Fout(jes) in vredestijd

Het manuscript van De mislukkingskunstenaar werd door de filologen van het Hermans Instituut op fouten nagevlooid. Biograaf Otterspeer heeft daar dankbaar gebruik van gemaakt en verbeterd wat fout was. Maar waar gaat het eigenlijk om bij de beoordeling van een biografie? Om de geturfde foutjes of om inlevingsvermogen, creativiteit en interpretatie?

Vestdijk had een vrouw, Reve had een vriend, Hermans heeft een Instituut. Hazeu had het te stellen met de mythe van de weduwe, Maas met een matroos, ik met filologen.

In het jaar 1999 werd het Hermans Instituut geboren. Het archief van Willem Frederik Hermans kwam in beheer van het Letterkundig Museum, een redactie voor de uitgave van de Volledige Werken werd samengesteld (en ging aan de slag onder de paraplu van het Huygens Instituut) en een historicus kreeg de opdracht tot het schrijven van een biografie.

Eind november vorig jaar verscheen het eerste deel van mijn biografie, De mislukkingskunstenaar. De reacties op dat boek waren voor het overgrote deel positief. Er was evenwel een opmerkelijke uitzondering. Blijkens een ingezonden mededeling in de Volkskrant van 20 november 2013 hadden een paar mensen, onder wie een oud-voorzitter van het Hermans Instituut en de redacteuren van de Volledige Werken, ernstige bezwaren.

Het belangrijkste deel van die bezwaren werd even later door recensenten weersproken. Geen intellectuele biografie? ‘Onzin,’ zei Trouw. Voor latere generaties onbruikbaar? ‘Een rijk boek,’ zei Vrij Nederland. ‘Een schatkamer voor Hermans-liefhebbers,’ schreef NRC Handelsblad. ‘Een aangrijpend, scherp en overtuigend portret,’ aldus de Volkskrant.

Maar er blijft het punt dat alleen door mij weersproken kan worden, namelijk dat er zo veel fouten in het boek zouden staan. Daarover gaat dit stuk. Over foutjes in vredestijd.

In de jaren dat de redactie van de Volledige Werken en ik samenwerkten, was duidelijk geworden dat er verschil in karakter en humeur bestond. Maar wat vooral duidelijk werd, was een verschil van opvatting over ‘wetenschap’. De medewerkers van het Hermans Instituut zijn filologen ‘striktester Observanz’, ik ben een lezer en een schrijver. Zij zijn voorzien van een heilig geloof in de ‘editiewetenschap’. De filologie, die mooie moeder van alle humaniora, wordt daarin afgeschermd als een foutvrije zone in de chaos van de literatuur. Ik daarentegen ben ervan overtuigd dat geschiedschrijving geen wetenschap is, maar literatuur met andere middelen. Het is literatuur mét bewijs, om op Hermans te variëren.

Wetenschap is wat het sedert de wetenschappelijke revolutie al zo’n eeuw of vier is: een zaak van zo rijk mogelijke theorieën, geformuleerd in een zo doorzichtig mogelijke taal, ter verklaring van een zo groot mogelijk aantal verschijnselen en ter voorspelling van zo gedetailleerd mogelijke ontwikkelingen. Daaraan heeft de geschiedschrijving nooit beantwoord en de biografie al helemaal niet. En dat komt doordat de biografie een literair genre is.

Dat was de filologie ook, een soort erudiet ademhalen. Het was lezen en schrijven in z’n hoogste potentie, geen wetenschap, maar geleerdheid. Het was vooral een vorm van goede smaak of wellevendheid, een basisingrediënt van gesprek en betoog. Filologie ging over alles wat het leven de moeite waard maakte, bezien vanuit historisch perspectief.

De grote filologen, Spitzer, Curtius, Auerbach, zagen geen verschil tussen geschiedenis en literatuur, tussen literatuurgeschiedenis en taalkunde, tussen germanistiek en romanistiek. Auerbach rekende de hele wereldliteratuur tot zijn werkterrein en hij vergeleek zijn bezigheid ‘eerder met kunst dan met wetenschap’: ‘Es ist eine mit gelehrten Materialien arbeitende Kunst.’

