Voor Edgar Cairo

Toen ik in het begin van de jaren tachtig voor het eerst iets van Edgar Cairo las, werd ik terugverwezen naar de vijfde klas van de middelbare school. Dat was in het schooljaar 1974/5, inderdaad het jaar dat Suriname onafhankelijk zou worden, en in een parallelklas zat Ricardo, die wel het jongere en zorgeloze broertje van Cairo kon zijn geweest. Een lange dunne jongen met een afro.

Hij sloot zich meteen bij ons aan. Met ons bedoel ik de dichters van de school, want Ricardo was ook een dichter. Natuurlijk hoorden wij ook bij de groep mensen die schoolavonden organiseerde en zo kon het gebeuren dat er avonden waren dat er gedichten van Paul van Ostaijen in een theatrale opzet werden opgevoerd, en op een volgende avond bracht Ricardo samen met een neef dacht ik, uitbundige gedichten op het podium, waarin hij de nieuwe Republiek Suriname bezong. De neef speelde op een conga uit het schoolorkest bij gebrek aan jembé. Ricardo deed luid en met brede gebaren zijn poëzievoordracht waarin hij de adembenemende schoonheid van Suriname schilderde en de stralende toekomst die de jonge natie wachtte.

Ik herinner me fonkelende watervallen, mooie meiden (– of hoe zei hij dat?) langs de rijstvelden en vrolijke feesten op pleintjes in Paramaribo als er laat op de avond een koel windje van zee waait. Verder deed hij een satirische sketch, waarbij hij het Surinaamse gezag belachelijk maakte. Hij zat aan een tafeltje met een telefoon en een arsenaal aan hoofddeksels, waaronder een politiepet.

Wij waren overdonderd. Allereerst door de onbekendheid met zijn onderwerp, de natuur en cultuur van Suriname (tenslotte was hij de enige Surinamer op onze school), maar ook door zijn feestelijke vaderlandsliefde, zijn manier om geëngageerd te zijn. Zijn onbekrompen en inventieve gebruik van het Nederlands. Het jaar erop was Ricardo verdwenen. Dat heb ik altijd jammer gevonden. En nu ik Cairo herlees en terugdenk aan Ricardo vraag ik me af wat er van hem geworden is. Woont hij nog in Suriname? Is hij leraar in Zwijndrecht? Is hij journalist of werkt hij bij de radio? Heeft hij gedichten gepubliceerd?


Wat gebeurde er toen ik, dobberend op herinneringen aan Ricardo, Cairo herlas en las? Er kwam een avond waarop ik bleef zitten toen iedereen naar bed ging. Ik schonk nog wat in en draaide de dop van mijn pen. Dit schreef ik op, als eerste, ongerichte reactie op mijn lectuur.


De geschiedenis is als een land, als het bos. We komen eruit voort. De taal is als het leven van licht, lucht en geluid; eten en drinken, het ritme van dag en nacht. De taal is een stroom die ons draagt, die we mondje voor mondje afzonderen, ons toe-eigenen om uitdrukking te geven aan onze ervaringen in dat bos. Want we moeten een familie, een clan, een stam, een natie vormen. En dus plooien we onze taal naar onze ambities, onze overlevingsstrijd.

En soms, zomaar ergens daartussen, in het kreupelhout van de geschiedenis, is er dan iemand die aan den lijve ervaart hoe dat alles in zijn werk gaat. Hij voelt het gebeuren, in zijn leven, in zijn hoofd, in zijn zintuigen. Zo wordt hij dichter, iemand die het onbegrijpelijk zwarte marmer van zijn ziel zo lang polijsten kan tot het een spiegel is. Totdat hij niet alleen zichzelf kan zien, maar ook zichzelf kan zien ontstaan en over zijn schouder het leven en veranderen van zijn familie, zijn volk kan waarnemen. Zo iemand wil weten hoe de taal, het licht en het leven van het bos waarin hij leeft, werkt. Waar komen de woorden vandaan? Maar hij wil ze ook leren sturen en beheersen. Niet alleen voor zichzelf, juist ook voor de anderen met wie hij daar is in dat bos, in die dagen en nachten in de gedeelde taal. Wat wil het zeggen dichter te zijn? Misschien dit: dat de waarheid alleen een kans maakt in de waarste taal en dat niemand die kan vinden, maar dat dichters beter kunnen zoeken dan de anderen.

Niet dat het dan feest en triomf en mooi en gezellig is. Dan komt nog alle pijn, die van nu en die van moeders en grootvaders en overgrootvaders. Dan doen de misverstanden en de moeite zich gelden tussen de enkeling en de veelheid van de taal; tussen de eenzaat en de groep; tussen zijn schepping en de norm. En tussen de dichter en zichzelf.

