke betekenis bij decreet te wijzigen, waren maar van korte duur. Elk jaar werd de subsidie voor de onderhoudskosten gewoon doorbetaald.

In 2008 is het Taalmonument een populaire attractie voor buitenlandse toeristen. Slechts een derde van de bezoekers zijn Zuid-Afrikanen; twee derde komt uit het buitenland.18 Het monument heeft zich ontwikkeld tot een van vele omheinde en dus veilige toeristen-enclaves in Zuid-Afrika.19 Voor buitenlandse bezoekers zijn er opschriften in verschillende talen die de onderdelen van het monument benoemen. De bezoeker kan daarna koffie drinken en souvenirs kopen die hoofdzakelijk bestaan uit de gebruikelijke verzameling etnische kunst en T-shirts. Informatie over het Afrikaans is nauwelijks beschikbaar. Het restaurant van het Taalmonument geeft er de voorkeur aan de ‘spectacular sunsets and sundowners’ eerder dan de Afrikaanse taal te adverteren.20 Het monument is zoals zo veel andere in het nieuwe Zuid-Afrika opnieuw gepackaged. Het is nu een Paarlse versie van de Tafelberg of Kaappunt, meer een natuurverschijnsel voor de begerige tourist gaze dan een plaats met historische betekenis.



noten

1 Die Burger, 14 augustus 1975.

2 Taalmuseum, Paarl, Dokumente oor Taalmonument, Assessoreverslag van prysvraag, 21 januari 1966.

3 Taalmuseum, Paarl, Dokumente oor Taalmonument, Die Afrikaanse Taalmonumentkomitee, Notule van 18 juli 1975.

4 Die Burger, 11 oktober 1975.

5 D.H. Cilliers, Albert se aandeel in die Afrikaanse beweging tot 1900. Burgersdorp, Burgersdorpse Seëlkomitee, 1982, 72-82.

6 C.J. Langenhoven, Versamelde werke. Kaapstad: Nasionale Pers 1938, Deel xii, 371.

7 J.B.M. Hertzog, Die Hertzogtoesprake, Deel 3, April 1913-April 1918. Johannesburg: Perskor 1977, 264-265. Hertzog was een voormalige Boerengeneraal en Afrikaner nationalistische politicus.

8 S. Swart, ‘An spect of the roles of Eugène Marais and Gustav Preller in the Second Language Movement c. 1905-1927’, http://academic.sun.ac.za/history/downloads/swart/eugenemarais.pdf

9 N.P. van Wyk Louw, Versamelde prosa, i. Kaapstad: Human & Rousseau 1986, 18-25, 44-48.

10 A. Deumert, Language Standardization and Language Change. The Dynamics of Cape Dutch. Amsterdam: John Benjamins 2004.

11 Taalmuseum, Paarl, Dokumente oor Taalmonument, Die Afrikaanse Taalmonumentkomitee, Boukundige prysvraag, 12 april 1965.

12 Taalmuseum, Paarl, Dokumente oor Taalmonument, Assessoreverslag van prysvraag, 21 januari 1966.

13 J.C. Steyn, Tuiste in eie taal. Die behoud en bestaan van Afrikaans. Kaapstad: Tafelberg, 1980, 255-305.

14 Die Burger, 11 oktober 1975.

15 ibid.

16 Bylae tot Paarl Post, 15 augustus 1975; Afrikaans 1875-1975, Speciale bijlage bij Die Burger ter gelegenheid van de inwijding van het Taalmonument op 10 oktober 1975.

17 Case No: 1995/08 sabc – Agenda, Die Taalmonument; Afrikaner-Kultuur (akb), D.J. Malan en Andere (Complainant) vs. sabc (Respondent). Broadcasting Complaints Commission of South Africa: http://www.bccsa.co.za (bekeken 15 september 2007).

18 Taalmonument, Paarl, Besoekersstatistiek, april 2005 tot maart 2007 (met dank aan Gerda Odendaal, student Afrikaans en Nederlands, Universiteit van Stellenbosch, voor het verkrijgen van de statistieken).

19 Vgl. A. Grundlingh, ‘A Cultural Conundrum? Old Monuments and New Regimes: The Voortrekker Monument as Symbol of Afrikaner Power in a Postapartheid South Africa’, in: Radical History Review 81 (Fall 2001), 95-112.

20 Taalmonument Restaurant, http://www.tourismcapewinelands.co.za/za/guide/6de,en,SCH1/ objectId,CTR4201za,curr,ZAR,season,at2,selectedEntry,home/home.html (bekeken 15 september 2007).

bronnen

Archivale bronnen

Taalmonument, Paarl, Besoekersstatistiek, 2005-2006.

Taalmuseum, Paarl, Notule van die Afrikaanse Taalmonumentkomitee en ander dokumente oor die Taalmonument.



Publicaties

Case No: 1995/08 sabc − Agenda, Die Taalmonument; Afrikaner-Kultuur (akb), D.J. Malan en Andere (Complainant) vs. sabc (Respondent). Broadcasting Complaints Commission of South Africa: http://www.bccsa.co.za.

Deumert, A. Language Standardisation and Language Change. The Dynamics of Cape Dutch. Amsterdam: John Benjamins 2004.

Die Burger, juli-oktober 1975.

Geldenhuys, D.J.C. Uit die wieg van ons taal. Pannevis en Preller met hul pleidooie. Johannesburg: Voortrekkerpers 1967.

Grundlingh, A. ‘A Cultural Conundrum? Old Monuments and New Regimes: The Voortrekker Monument as Symbol of Afrikaner Power in a Postapartheid South Africa’, in: Radical History Review 81 (Fall 2001), 95-112.

Hertzog, J.B.M. Die Hertzogtoesprake, Deel 3, April 1913-April 1918. Johannesburg: Perskor 1977.

Langenhoven, C.J. Versamelde werke. Deel x en xii. Kaapstad: Nasionale Pers 1938.

Louw, N.P. van Wyk. Versamelde prosa. Kaapstad: Human & Rousseau 1986.

Paarl Post, Bylae, 15 augustus 1975.

Steyn, J.C. Tuiste in eie taal. Die behoud en bestaan van Afrikaans. Kaapstad: Tafelberg 1980.

Swart, S.S. ‘An Aspect of the Roles of Eugène Marais and Gustav Preller in the Second Language Movement c. 1905-1927’, http://www.academic.sun.ac.za/history/downloads/swart/eugenemarais.pdf