De nieuwe filologen daarentegen maakten onderscheid tussen nationale talen en literaturen, tussen perioden en regio’s, tussen thema’s en methoden. Het kan niet ontkend worden dat die specialisatie winst betekende in de diepte. Maar in de breedte was het een even groot verlies. En wat erger was: de onderlinge afscheiding leidde tot sektarisme. Het gesprek kreeg de toon van een slecht huwelijk (‘jij altijd’). De wellevendheid van weleer veranderde in het zoeken naar andermans foutjes.

Een goed voorbeeld daarvan is de wrijving tussen Hermans zelf en een medewerkster van het Huygens Instituut in 1987. Die medewerkster trof allerlei foutjes aan in Hermans’ editie van Max Havelaar. Zij oordeelde die uitgave ‘beneden de maat’. Een paar jaar later, in 1992, nam Hermans wraak, toen de mevrouw in kwestie haar eigen ‘historisch-kritische’ uitgave van Max Havelaar het licht deed zien. Ook daar zaten fouten in en op grond daarvan meende Hermans er goed aan te doen van de mevrouw ‘een goed gebakken biefstuk’ te maken.

Hermans zelf was in dit opzicht overigens een perpetuum mobile. Hij maakte fouten met de overgave een hogere zaak waardig. Maar met nog groter verbetenheid zocht hij ze bij anderen. Vervolgens waren er de zogeheten bewonderaars, verzameld in een blaadje (Hermans-magazine geheten), die er eer in schiepen zo veel mogelijk fouten op te sporen bij Hermans en bij iedereen die iets over Hermans schreef. Er is op dat blaadje overigens een verhelderende scheikundige formule van toepassing: rancune met talent = Hermans; rancune zonder talent = Hermans-magazine.

Op een dag in maart 2007 publiceerde dit fanzine, zoals het zichzelf liefkozend noemt, een Bijlage die geheel gewijd was aan de Volledige Werken 12. Er zouden wel zevenhonderd fouten in staan. ‘Het productieproces’ moest ‘de productie’ zijn, NRC-klein kapitaal moest NRC-groot kapitaal zijn. Dergelijke dingen. Geen Herodotos maar Herodotus. En natuurlijk waren er ook een paar echte fouten: de uiterst dappere Hans Calmeyer was beslist geen nazi.

In plaats van de Bijlage in de prullenbak te gooien, schrokken de redacteuren van de Verzamelde Werken zich een koliek groter dan die van de Bey van Tunis. Een Stockholmsyndroom was geboren, de gegijzelden kregen sympathie voor de gijzelnemers. Het vermijden van fouten kreeg voortaan de voorrang boven alle andere overwegingen. Fout in de oorlog was eigenlijk niets in vergelijking met foutjes in vredestijd. De bekende uitspraak van Fouché: ‘Het is erger dan een misdaad, het is een fout’, werd boven elke schrijftafel van het Huygens Instituut gehangen.

Vandaar dat het manuscript van mijn biografie, toen het de ronde deed langs mijn meelezers, door de redacteuren van de Volledige Werken vooral op ‘fouten’ werd beoordeeld. Die zaten er natuurlijk in en ze werden uiteraard verbeterd. Het boek werd na publicatie door de weduwen van het Hermans-magazine aan een ‘moordend’ onderzoek onderworpen. Maar steeds als ze hun netten ophaalden bleken er verroeste spijkers en oude fietsbanden in te zitten en heel soms een mager spierinkje. Toch bleven ze hameren op foutjes. Evenals de redacteuren van de Volledige Werken.