In de natuurkunde omschrijven ze het toenemen van druk zo: als een stof (vast, gas of vloeibaar) met eenzelfde massa in een kleinere ruimte wordt gedrukt. De druk kan zo groot worden dat je naar het front gaat en op het slagveld uit je linie breekt, het niemandsland in, door de mijnenvelden, in het zicht van de scherpschutters. Het is de vlucht vooruit. Wie dan gevolgd wordt is een held, een leider. Wie alleen blijft wordt betreurd als dwarse eenling en vindt meestal een eenzaam einde.

De vlucht vooruit is geen zwaktebod of domme zelfdestructie. Het is een waagstuk, zeker, maar het is eerst en vooral een scheppende daad. Een quantumsprong van de ziel die grote gevolgen kan hebben als hij maar wordt herkend, begrepen en gevolgd. De vlucht vooruit kan iemand veranderen in een uitvinding. Edgar Cairo moest zo’n uitvinding worden van zichzelf.

Een Franse filosoof schreef dat de echte literatuur altijd een minderheid een stem geeft; een stem die iedereen kan lezen en kan verrijken. Dat geldt voor Cervantes, Kafka, Joyce, Mahfouz, Pirandello, Tipp Marugg, Wallcott, Hermans, Reve en Edgar Cairo.

Soms is die minderheid, dat volkje dat stem krijgt door de gedichten en verhalen van de schrijver, onzichtbaar en ondenkbaar, tot het moment waarop de schrijver gaat publiceren. En vaak genoeg duurt het nog veel langer. De schrijver sticht dus een volkje met zijn werk. Ook al is dat bij elkaar geraapt uit de meest diverse groepen mensen, verspreid door ruimte en tijd. Vaak duurt het decennia voordat die stichting een beetje op gang komt. Maar als het zover is kun je zien dat het werkt. Het werk van Edgar Cairo heeft met zijn soms verwarrende vlucht vooruit een ruimte geschapen waarin lezers, dichters, schrijvers, kunstenaars, muzikanten uit verschillende werelden graag even samen een volkje zijn.

Hoe doet een werk dat? Volgens mij zijn er drie elementen nodig om zoiets op gang te brengen. Ten eerste dat het werk in zijn diepste pit voortkomt uit een dichterlijke blik. Uit het oog en oor en hart van een on-gevangene, een onbevangene, een kind, een halve buitenstaander. Een soms minuscule, maar beslissende oer-afstand tot de wereld waarin hij leeft. Vaak helpt de geschiedenis daarbij een handje door schrijvers geboren te laten zijn in een etnische minderheid, of tussen twee volkeren of godsdiensten, ze in ballingschap te sturen, plotseling van rijk straatarm te maken of op te zadelen met extreme ouders. Maar het gevolg voor het werk is: een eigen taal, een eigen blik.

Ten tweede, dat het voortkomt uit een oprechte en onvermoeibare zucht naar kennis, naar kritisch onderzoek, naar vergelijk, naar vroeger, naar anderen. Bij Cairo zien we dat terug in zijn aandacht voor de geschiedenis van het Sranan en het ontstaan van Surinaams Nederlands, zijn speurwerk naar orale poëzie, zijn ideeën over de relatie tussen wetenschappelijk denken en de cultuur van winti en natuurlijk in zijn ambitie een opiniemaker te zijn. Hij wilde een intellectueel zijn, iemand die nadenkt, onafhankelijk en betrokken, geleerd en kritisch, iemand die verbanden legt, de waarheid betrapt en provoceert. En die intellectuele kracht is volop aanwezig als je zijn verhalen en gedichten leest, zijn romans en toneelstukken.

Ten derde, dat er in het werk een stem meeklinkt die van iedereen kan zijn. De stem van Jan Lul, of Jan Alleman, een doorsnee mens, die de hele geschiedenis, het hele leven maar zo’n beetje overkomt. Want achter en onder alle kunst en wetenschap, alle poëzie en politiek is het gewone menselijke leven. Levendig, banaal, oersaai en absurd. Om zich daar doorheen te slaan nemen Elkerlyc en zijn kameraden een illusieloze en laconiek-vrolijke houding aan. Het leven wordt er een warmbloedige, bitterzoete komedie door, waarin humor en gelijkmoedigheid, vriendschap en uithoudingsvermogen het belangrijkst zijn. Om compleet te zijn, om een volkje te stichten, moet er in het werk van een schrijver de stem van zo’n verteller meedoen.

Hij is tien jaar geleden overleden. En misschien is het eindelijk zover dat de minderheid, het bont geschakeerde volkje gesticht gaat worden door het werk van de dichter, performer, schrijver, schilder Edgar Cairo. De toekomst zal het leren. Wie vandaag de dag met een open blik naar de documentatie van zijn leven en optredens kijkt en zijn werk herleest wordt één ding duidelijk. Dat is mogelijk, zijn werk is open, rijk, geleerd, poëtisch, vindingrijk, mysterieus en grappig genoeg. Aan Cairo’s werk zal het niet liggen.


* Deze tekst werd uitgesproken bij de Cairo-herdenking op 28 mei 2010 te Amsterdam.