Notuul

De man is een grote geparfumeerde heer met glimmende schoenen. Hij zit kaarsrecht op een stoel op het terras van de volkstuin. Sally Bentheim is achter in de vijftig. Opgestoken grijs haar en heldere blauwe ogen. Ze schenkt hem nog een kop jasmijnthee in. Het gezicht van de man staat bedrukt alsof hij voortdurend zijn adem moet inhouden. 
     ‘Wat een vreselijk verhaal, meneer Gijsels. Ik weet niet goed wat ik erop moet zeggen. Waarom komt u mij dat vertellen, als ik vragen mag?’
     Ze biedt hem een roombotersprits aan.
     ‘Nee, dank u, dit warme weer slaat altijd op mijn maag.’
     De grens van Sally Bentheims beleefdheid is bereikt. De man heeft niet één keer geglimlacht, niets over haar prachtige tuin gezegd en een deprimerend verhaal opgelepeld over zijn moeder, die, toen hij een jongen van negen was, geestelijke problemen kreeg en is weggelopen. Vijftig jaar geleden. Het kost Gijsels enorme moeite om te spreken. Hij lijkt een man op de rand van een afgrond.
     ‘Mij werden twee maanden geleden papieren opgestuurd uit de nalatenschap van ene Frans Leits. Daar zaten brieven bij van mijn moeder.’
     Gijsels zucht.
     ‘Frans Leits had een tuin hiernaast, maar meneer Gijsels, maakt u er alstublieft geen quiz van. Ik wil nog boontjes plukken voordat de zon achter in de tuin komt.’
     Gijsels kijkt nu met gefronste wenkbrauwen in zijn thee.
     ‘Die brieven zijn aan uw vader gericht, Oscar Bentheim. Liefdesbrieven, ze was in haar manische toestand smoorverliefd op hem geworden. Ze zagen elkaar in het geheim hier op zijn volkstuin.’
     De steek in haar buik verbergt ze goed. 
     ‘Ik heb nooit iets gehoord over mijn vader en een mevrouw Gijsels uit Haarlem.’
‘Mevrouw, ik heb geen rust voor ik haar... Ze ligt hier! Hij moet in paniek geraakt zijn van haar wanen, bang dat het uitkwam...’
     ‘Vuile schoft, maak dat je wegkomt!!’

Een half uur geleden heeft Gijsels met betraande wangen een telefoon uit zijn binnenzak gehaald. Nu janken er motorzagen en zijn vijf mannen bezig het hele oppervlak van de tuin vrij te maken. Een kleine graafmachine is begonnen met het openrijten van de rulle zwarte aarde. De graafmachine schept de aarde in grote langwerpige bakken op uitschuifbare poten. Op de zeef blijven wortels, bollen en stenen liggen. 

De handen van Sally Bentheim zitten aan elkaar vast. De enkels idem dito. In haar mond zit het keukendweiltje, op zijn plaats gehouden door drie lagen hobbytape. Ze ligt op de grond in het schuurtje tussen de werkbank met slakkengif, vloeibare mest, de laatjes met zaden en de hoek met haar vaders schoffel, spades en hark.
     De zware, zangerige stem van de graafmachine vertelt haar dat de tuin volledig wordt verwoest. Als ze aan haar vader denkt ziet ze een wegrennende schim. Die brandende ogen van Gijsels, zijn natte wangen; ze is niet alleen woedend op hem, ze bewondert ook zijn radeloze verlangen naar zijn moeder. 
     De angst verdwijnt uit haar lichaam. Het is of ze in een kano ligt, meegevoerd op een snel stromende rivier. Een gebakerde baby op reis naar het onbekende. Dit is allemaal vreselijk, maar het maakt alles nieuw. Alles, ook het verleden, ook de tuin, ook haar herinneringen. Straks zal ze worden uitgepakt als een cadeau.