Maar geschiedschrijving gaat niet over foutjes. Natuurlijk, hoe minder hoe beter. De normale omgangsvorm is dat je een lijstje van collega’s krijgt ‘ten behoeve van de tweede druk’. Karel van het Reve had er, toen hij zijn Geschiedenis van de Russische literatuur publiceerde, iets slims op gevonden. Hij loofde vijf gulden uit voor iedere fout die hem werd gemeld. Dat leek, wie de zuinigheid van Karel kende, een desperaat gebaar. Dat was het allerminst. Ik heb leerlingen van hem gekend die vele tientallen fouten ontdekten. Maar Karel wist dat zij de giro die hij hun overhandigde nooit zouden innen maar zouden inlijsten.

Geschiedschrijving gaat niet over fouten, maar over inlevingsvermogen en creativiteit, over nuance en interpretatie, overgave en onderdompeling. Een biograaf ‘leeft’ met zijn onderwerp. ‘Het schrijven van een roman is te vergelijken met een huwelijk,’ schreef Hermans ooit, ‘een toestand die men schept door zich erin te begeven.’ Voor het schrijven van een biografie geldt hetzelfde.

Toen ik in 1999 de opdracht accepteerde om de biografie van Hermans te schrijven wist ik wat mij de komende vijftien jaar te doen stond. Drie dagen in de week stonden mij ter beschikking en zeven avonden. Van mijn werkgever, de Leidse universiteit, kreeg ik een dag in de week vrijaf. En van de Stichting Fonds voor de Letteren kreeg ik een onderzoekssubsidie, die ik, in die vijftien jaar, voor boeken en voor steun bij onderzoek gebruikte, maar vooral voor reizen.

Allereerst was er het archief. Het archief van Hermans is een droom. Het is even omvangrijk als onthullend, een ademend mechaniek, een zoemende krachtcentrale. Het eerste verzamelen van een biograaf is een betoverende bezigheid. Met karrenvrachten haalt hij zijn materiaal binnen, een overdaad vult zijn schuren. ’s Avonds bekijkt hij de oogst van de dag, nieuwe stemmen voegen zich bij de oude, een kakofonie vult zijn hoofd, als van een radio afgestemd van Beromünster tot Reykjavik.

Maar op een bepaald moment gebeurt er iets dat het best vergeleken kan worden met een orkest dat stemt. Eerst is er de vrolijke chaos van individuele instrumenten, een enkele musicus komt nog snel binnengelopen, een hobo geeft de zuivere A. En dan is het alsof alles na een paar seconden samenvloeit. Voor een historicus is dit het geval als hij een thema heeft, in mijn geval dat van de mislukking. Dit werd de denkbeeldige lijn waaromheen ik mijn lussen van chronologie en thematiek zou leggen.

Naast het archiefonderzoek was er het lezen. Hermans was een groot lezer en wie in zijn huid wil kruipen, moet zich zijn belezenheid eigen maken. Van Robinson Crusoe en Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde (een deeltje uit de reeks ‘Boeken voor jongens en meisjes’) tot en met ‘Tom Tit’ oftewel Natuurkunde in de huiskamer, ik las het allemaal. Op het stramien van zijn leven herlas ik Kafka en Poe, Céline en Faulkner, met een totaal ander, een veel hongeriger oog. Er zit iets heel moois in het vrij zwevende lezen. Maar er gaat niets boven iets lezen op zoek naar iets anders, hongerig, als een afgevaste valk.

Ik ben hem natuurlijk nagereisd. Daar liep ik, in Amsterdam en Groningen, Parijs en Brussel, Londen en Florence, met Hermans op zak. Ik kopieerde zijn verblijf in Canada (1948), zijn eerste grote reis door Spanje (1951). Ik leerde in Luxemburg wat ‘schiervlaktes’ zijn, beklom de Etna met hem, zwierf door Frankrijk en Italië, Noorwegen en de Verenigde Staten. Ik bezocht Suriname en Zuid-Afrika. Er is geen betere manier dan reizen om helemaal alleen met je held te zijn, geen beter middel hem present te maken dan via het gebouw dat hij betrad, het landschap dat hem omgaf, de eenzaamheid die hij trotseerde.

Eenmaal in het bezit van alles wat vindbaar is, met onder handbereik de zeedrift van jaren jutten, zet de biograaf zich uiteindelijk tot de mozaïek van wat hij vond. Van verzamelaar wordt hij verdichter. Van de waarheid duikt hij in de fictie, van de versplintering van de gegevens in de gedachte dat er zoiets zou zijn als een karakter, een eenheid van de persoonlijkheid. In zekere zin is de biografie de erfvijand van de geschiedenis. Ze is, evenals de roman, op zoek naar de mythe.

Wie een goede biografie wil schrijven streeft naar meer dan het vermijden van foutjes. Veel gezien, gehoord, gelezen hebben, is een voorwaarde. Veel begrijpen een tweede. Het belangrijkste ingrediënt van de historische ervaring is het gevoel voor uitersten en het vermogen ze in één harmonieus geheel te vangen. Wie niet weet dat wit en zwart, kwetsbaar en agressief, een heilige en een duivel in één persoon verenigd kunnen zijn, moet in ieder geval geen biograaf van Hermans worden. Wie leest weet dit. ‘De man is een mengeling van grootheid en laaghartigheid, van gezond verstand en onredelijkheid,’ schreef Diderot over De neef van Rameau, de broer van Hermans zou je kunnen zeggen.

Het gaat mij hier allerminst om een polemiek met de redacteuren van de Volledige Werken. Die werken zijn een voorbeeld van hoe met zorg en goede trouw omgegaan wordt met de nalatenschap van een groot auteur. Die redacteuren zijn competent en zorgen twee keer per jaar voor het hernieuwde bewijs van wat Hermans voor ogen stond: verbluffen. Het is mij erom te doen duidelijk te maken dat editiewetenschap en het schrijven van een literaire biografie gescheiden competenties zijn. Dit is een feit en men kan er in vrede mee leven. Maar men kan het ook betreuren.

Ooit vormden literatuur en geschiedschrijving een geheel. Elk was, ieder op z’n eigen manier, het verhaal van eigen onderzoek, van eigen ervaring. Beide werden ze op hun woord geloofd en gebruikt op de manier waarop men goede raad accepteert. Op een zeker moment dook de geschiedschrijving onder in de wetenschap en de literatuur in het woord.

Dat was voor beide een verlies. De geschiedschrijving werd de manier waarop een bepaald soort academici met het verleden omging, de literatuur werd voortaan in eenzaamheid geboren en in eenzaamheid genoten. En goede raad werd duur. De geschiedenis werd een academische discipline, met een enorm wetenschappelijk apparaat, maar met een beperkt maatschappelijk en intellectueel bereik.

De literatuur leek hetzelfde lot beschoren. Als we de literatuurwetenschap moesten geloven, sloot de literatuur zich op in zichzelf. Alle boeken hadden, zo zei men, alleen met elkaar te maken, de literatuur was één grote onderlinge verwijzing, alleen niet naar een wereld erbuiten. Een biograaf die verband legde tussen leven en werk van een schrijver werd op de vingers getikt.

Toch lijkt die oude verwevenheid van literatuur en geschiedenis terug te keren. Wie een prachtig boek als 1945 leest, van Ian Buruma, terecht ondertiteld als ‘biografie van een jaar’, weet wat een indrukwekkend potentieel er in die combinatie schuilgaat. Een goed geschreven en wervend gedacht boek als De boerenoorlog, waarmee Martin Bosschenbroek de Libris Geschiedenisprijs won, doet het beste voor ons land vermoeden.

Een biografie van een schrijver gaat niet over de scholastiek van de voetnoot, de volledigheid van de bibliografie of het verweesde feit zonder samenhang. Een biografie gaat over een volledig leven, in innerlijk en uiterlijk, in woorden en daden. Mij was het te doen om een beleefd verzoek een groot schrijver voor de duur van een met zorg geschreven boek in een helder licht te bezien.